02-05-2011

"Ohne einen Glaspalast ist das leben eine Last"


In zijn boek Europese architectuur vanaf 1890 probeert Hans Ibelings in het hoofdstuk dat het interbellum behandelt het vooroorlogse modernisme in een juister perspectief te plaatsen. Hij betoogt dat de architectuur die tot de moderne beweging gerekend wordt onevenredig veel aandacht heeft gekregen. En dat terwijl slechts een klein aantal architecten en een iets groter aantal opdrachtgevers zich er mee bezig hielden. Natuurlijk, er was ook andere architectuur. Het rijke illustratiemateriaal in dit boek bewijst dat er heel veel andere architectuur was. Ibelings verklaart dat door er op te wijzen dat Europa na de Eerste Wereldoorlog op drift was. De rijke verscheidenheid aan architectuur die daaruit voortkwam, vat hij op als de weerspiegeling van de zoektocht naar uitdrukkingsvormen voor een nieuwe wereld.
Weinig disciplines spiegelen zo goed de tijdsgeest als architectuur. Dat is tijdens het interbellum niet anders. Is de onevenredig grote aandacht voor de architectuur van de moderne beweging wellicht het gevolg van dat zij voor meer stond dan een nieuwe architectuur alleen. ‘Het ging ook om een nieuwe maatschappij, of zelfs een nieuwe wereld.’ Iedereen die mijn trilogie Holle haven heeft gelezen weet waarover we het dan hebben. Men dacht werkelijk dat architectuur van mensen betere mensen kon maken.
Tijdens het lezen van Ibelings opvattingen over het modernisme vielen me plotseling de overeenkomsten op tussen de moderne beweging en de romantische beweging die zo’n honderd jaar eerder van zich deed spreken. In zijn studie The mind of the European Romantics uit 1966 wijdt H.G. Schenk een hoofdstuk aan ‘de vooruitgang als nieuwe religie’. Daar lezen we dat Victor Hugo zichzelf de rol van goddelijk geïnspireerd bemiddelaar tussen mensheid en de bovennatuurlijke godheid had toebedeeld. Hij zag zichzelf op eenzelfde hoogte als Zarathustra, Mozes, Johannes de Doper of zelfs Christus. En merkt Schenk op: ‘Wat nog verwonderlijker is, de Messias-rol die de schrijver zichzelf toewees, bleek in overeenstemming te brengen met de zo vurig door hem verdedigde Romantische legende van het volk.’
Maar Hugo begreep ook dat je alleen in eenzaamheid voor de massa kon werken. Hij was tenslotte een kunstenaar. En hij had een taak: ‘Kunst omwille van de kunst mag dan mooi zijn, maar kunst ter wille van de vooruitgang is het hoogste.’
De vooruitgang als religie. Alle oude zekerheden zijn na de Eerste Wereldoorlog zo goed als verdwenen. Sommige klampen zich wanhopig vast aan de laatste resten van de failliete vooroorlogse maatschappij. Anderen begrijpen dat we verder moeten. Hoe triest en treurig het er in Europa ook voorstaat, aan de einder glooit licht. En terwijl architectuur altijd al een spiegel van de tijdsgeest was, wilden de architecten van de moderne beweging het eens een keertje omdraaien. Vanaf nu zou de maatschappij de heilige opdracht van de architect spiegelen. De Architect als verlosser die de mensheid licht en lucht zou brengen. Dat waren sleutelbegrippen, net als de menselijke maat. En als je de woorden maar vaak genoeg herhaald krijgen ze vanzelf een symbolische, religieuze lading. Men wist wat goed voor de ander was. Voor de mensen die tot dan toe in het bedompte donker geprobeerd hadden te overleven. Geen zwaarte meer. Alles moest transparant. Een huis was geen plek om je in terug te trekken, nee, het was een verlengstuk van de wereld. Beton, glas en staal bepaalden onze omgeving en gaven ons alvast een blik op de ongetwijfeld stralende toekomst.
In Duitsland droomde de dichter Paul Scheerbart al tientallen jaren van een wereld van glas en schreef:

Ohne einen Glaspalast ist das leben eine Last.

Dit aforistische gedicht werd samen met andere aangebracht op het glazen paviljoen dat de architect Bruno Taut ontwierp voor de Werkbund tentoonstelling in 1914. Toen moest de Eerste Wereldoorlog nog in alle hevigheid losbreken.

Deze overdenking werd geschreven naar aanleiding van het verschijnen van Europese architectuur vanaf 1890 van Hans Ibelings. Uitgeverij SUN, Amsterdam, 2011. ISBN 9789085068808. € 34,50. Van het boek is ook een Engelstalige editie verschenen.

01-05-2011

HET GERATEL VAN ROLLUIKEN

Er is een tijd geweest dat ik ’s avonds als de straatverlichting aanging mijn woning verliet om door Amsterdam te dwalen. Tijdens die wandelingen keek ik bij vreemde mensen naar binnen. Dat kan in Nederland want niemand doet daar als het donker wordt zijn gordijnen dicht.
Ik doorkruiste straat na straat, soms uren achter elkaar. Ik zag blije gezinnen, ik zag droevige gezinnen. Sommige zaten nog aan de eettafel, andere hadden zich al voor de televisie verschanst. Ik zag ook mannen en vrouwen die alleen waren, of kinderen. Eén keer zag ik in de Van Breestraat zelfs een hond die in zijn eentje naar de televisie aan het kijken was.
Ik keek naar de mensen in hun behaaglijk verlichte woonkamers en probeerde me voor te stellen wat voor een levens ze leidden. Wat voor werk zouden ze doen? Of werkten ze juist niet en waren ze gepensioneerd of werkeloos? Misschien werkten ze in ploegendienst? Ik bedacht hele levens voor de mensen die ik aan de andere kant van het vensterglas zag zitten.
Voor sommigen vatte ik sympathie op. Dat gebeurde om heel verschillende redenen. Soms was het de manier waarop een man door de kamer liep, of hoe een vrouw met haar hand door haar blonde haar streek. Het kwam voor dat ik expres naar hun straat ging om te zien hoe het met ze ging. Die mensen beschouwde ik als een soort familie, zo vertrouwd kwamen ze me voor. Ik hoefde alleen maar bij ze aan te bellen, naar binnen te gaan en bij ze op de bank te gaan zitten. Dan zouden ze vragen of ik al gegeten had en wat ik wilde drinken.

In 1993 verhuisde ik naar Antwerpen. Ik kwam er al snel achter dat bij de mensen naar binnen gluren in België niet gaat. Iedereen doet daar ’s avonds zijn gordijnen dicht. Of zijn rolluiken. Als het begint te schemeren hoor je overal in het land het geratel van de rolluiken. Ik heb dat altijd een erg ongastvrij geluid gevonden. Alsof ze nog eens extra benadrukken dat je er niet bij hoort. Al vrij snel staakte ik mijn avondwandelingen. Er zat weinig anders op dan thuis te blijven en te luisteren naar het geratel van de rolluiken als het donker werd.
Een paar jaar geleden stond ik tijdens een ouderavond te praten met de directeur van de lagere school van mijn dochter. We spraken Nederlands. Hij met een Vlaamse tongval, ik met een Nederlandse. Plotseling mengde de vader van een andere leerling zich in het gesprek. Binnen enkele seconden waren ze overgegaan op het plaatselijke, Antwerpse dialect. Ik verstond er niets van en voelde me buitengesloten. Iedere keer dat ik daarna de directeur tegenkwam moest ik aan rolluiken denken. Soms hoorde ik zelfs het geratel.

