17-04-2018

Fragment uit roman in wording Moervos

Nu Daniël. 
Jaren later. Laat middaglicht zette de nieuwbouwwijk in een koperen gloed. 
Overal om hem heen stapelden metselaars steen op steen. In de verte reden de kiepwagentjes van steenfabriek IJsseloord langzaam, volgeladen met verse klei, naar de fabriek. Daar werd de klei gereinigd en in mallen geperst. Daniël had in een uitzending van de schooltelevisie gezien hoe dat in zijn werk ging. De Kollergang kwam eraan te pas. Dat vreemde woord had hij onthouden. Eerst werd met een elektromagneet eventueel metaal uit de klei gehaald. Hoefijzers, stukken buis. De Kollergang was een kleirasp. Daarin werd de klei vervolgens fijngeknepen en door een zeefplaat naar buiten geperst. Niemand in zijn klas had het woord onthouden. Zelfs meester Boerboom niet. Toen hij ‘s avonds aan zijn vader vroeg of hij het woord kende, moest Leonard Keller toegeven dat dit niet zo was. 
‘De Kollergang,’ zei hij terwijl hij zijn zoon goedkeurend aankeek, ‘Kollergang, Kollergang...’ Op het laatst had Leonard het woord bijna gezongen.
Ze zaten op het kleine terras en keken uit op nauwelijks zestig vierkante meter droge klei, hun tuin, omzoomd met schrale ligusterplanten die bedoeld waren ooit een afscheiding te vormen met de belendende tuinen. De klei was omgespit, er was gras gezaaid en vervolgens was de omgespitte aarde met een tuinwals gewalst. De tuinslang werd uitgerold en bevestigd aan de buitenkraan. 
Met een sigaar in zijn mondhoek sproeide Leonard Keller het pas gezaaide gras. Langzaam zoog de harde, droge klei het water op, kleurde grijsgroen. 
Hij draaide zich om naar Daniël en Maria, haalde de sigaar uit zijn mond en keek hen tevreden aan.
‘Kollergang, Kollergang,’ riep hij met luide stem om het ruisende geluid van het neerkomende water te overstemmen.
‘Kollergang,’ fluisterde Daniël hem na.

Geen opmerkingen: