27-06-11

ISMAIL KADARE


Vandaag moest ik om duistere redenen plotseling aan de Albanese schrijver Ismail Kadare denken. Meer dan een jaar geleden mocht ik hem voor De Standaard interviewen. Door schade en schande wijs geworden informeerde ik van tevoren bij zijn uitgeverij of de heer Kadare Engels of Duits sprak. De dame van de uitgeverij stelde me gerust. De gelauwerde Albanees sprak beide talen uitstekend. Toen ik me een paar dagen later aan Kadare in het Engels voorstelde, betrok zijn gezicht en blafte hij mij in een schor en rudimentair Frans toe dat hij slechts Albanees, Russisch en een beetje Frans sprak. Het werd een rampzalig gesprek. Een paar weken later ontmoette ik iemand die Kadare eens een lezing in het Engels had horen geven. En na afloop had hij ook nog vragen uit het publiek beantwoord.

Kadare spreekt in DSL

01-06-11

KOEN RYMENANTS IN ONS ERFDEEL OVER “GA NIET WEG” EN DE “HOLLE HAVEN”- TRILOGIE VAN WILLEM VAN ZADELHOFF

HET MODERNISME ALS GEVAARLIJKE FANTASIE


Ga niet weg, het recentste boek van Willem van Zadelhoff (Arnhem, 1958), is een intelligente ideeënroman over de moeizame verhouding tussen nostalgie en vooruitgangsgeloof. Die spanning wordt bijzonder concreet in de houding van de personages tegenover moderne architectuur. De hoofdfiguur Robert Kats breekt met zijn vrouw Hester wanneer ze hem niet wil volgen naar zijn droomhuis, een modernistisch pand vol licht en lucht. Het symboliseert voor hem het optimisme van de naoorlogse Wederopbouw, maar in haar ogen is het niet meer dan “een kubus, een aquarium” in een onherbergzame omgeving waar het “altijd waait”: de Westelijke Tuinsteden van Amsterdam. Daartegenover staat de Jordaan, de oude volkswijk waar het stel woont. Zij vindt er geborgenheid en ouderwets Hollandse gezelligheid, voor hem is de buurt synoniem met bedompte duisternis en de kitsch van sentimentele schlagerzangers. Robert koopt het huis ondanks Hesters tegenstand en gaat er alleen wonen. Hoe definitief het afscheid in feite is, wordt pas op de laatste bladzijde van de
roman onthuld. Veel sneller al wordt duidelijk dat de tegenstelling tussen oud en nieuw minder helder is dan ze lijkt. Niet alleen is Roberts huis het voormalige optrekje van de Jordanese volkszanger Willy Alberti, het weghalen van het bloemetjesbehang en het witten van de muren blijken ook onvoldoende om het verleden buiten de deur te houden. Zo herinnert Robert zich zijn grootvader van moederskant, een Amsterdamse bloemist met een passie voor Johnny Jordaan, en beseft hij gaandeweg dat zijn architecturale voorkeur ingegeven wordt door heimwee naar vroeger. Dat wil zeggen: naar zijn jeugd, toen het pas verworven huis nog écht nieuw en eigentijds was.
Ook de Berlijnse kunsthistorica Karoline Kwatta, die Robert in Amsterdam komt opzoeken, krijgt te maken met de spanning tussen modernisme en traditie. Haar net afgeronde proefschrift gaat over de ontstaansgeschiedenis van de Freischwinger, de achterpootloze buisstoel. De discussie over het geestelijke vaderschap van dat revolutionaire ontwerp is bekend: komt het toe aan de Nederlander Mart Stam of aan de Hongaar Marcel Breuer? In de fictionele wereld van Willem van Zadelhoff – zie zijn debuutroman Een stoel (2003) – komt het prototype van de Freischwinger voort uit een samenwerking van beide Bauhaus-architecten. De vader en grootvader van Robert Kats speelden daarbij een belangrijke rol, en daarom komt Karoline Kwatta hem haar boek aanbieden. Daarna wil ze zich bezighouden met de achttiende-eeuwse Amsterdamse architect Jan Bouman, die Potsdam van een op de Jordaan geïnspireerd Holländisches Viertel voorzag. Die keuze voor een uitgesproken historisch onderwerp lijkt een forse koerswijziging, maar ook dat blijkt schijn, tenminste volgens haar vroegere geliefde en leermeester Bernhard Mörtenböck. Hij is namelijk van mening “dat de kiem voor het Nieuwe Bouwen in de jaren dertig van de achttiende eeuw door Jan Bouman was gelegd”.
Ga niet weg toont dus de twee gezichten van de geschiedenis. Enerzijds verschijnt ze als een opeenvolging van vernieuwingen, anderzijds bestaat er een vaak onvermoede continuïteit tussen het heden en wat geweest is. Van Zadelhoff belicht die dubbelheid niet alleen in boeiende essayistische passages over architectuur, maar laat ook zien hoe ze het leven van zijn personages bepaalt. Robert komt tragisch ten val doordat hij voortdurend de breuk benadrukt en de continuïteit miskent, zoals hij uiteindelijk ook zelf beseft: “Alles wat ik altijd als vooruitgang heb gezien, is in werkelijkheid niet meer dan een vlucht.” Dat uitgerekend hij als geschiedenisleraar aan de kost komt, geeft daaraan een ironische toets. Na de breuk met Hester volgt die met zijn Turkse leerlinge Dilhan, die hij in zijn nieuwe huis studieruimte had geboden. Zij komt om het leven in een steekpartij waarbij Robert zelf ernstig gewond raakt. De liefhebber van licht en lucht eindigt halfblind en met een beschadigde long; het huis wordt te koop gezet. De ware toedracht van de aanslag blijft lang in het ongewisse, zodat de tweede helft van Ga niet weg de allure van een thriller krijgt. Van Zadelhoff drijft de spanning geraffineerd op door Robert en Karoline afwisselend als ik-verteller op te voeren, waarbij ze hun eigen gissingen afwegen tegen die van de politie en van derden.
Karoline wil haar betrokkenheid bij Robert (inclusief een onenightstand van jaren terug) het liefst achter zich laten, maar ook zij wordt ingehaald door het verleden. Robert ziet een zo direct verband tussen zijn persoonlijke ondergang en zijn als het ware erfelijk bepaalde voorliefde voor het modernisme, dat hij naar Berlijn afreist om Karoline ertoe te bewegen haar proefschrift te herschrijven: “Ze zal in haar Gerrit und Frederik Kats und ihre Bedeutung zur Entwicklung des Freischwingers duidelijk moeten maken dat het een boek over fantasten is, niet over dromers, nee, over gevaarlijke fantasten, die als het erop aankomt over lijken gaan.”
Hij probeert Karoline ervan te overtuigen dat de tweedelige structuur van haar boek ontoereikend is: “Het eerste deel behandelt de periode voor de oorlog, het tweede deel de periode na de oorlog. Je slotconclusie komt veel te vroeg. Er moet nog een derde deel geschreven worden.” De parallel met de romantrilogie Holle haven, waarvan Ga niet weg het sluitstuk vormt, is duidelijk: het hierboven genoemde eerste deel Een stoel handelde over het interbellum, Holle haven (2006) over de Tweede Wereldoorlog. De familie Kats, Karoline Kwatta en Bernhard Mörtenböck kwamen ook in die eerdere delen al voor, en er lopen dan ook talloze lijnen tussen de drie romans. Zo stelt Robert net als zijn grootvader zijn relatie op de proef met een modern huis als inzet, en vertoont zijn Pygmalion-houding ten opzichte van Dilhan overeenkomsten met het huwelijk van zijn ouders. Toch lijkt het al te eenvoudig om de trilogie te lezen als een pleidooi voor de afwijzing van het modernisme waar Robert uiteindelijk toe komt. Ten eerste is hij als verteller te onbetrouwbaar om zijn interpretatie zonder meer over te nemen, ten tweede is Van Zadelhoff zelf bepaald niet vervreemd van de modernistische erfenis. Het traditionele stramien van de romantrilogie – drie boekdelen, drie generaties – wordt gecompliceerd door een subtiel spel met tijdsniveaus, vertelstandpunten, feit en fictie. “Een verhaal, een samenhang lijkt te ontbreken”, bedenkt Karoline ergens, maar dat leidt eerder tot een voortdurende zoektocht naar samenhang dan tot een postmoderne woekering van verhalen en beelden. Van Zadelhoffs stijl is sober en glashelder, en spiegelt in die zin de architectuur waarover hij schrijft, maar komt allerminst karig over. Hij slaagt er integendeel feilloos in telkens het juiste detail op de meest precieze manier uit te lichten. Zo ontstaat een coherent netwerk van motieven: terugkerende zintuiglijke indrukken en voorwerpen (een ring, een hoofddoekje), maar ook een breed gamma aan culturele verwijzingen, van de historicus Huizinga tot de sixties-meidengroep Reparata and the Delrons. Van Zadelhoff geeft een uitermate breed complex aan thema’s gestalte in een beknopte roman, zonder daarbij in te boeten aan scherpte of nuance. Ideeën over geschiedenis, kunst en familie, maar bijvoorbeeld ook over het onderwijs en de islam, worden op een onnadrukkelijke, maar nooit wazige manier met elkaar in verband gebracht. Ook de relaties tussen de trilogie en Van Zadelhoffs overige werk intrigeren: zo duikt Frederik Kats op in de roman Vuur stelen (2008) en bevat zijn bundel Tijd en landen (2008) gedichten met titels als ‘Architect (op modernistische wijze)’ of ‘Veel licht en lucht’.
Ga niet weg is dan ook veel meer dan een obligate afsluiting van wat in Een stoel en Holle haven werd begonnen, al krijgen vooral de slotbladzijden een extra resonantie voor wie de eerdere boeken kent. Willem van Zadelhoff heeft de afgelopen zeven jaar een van de boeiendste oeuvres in de actuele Nederlandstalige literatuur neergezet. Ga niet weg rondt een eerste fase daarvan af en doet verlangen naar wat komen gaat.

WILLEM VAN ZADELHOFF, Ga niet weg, Meulenhoff|Manteau,
Antwerpen, 2010, 201 p.
WILLEM VAN ZADELHOFF, Holle haven, Meulenhoff|Manteau,
Antwerpen, 2006, 160 p.
WILLEM VAN ZADELHOFF, Een stoel, Meulenhoff|Manteau,
Antwerpen, 2003, 141 p.

Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel 2011/2.