Begin 2011 heeft de Belgische Kamercommissie Naturalisaties de nieuwe criteria goedgekeurd voor de behandeling van naturalisatieaanvragen. Voortaan moet de aanvrager één van de landstalen voldoende kennen. Daarnaast moet hij inspanningen leveren om de taal van zijn woonplaats te begrijpen en aantonen dat hij deelneemt aan het gemeenschapsleven. Die laatste twee criteria kwamen er op aandringen van de Vlamingen; voor hen volstaat het niet langer dat een kandidaat-Belg een van de drie landstalen kent.
Ik las met stijgende verbazing deze regels nog eens over. De taal van de woonplaats. Dialect dus, dacht ik.
En terwijl ik dat dacht, draaiden ze Moestek duod hon van Flip Kowlier op de radio. Dat liedje draaien ze overigens de laatste maanden altijd als ik naar de radio luister.
‘Ie zingt in West-Vlams nie omdat ie damee 'n twadde wilt zeggn ma omdat da de toale es wo dat em mee ipgegroeid es en woa dat ie hem 't best in kan uutdrukkn’, lees ik in het West-Vlaamse Wikipedia-artikel over Flip Kowlier. Nu is het zijn goed recht om in het dialect van zijn geboortestreek te zingen. Het klinkt zelfs best wel grappig. Maar uiteindelijke blijft het voor iedereen die het West-Vlaamse dialect niet beheerst natuurlijk toch onverstaanbaar gewauwel.
Taal is een instrument om te communiceren. Hoe meer mensen mijn taal spreken, hoe groter mijn bereik is. En mijn taal is Nederlands. Voor veel Vlamingen is Nederlands een obstakel. Ze zijn er niet mee opgegroeid en kunnen zich er minder goed in uitdrukken dan in het dialect van hun geboorteplaats. Kijk maar naar Flip Kowlier. Het dialect is een veilige haven, een warme deken waaronder je jezelf kunt zijn, ver weg van de boze buitenwereld. En hoe minder mensen het dialect spreken, hoe veiliger ze zich wanen. Degenen die het niet spreken of verstaan, vormen de boze buitenwereld. Een taalgordijn scheidt ons van elkaar. Een rolluik!
Een paar jaar geleden vierde mijn dochter haar verjaardag. Een kookfeestje begeleid door een kok. Langzaam druppelden de vriendjes en vriendinnetjes binnen. Een van hen was nogal verlegen. Ze keek vooral naar de grond. Toen hoorde ze de stem van de kok. Blij verrast keek ze op. ‘U bent ook van West-Vlaanderen,’ zei ze opgelucht. Van haar verlegenheid was niets meer over. Ze was thuis gekomen.
Terwijl ik dit schrijf komt er een mail binnen van de KBC Bank: ‘Als je dezelfde taal spreekt, dan mag de wereld op z’n kop staan, maar je verstaat elkaar.’
Die mannen van de KBC hebben zeker ook dat artikel over die nieuwe criteria gelezen, dacht ik opgelucht. Maar dan lees ik verder en stuit ik op deze regels: ‘Daar staan al onze mensen in de kantoren en bij de verzekeringsagenten garant voor. 100% gepersonaliseerd advies, in een open en warme sfeer, in het grootste vertrouwen en bovenal: in uw taal. Want daar willen we in 2011 echt werk van maken.’
‘100% gepersonaliseerd en bovenal: in uw taal. Daarmee kunnen ze niets anders bedoelen dan dat je bij de KBC in je eigen dialect wordt toegesproken. Niet soms?’ zeg ik een paar dagen later tegen een Vlaamse vriendin.
Ze kijkt me met een gefronst voorhoofd aan.
‘En dan die nieuwe criteria voor de behandeling van naturalisatieaanvragen. Één van de drie landstalen is niet voldoende, nee, ze hebben nu officieel geregeld dat je ook de taal van je woonplaats moet proberen te spreken. Dialect dus!’
Haar schampere lach.
Ik begin over gordijnen en rolluiken.
‘Probeer je maar eens het geluid van ratelende rolluiken voor te stellen’, roep ik met overslaande stem.
‘Jij lijdt aan dialectparanoia’, onderbreekt ze mij.
‘Kom op zeg. De bewijzen zijn overduidelijk.’
‘Je haalt alles door elkaar, ziet geen enkel verband meer. Jij hoort zelfs dialecten waar ze niet zijn.’
‘Het is het begin van het einde’, zeg ik. ‘De volgende stap is dat ze het Nederlands gaan verbieden.’
Volgens haar heb ik er helemaal niets van begrepen. Met de taal van de woonplaats bedoelen ze geen dialect. Ze bedoelen daar gewoon mee dat je als je als Franstalige in Antwerpen woont, moet proberen het Nederlands te begrijpen dat daar gesproken wordt.
‘Nederlands’, zeg ik, ‘Nederlands dus.’
‘U woont hier al zo lang en u spreekt nog steeds Nederlands.’ Hoe vaak zeggen ze dat niet tegen mij. Het klinkt als een verwijt maar wat moet ik in dit deel van België anders spreken?’
‘Ze bedoelen gewoon dat je na al die jaren nog steeds met een Nederlandse tongval spreekt.’
‘Ook weer zoiets. Je verwijt een Congolees toch ook niet dat hij na twintig jaar in België nog steeds niet blank is.’
Mijn Vlaamse vriendin maakt een vermoeid gebaar met haar armen: ‘Wat is dat toch met jullie Nederlanders. Altijd maar praten, praten… waarom zwijgen jullie nooit eens een seconde om even na te denken?’
‘We kunnen alleen maar nadenken als we praten. Als we zwijgen worden we gek.’
‘Precies. Daar zijn jullie bang voor.’

