12-04-2010

DE VERTALER HEEFT HET GEDAAN

Dichter Hanz Mirck heeft de dichtbundel Regio en ring van de Ierse Nobelprijswinnaar Seamus Heaney vertaald en dat heeft hij niet goed gedaan. Arjan Peters (De Volkskrant), Guus Middag (NRC) en nog een aantal critici zijn het daar unaniem over eens. Hij schijnt het zelfs zo verschrikkelijk gedaan te hebben dat Uitgeverij Meulenhoff besloten heeft de bundel uit de handel te nemen.
Vanwege de kritiek op de vertaling? ‘Nee, hoor’, zegt PR-medewerkster Marianna Sterk van Meulenhoff in de Volkskrant. Het besluit was al genomen. 'Het was te pijnlijk voor ons. We hebben een naam op te houden als uitgever van een van de grootste Europese dichters. En hoe erg het ook is voor de vertaler Hanz Mirck, we kunnen niet met hem doorgaan.'
Dat vind ik erg vreemd. Een vertaler vertaalt een bundel gedichten. Ik ga ervan uit dat iemand van Meulenhoff hem daar om gevraagd heeft. Hij levert die vertaling in en zonder dat iemand van de uitgeverij er naar kijkt, wordt de tekst naar de drukker gebracht. Of heeft er wel iemand van de uitgeverij naar gekeken maar was die persoon niet competent genoeg om te zien dat het een ellendige vertaling betrof? Want één ding heb ik uit alle kritieken begrepen: zelfs als Regio en ring een oorspronkelijke Nederlandse tekst zou zijn geweest, was het een tekst vol fouten en slordigheden geweest.
Nu is Hanz Mirck de grote boosdoener. Maar ik ben zo benieuwd naar degenen die “onafhankelijk” van al die slechte kritieken alsnog besloten hebben Regio en ring uit de handel te nemen. Zijn dat dezelfden die eerder zonder problemen de vertaling naar de drukker hebben laten sturen? Waarom heeft niemand van Meulenhoff Hanz Mirck tegen zichzelf in bescherming genomen?
Het ergst is het natuurlijk voor Seamus Heaney zelf. Als ik hem was, zou ik maar eens naar een andere uitgever uitkijken. Een uitgever met een eindredacteur. Want uiteindelijk is het de uitgever die de eindverantwoordelijkheid draagt. Het past niet die af te schuiven op de vertaler.

20-03-2010

DE JORDAAN IN POTSDAM


















Maar waar is Willy Alberti?

BLIND VOOR WAT ER WERKELIJK GEBEURDE

Ismail Kadare (1936) was in Brussel. De internationaal gelauwerde Albanese schrijver - in 2005 won hij de eerste Man Booker International Prize en in 2009 de prestigieuze Spaanse Prins van Asturiëprijs - kwam de Nederlandse vertaling van zijn roman Het Ongeluk promoten.
Vier potige mannen in donkerblauwe kostuums fladderden steeds om hem heen. Het zijn afgevaardigden van een culturele, Albanese vereniging en willen geen woord missen van wat hun grote schrijver zegt.
Het ongeluk is een ongrijpbaar boek. Het eerste deel is opgezet als een detective. Op de snelweg tussen Tirana, de hoofdstad van Albanië, en vliegveld Rinas is bij kilometerpaal 17,0 een taxi verongelukt. De passagiers zijn op slag dood, de chauffeur wordt in coma afgevoerd. De slachtoffers zijn Besford Y., een politiek analist en Rovena St., die stage loopt bij een archeologisch instituut in Wenen. Waarschijnlijk vormen zij een liefdespaar. Over de omstandigheden waarin het ongeluk gebeurd is, tast de politie in het duister. Als de chauffeur na een week uit zijn coma ontwaakt, kan hij de politie niet meer vertellen dan wat hij in de achteruitkijkspiegel gezien heeft: ‘de man en de vrouw probeerden elkaar te kussen’. De politie kan er weinig mee en deelt het ongeval in bij de categorie atypische ongevallen. Maar nadat de geheime diensten van twee andere Balkanlanden interesse hebben getoond in het ongeval, verdiept de Albanese geheime dienst zich er ook in. Wederom zonder resultaat. Een onderzoeker die verder anoniem blijft, gaat door met het onderzoek. Uit een enorme stapel hotelbonnen, treinkaartjes, vliegtuigtickets, notities en andere papieren probeert hij zich een voorstelling te maken van het leven van Besford en Rovena in de laatste veertig weken voorafgaand aan het dodelijke ongeluk. Dit vormt het tweede deel van de roman. Het leest als een tragisch liefdesverhaal. Het derde en laatste deel van de roman – waarin de onderzoeker weigert de laatste week van Besford en Rovena te reconstrueren - heeft weer de vorm van een detective.