Een jaar of tien geleden heb ik serieus overwogen om me te laten naturaliseren tot Belg. De meeste van mijn Belgische vrienden keken me aan of ik gek was geworden. Waarom in godsnaam Belg worden?
Ik had zeer overtuigende argumenten: ik woonde hier, ik werkte hier, betaalde belasting, voelde me betrokken bij mijn straat, mijn stad. Ik las de Vlaamse kranten en weekbladen, keek naar het Belgische televisie en ga zo maar door. Als ik na een bezoek aan Nederland op Berchem station aankwam en daarna met de fiets over de troosteloze Binnensingel naar huis fietste, had ik ondanks alles het gevoel thuis te zijn gekomen.
En ik hoopte natuurlijk dat ik daardoor niet langer Nederlander zou zijn.
In die tijd bracht ik mijn vuile kleren altijd naar een stomerij op de hoek van de Hemelstraat en de Lange Leemstraat. De zaak werd gedreven door een al wat ouder Nederlands homopaar. Toen ik de twee mannen leerde kennen, woonden ze al achttien jaar in Antwerpen.
Op een dag vroeg de jongste en meest spraakzame van de twee, een lange man met een indrukwekkend blond leeuwenkapsel, of Antwerpen nog steeds beviel.
‘Ja en nee’, zei ik en ik veinsde niet. ‘Ja, het bevalt en nee, het bevalt ook weer niet. Ik irriteer me de laatste tijd steeds vaker. Aan van alles. Aan Vlamingen, aan hoe het hier geregeld is, noem maar op.’
‘Ja, het zijn rare types die Vlamingen’, mompelde de vriend van de man met het leeuwenkapsel.
‘En als ik dan weer in Nederland ben, vind ik het eerst heel leuk, maar na een paar uur word ik er stapelgek.’
De twee mannen keken me vol begrip aan.
‘Dan ben je nu dus in feite stateloos…’ zei de man met het leeuwenkapsel nadenkend.

Op 13 oktober 2004 stond er een interview in De Standaard met Annelies Verbeke die zojuist de Debuutprijs had gewonnen: ‘Ik dacht dat Een stoel van Willem van Zadelhoff een andere kanshebber was, maar dat stond niet eens op de shortlist. Van Zadelhoff woont in Antwerpen, maar heeft de Nederlandse nationaliteit en komt dus niet in aanmerking voor de Debuutprijs.’
Achteraf beschouwd moet ik toen - terwijl ik de betekenis van deze regels tot mij liet doordringen - besloten hebben het avontuur van ‘Belg worden’ voorgoed vaarwel te zeggen. Niet omdat ze me de Debuutprijs door de neus hadden geboord, maar omdat ik daar niet voor in aanmerking kwam omdat ik Nederlander ben. Weer zo’n rolluikmoment, weer ratelden ze dat het een aard had. Later heeft Vlaanderen het goed gemaakt door mijn dichtbundel Tijd en landen te bekronen met de Herman de Coninckprijs voor het beste poëziedebuut. Maar toen wilde ik dus allang geen Belg meer worden.
Misschien is willen veel te sterk uitgedrukt en kwam het er op neer dat ik me op dat moment gewoon realiseerde dat ik Nederlander was en dat ik dat feit nooit zou kunnen ontlopen, zelfs niet door Belg te worden. In de bijna twintig jaar dat ik hier woon ben ik er bijna dagelijks op gewezen dat ik Nederlander ben. Ik heb dat altijd als een stigma beschouwd. Niet zo verwonderlijk, want een groot deel van de bevolking hier heeft nu eenmaal weinig op met hun noorderburen. En ze steken dat bepaald niet onder stoelen of banken. Zoals toen ik onlangs een fles water met een biljet van twintig euro wilde betalen. De vrouw achter de toog wierp me een woedende blik toe terwijl ze siste: ‘Het is altijd hetzelfde met die Hollanders.’
Ja, het is altijd hetzelfde met die Hollanders. Ze zijn onverbeterlijk.
‘Broek af! Tetten bloot! Hollandse hoeren!’ Deze tekst las ik niet op het toilet van een donkerbruin café, nee, mijn destijds tienjarige dochter kwam ermee thuis. Ze had het liedje geleerd toen ze tijdens het scoutskamp van de Antwerpse scoutsgroep Kristus-Koning rond het kampvuur zaten. Ik bedoel maar.
Als Vlamingen het in mijn bijzijn over Nederland hebben, beginnen ze altijd met de zinsnede ‘bij jullie’. Hoe bedoel je dat? vraag ik dan. Ik ben er al bijna twintig jaar weg. Ja, maar jij bent en blijft toch een Nederlander, zeggen ze dan. Zoiets als een ongeneeslijke ziekte.
Mijn dochter heeft hier minder last van. Ze is in Antwerpen geboren en getogen en ze spreekt Nederlands met een Vlaamse tongval. Wel verzocht ze ons laatst te zwijgen toen we tijdens een ouderavond binnen gehoorsafstand van een aantal van haar klasgenoten kwamen. ‘Anders komen ze erachter’, zei ze, ‘dat ik Nederlands ben.’
Maar de rolluiken ratelen niet altijd. Naar aanleiding van mijn laatste boek schreef de criticus van De Standaard: ‘Ook al heeft Willem van Zadelhoff niet de Belgische nationaliteit, we gaan hem gewoon manu militari inlijven bij de Vlaamse literatuur, want hij is een te waardevolle stem.’
Nu vind ik die manu militari waar Mark Cloostermans mee dreigt iets te veel van het goede, maar het geeft in ieder geval aan dat achter bepaalde vensters de rolluiken geopend blijven. Ook als de inktzwarte nacht aangebroken is.

Verscheen eerder in de bundel Beste buren, Belgen over Nederland en Nederlanders over België, Uitgeverij Luster, 2011

11-03-2011

GREGOR VON REZZORI













Zojuist begonnen aan Een hermelijn in Tsjernopol van Gregor von Rezzori. Na Memoires van een antisemiet en Bloemen in de sneeuw al weer de derde vertaling binnen drie jaar van deze auteur.
Al op de eerste pagina is het raak:

"Zijn gezicht is het kraterveld van een verloren maan.
In zijn overprikkeld brein borrelen dronkemansgeschreeuw, filosofische geschillen, trots, vernedering, liefde, citaten, schuine moppen, haat, eenzaamheid, godsvrucht, reinheid, wanhoop-:
Hij vindt de weg naar huis niet."

Zelden zag ik de condition humaine beknopter samengevat. En weer vertaald door meestervertaler Kris Lauwerys over wie het gerucht gaat dat hij een levensgrote pop naar gelijkenis van Gregor von Rezzori heeft laten vervaardigen die tijdens het vertalen van von Rezzori naast hem zit en 's nachts zijn bed deelt.

30-12-2010

De PERS OVER GA NIET WEG (2)

Dirk Leyman in De Morgen:


De 'Vlaamse' Nederlander Willem van Zadelhoff besluit zijn romantrilogie Holle haven met het suspenserijke Ga niet weg. Architectuur wordt er het speelterrein van 'gevaarlijke fantasten'.


Romans waarin architectuur een prominente rol speelt? Ze zijn dun gezaaid in het Nederlandse taalgebied. Gelukkig maakt Willem van Zadelhoff (°1958) er al een paar jaar zijn specialiteit van. Zopas rondde de in Antwerpen wonende Nederlander met Ga niet weg een doortimmerde trilogie af over opkomst- en ondergang van de modernistische architectuur.

Het drieluik werd in 2003 op de rails gezet met Een stoel, een ragfijne intellectuele detective over de ontstaansgeschiedenis van de achterpootloze stoel van Bauhausarchitecten Marcel Breuer en Mart Stam én de rol van Gerrit Kats. In opvolger Holle haven (2006) stond dan weer het naoorlogse 'Nieuwe Bouwen' centraal. Laat Van Zadelhoff in sluitstuk Ga niet weg de modernistische droom uit elkaar spatten? Het heeft er alle schijn van. Maar de roman reflecteert ook over de houdgreep van het verleden en zet je langzaam maar zeker op het puntje van je stoel.

Onderwijzer Robert Kats gehoorzaamt in Ga niet weg aan zijn verlangen om een kubusvormige woning te kopen in de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam. De wijk was ooit het walhalla van het Nederlandse modernistische bouwen. Maar zijn vrouw Hester is verknocht aan de Jordaan. Toch wijkt Robert geen duimbreed van zijn plannen af. Dat volkszanger Willy Alberti het huis ooit heeft betrokken, zwengelt zijn fascinatie nog meer aan. In "dit paradijs, een oase met omgekeerde villa's" kan hij zowel zijn jeugd hervinden als een nieuwe toekomst uitbouwen.

De zonderlinge Robert leidt in zijn heldere honk een teruggetrokken, dromerig bestaan. Zonder Hester. Spoedig neemt hij een leerlinge, een timide moslimmeisje, onder zijn vleugels. Hij biedt haar een kamer aan om rustig te studeren. Het meisje wordt echter vermoord en Robert verliest bij de daad van agressie een oog én een gedeelte van zijn long. Eigenlijk eindigt daar zijn droom. De revalidatie is lang en het huis wordt terra non grata. En het besef rijst: "Alles wat ik altijd als vooruitgang heb gezien, is in werkelijkheid niet meer dan een vlucht."

Van Zadelhoff drijft mondjesmaat de suspense op. Het is zaak om bij de les te blijven, want de hints naar de onthutsende afloop stapelen zich op. Zeker als Karoline Kwatta, die we kennen uit Een stoel, weer ten tonele verschijnt. Zij heeft een studie over de familie Kats voltooid en denkt de geschiedenis van de achterpootloze stoel voorgoed ontrafeld te hebben. Ze werkt ook aan een studie van de Hollandse Wijk in het Berlijnse Potsdam van 1830.

Maar zijn al die architecturale nieuwlichters uiteindelijk geen rigide doordrammers, "gevaarlijke fantasten, die als het erop aankwam over lijken gaan"? Hoe letterlijk die bedenking van Robert te nemen valt, blijkt in de bevreemdende Berlijnse slothoofdstukken. Enkel jammer dat Van Zadelhoffs ideeënrijk proza soms zo afgemeten is dat je er slinks een bloemrijk adjectief wil aan toevoegen.

14-12-2010

DE PERS OVER GA NIET WEG

Ton Van Imschoot in Knack:

Wie houdt van helderheid? Met Ga niet weg bekroont Willem van Zadelhoff (°1958) op een briljante manier zijn ingenieuze romantrilogie over de twintigste-eeuwse droom van een maakbaar leven vol 'licht en lucht'. In Een stoel (2003) werd het vooroorlogse Bauhaus - ontwerp van de achterpootloze buisstoel verweven met de geschiedenis van de Arnhemse familie Kats. Holle haven (2006), naar een gedicht van Paul van Ostaijen, borduurde erop voort, maar nam de ontwikkeling van de naoorlogse modernistische architectuur in focus. In Ga niet weg nu is Hollandse stedenbouw het mikpunt, andermaal in een onwaarschijnlijk uitgeklaarde stijl.
Robert Kats, die ook in Een stoel de hoofdrol speelde, besluit onverhoeds een kubusvormige villa te kopen in de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam. Hester, zijn vrouw, vindt dat maar niks. Toch zet Robert door, buiten haar weten om. Hij heeft immers het gevoel zijn jeugd en zijn toekomst in dat huis terug te vinden. Bovendien blijkt de villa aan Willy Alberti te hebben toebehoord, een zanger uit de Jordaan, de volkse wijk van Roberts 'hechte familie' van moederskant. Toen was sociale mobiliteit nog mogelijk.
In dat oude idee vindt Robert een nieuw doel. Nadat hij Hester verlaten en zijn villa alleen betrokken heeft, ontfermt hij zich over een moslimmeisje waaraan hij op school geschiedenisles geeft. Net als de Pygmalion die zijn vader ooit voor zijn moeder was. Hij biedt haar een studeerkamer aan, hoopt dat ze zo kan slagen. De zaak neemt echter een onverwachtse wending wanneer Robert op school door de broer van het meisje aangevallen wordt en zij er het leven bij inschiet. Wat is er aan de hand? En waar is Hester toch gebleven?
Enter Karoline Kwatta, auteur van een standaardwerk over de familie Kats en bezig met onderzoek naar de Hollandse wijk in Potsdam. Langs haar om ontmaskert Van Zadelhoff het verlangen naar 'een paradijs van licht en lucht' dat Robert van zijn vaderen heeft geërfd als een gevaarlijke fantasie, een historische last met een duistere ontknoping. Alles wordt uiteindelijk helder, behalve het verlangen en de verbeelding zelf. Wat een verademing! Een meesterlijk einde van een beklemmende trilogie.

Mark Cloostermans in De Standaard:

Het cruciale zinnetje staat al op bladzijde 42, in een jeugdherinnering van de hoofdpersoon. Zijn vader, zo vertelt Robert Kats, beschouwde zijn moeder als een soort ruwe diamant. Hij wilde haar losmaken van haar platvloerse familie, haar te volkse wortels. En dan klinkt het, enigszins omineus: 'Mijn vader wist wat goed voor anderen was.' Daarmee legt Willem van Zadelhoff onopvallend de revolver neer die later in het boek zal afgaan.

Aan de oppervlakte vertelt Ga niet weg een eenvoudig verhaal. De onderwijzer Robert Kats wordt halsoverkop verliefd op een huis: een lichte, heldere woning, met veel glas, gelegen in een nieuwbouwwijk uit de jaren 1950. Roberts vriendin wil niet mee verhuizen, maar hij volgt zijn droom ('licht en lucht') en betrekt het huis alleen.
Het enige bezoek dat hij ontvangt, is dat van een Turkse leerlinge. Haar heeft hij een rustige studeerkamer aangeboden. Dat zijn interesse voor de leerlinge wat ver gaat, is de lezer meteen duidelijk. Halverwege de roman is het meisje opeens dood en ligt Robert in het ziekenhuis. Wat er precies is gebeurd, vertelt Robert niet. Wel deelt hij met ons zijn gevoel voor ironie: de man die licht en lucht zocht, eindigt met nog maar één oog en anderhalve long.
Een origineel verhaal is dit niet. Jan Siebelink, bijvoorbeeld, beschreef in Suezkade (2008) ook al de ontsporende relatie tussen een wereldvreemde onderwijzer en een allochtone leerlinge. Maar door wissels in het vertelperspectief en door de lezer slechts mondjesmaat informatie te voeren, geeft Willem van Zadelhoff nieuw leven aan deze plot.
Bovendien is Ga niet weg meer dan zomaar een verhaal over een zonderling die wat te sterk overtuigd is van zijn gelijk.

In 2003 stapte Willem van Zadelhoff de literatuur in met Een stoel. De in Antwerpen wonende Nederlander trok de aandacht met glashelder, verraderlijk luchtig proza én door het onderwerp van zijn debuut: de achterpootloze buisstoel. Of anders gezegd: de geschiedenis van een droom die verschillende generaties overspant.
Een stoel bleek achteraf de start van een trilogie. In deel 2, Holle haven, verruimde Van Zadelhoff de focus: de stoel werd een pars pro toto voor de modernistische architectuur en met name het Nieuwe Bouwen. Het Nieuwe Bouwen, zo staat te lezen op Wikipedia, is 'een internationale verzamelnaam voor verschillende bouwstijlen en radicale stedenbouwkundige vernieuwingen uit de periode 1915 tot circa 1960'. Van Zadelhoff definieert de stroming zelf als een zoektocht naar licht en lucht. Maar in Holle haven plaatste hij al kanttekeningen: veel modernistische dromen konden maar verwezenlijkt worden dankzij de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. In het pas verschenen sluitstuk van de trilogie, Ga niet weg, verandert de droom in een nachtmerrie.
Bij monde van Robert Kat komt Van Zadelhoff tot een pijnlijke conclusie: de architecten van het Nieuwe Bouwen waren geen geniale dromers, maar gevaarlijke fantasten, die geen rekening hielden met andermans wensen en genadeloos het verleden afbraken om hun visie op de toekomst vorm te geven. Net als Roberts vader (en hijzelf) wisten ze wat goed was voor anderen.

Ga niet weg heeft trekken van een ideeënroman, met personages die staan voor verschillende visies op de omgang met het verleden en het ontwerpen van de toekomst. Zo loopt er ook nog een broer van Robert rond in het verhaal, die hardnekkig de fouten uit het verleden tracht recht te zetten. Robert daarentegen is juist op de toekomst gericht: hij is een voorstander van radicale veranderingen. Maar ook zijn handelen wordt misschien beïnvloed door jeugdherinneringen, nostalgie, de wens om te recupereren wat verloren ging. 'De geschiedenis herschrijven is leuk, zolang je je tot fictie beperkt', waarschuwt hij.
Ook dit is een thema in Ga niet weg: het schrijven van geschiedenis en hoe vervorming en achteraf-interpretatie daarbij niet te vermijden vallen. Deze gedachtelijn heeft Van Zadelhoff toegewezen aan een kennis van Robert, de historica Karoline Kwatta. Zij werkt aan een studie over de Hollandse wijk van Potsdam, gebouwd in de jaren 1830. In de ontwerper daarvan, Jan Bouman, ziet Kwatta een voorloper van het Nieuwe Bouwen: 'Bouman trok de zaken recht. Hij baseerde zich [...] op de menselijke maat.' Toch wordt Kwatta geplaagd door twijfel: was Bouman echt briljant, of slechts een simpele meubelmaker met gevoel voor verhoudingen? Is Karoline Kwatta de geschiedenis aan het vervormen vanuit haar bewondering voor het Nieuwe Bouwen?
Zoals u merkt: deze beknopte roman is eigenlijk een hele boterham, maar Van Zadelhoffs handelsmerk is de lichtvoetige manier waarop hij academische dilemma's tot leven brengt. Ook al heeft Willem van Zadelhoff niet de Belgische nationaliteit, we gaan hem gewoon manu militari inlijven bij de Vlaamse literatuur, want hij is een te waardevolle stem.

08-12-2010

'TUF' VAN VUUREN (1946-2010)















Tuf is dood, las ik in de krant. Ik heb nooit een woord met hem gewisseld maar ik wist wie hij was. Ik kende zijn gezicht. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. We woonden in dezelfde stad en bezochten dezelfde café’s. Hij reed in een zilverkleurige Alfa Romeo. Dat herinner ik me nog. Het gerucht ging dat hij geen huis had, alleen die zilverkleurige Alfa. Als hij geen vriendinnetje had, sliep hij gewoon in z’n auto, zeiden ze. En hij deed iets met fotografie. Dat laatste maakte toen niet zo veel indruk op mij; bijna iedereen in die tijd deed iets met fotografie. Ook ikzelf overwoog toen regelmatig iets met fotografie te doen.

Dat Tuf in werkelijkheid Steven Jan van Vuuren heette, weet ik pas sinds afgelopen vrijdag. Ik las het in zijn overlijdensadvertentie in de Volkskrant.
Eind jaren zeventig begon van Vuuren met een kleine Rollei D 35 in Arnhem mensen te fotograferen. Portretten. Op terrassen, in de kroeg, op feestjes en gewoon op straat. In de periode 1979 – 2006 maakte hij duizenden foto’s. Al die foto’s tezamen vormden de zogenaamde fotomuur. Gewoonlijk hing die bij hem thuis in de woonkamer. Hij was ook een paar keer te zien op exposities in Arnhem.

Uit het herdenkingsartikel op de website van Sint Marten, de wijk waar hij jarenlang woonde, maak ik op dat Van Vuuren zelf het tijdstip van zijn dood gekozen heeft. Een week eerder was zijn huis op de hoek van de Van Hasseltstraat en de Van Spaenstraat afgebrand. Daarbij gingen al zijn bezittingen in vlammen op. Ook zijn fameuze fotomuur. Dat moet hem gebroken hebben. “Intens moe” stond er boven zijn overlijdensadvertentie. Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Hoewel ik Tuf nauwelijks gekend heb, stemt zijn dood me weemoedig. Onwillekeurig moet ik denken aan dat verhaal uit het begin van de jaren tachtig over die zilverkleurige Alfa, zijn enige bezit.

Eén troost rest: zijn fotomuur staat sinds enige tijd op internet. Uren heb ik op de site rondgedwaald. Foto na foto bekeken. Al die gezichten. Velen herkende ik. Van sommige wist ik dat ze dood waren, van anderen niet. Ook mezelf kwam ik tegen. Wat een naïeve hoop sprak uit die foto op pasfotoformaat. Al deze foto’s vertelden een prachtig en weemoedig stemmend verhaal van een provinciestad in de jaren tachtig en negentig. Ik verruilde Arnhem al begin jaren tachtig voor Amsterdam maar toch vertelt deze fotomuur ook mijn verhaal.

Afgelopen maandag hebben ze Tuf in kleine kring begraven. Wat rest is zijn fotomuur. Een nalatenschap die er wezen mag. Voor Tuf was fotograferen geen bevlieging. Het was zijn levenswerk. Hopelijk komt er snel iemand op het idee hier een boek van te maken.

Surf naar www.fototuf.nl om de fotomuur te bekijken.

08-10-2010

DE MORGEN, 03-11-2010: TIPS VOOR DE BOEKENBEURS





BART VAN LOO, Auteur en spreker:

De trilogie van Willem Van Zadelhoff

"Ik vind dat iedereen Willem Van Zadelhoff moet lezen, want hij is nog veel te onbekend bij ons. Ik lees hem heel graag. Ik heb net het derde deel en sluitstuk van zijn trilogie HOLLE HAVEN gelezen: GA NIET WEG. Aan de hand van een stoel beschrijft hij de vervreemding van de moderne mens. Hij vertrekt van een achterpootloze stoel, en de vraag wie hem uitgevonden heeft. Van daaruit beschrijft hij drie generaties.