Kadare: ‘Inderdaad. Er is helemaal niets mis met detectives. Meestal wordt het gebruikt om slechte literatuur mee te benoemen. Onzin! De meeste grote werken uit de wereldliteratuur zijn detectives. In Hamlet van Shakespeare probeert Hamlet de moord op zijn vader op te lossen. Maar ook De broers Karamasov van Dostojevski is een detective. Om maar niet te spreken van Misdaad en straf.’

Soms moest ik aan het werk van de Siciliaanse auteur Leonardo Sciasca denken toen ik uw boek las.

‘Dat is een van die grote schrijvers. En inderdaad, hij schreef alleen detectives.’

Een overeenkomst tussen al die romans is dat de oplossing van het misdrijf veel minder belangrijk lijkt dan de manier waarop dat gebeurd.

‘Dat geldt ook voor Het ongeluk. Het gaat om de pogingen die alle grote schrijvers hebben ondernomen om het mysterie te ontrafelen. Maar uiteindelijk stuit je steeds op een grens. Hoe je hem ook benaderd, welke sluiproute je ook neemt, uiteindelijk stuit je altijd weer op een barrière. Je komt niet verder.’

Uw karakters zijn voortdurend op reis door Europa. Maar ze slagen er niet in het verleden van zich af te schudden. Ze denken dat ze alleen dan een nieuw begin kunnen maken. Leven in een andere zone...

‘Sterven om opnieuw te kunnen beginnen.’

Toch lukt het ze niet. Of misschien ook wel. Aan het einde van het boek laat u de lezer in het ongewisse of Besfort en Rovena misschien toch nog leven.

‘Je kunt pas veranderen als je de geschiedenis accepteert. Je persoonlijke, maar ook de geschiedenis van je land, de Albanese geschiedenis. Pas dan kun je verder leven. ’

Onlangs hoorde ik iemand uw werk als magisch realistisch beschrijven. Er werd zelf een vergelijking getrokken met Zuid-Amerikaanse auteurs als Garcia Marquez.
Kadare vertrekt zijn gezicht tot een grimas. Grotere onzin heeft hij nog nooit gehoord.

‘Van die Zuid-Amerikanen wordt altijd gezegd dat zij het magisch-realisme in de literatuur hebben uitgevonden... louter geschiedvervalsing. Lees de vroegste grote werken uit de klassieke literatuur er maar op na. Daar kun je al lezen over paarden die boven de wolken zweven. De kracht van literatuur is dat je je niet aan de werkelijkheid hoeft te houden.’

U bent gevormd door de mythes uit de klassieke oudheid. Zowel de orale als de geschreven klassieke literatuur. De mythes uit de Balkan. En natuurlijk Shakespeare.

‘Ik heb zijn gehele oeuvre meermalen gelezen. De plots van bijvoorbeeld Macbeth en Hamlet zijn nogal mager. De grootsheid van Shakespeare schuilt erin dat hij deze stof op een zeer hoog plan gebracht heeft. Ik heb in mijn leven slechts drie essays geschreven. Een over Aeschylus, een over Dante en onlangs een over Shakespeare. ’

Het komische en tragische gaan in uw werk vaak hand in hand.

‘In alle grote literatuur zijn het tragische en het komische onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het grote voorbeeld is natuurlijk Cervantes’ Don Quichot. De ridder met het droevige gelaat. Hij is een idealist, een utopist. En doet geen enkele concessie. Daarin schuilt zijn tragiek. De oppervlakkige lezer lacht erom. Maar lachen is ook een manier om met het tragische om te gaan.’

De meeste vertalingen van uw boeken zijn gebaseerd op de Franse vertalingen. Er zijn uitzonderingen. Uw Nederlandse vertaler Roel Schuyt heeft speciaal Albanees geleerd om niet langer afhankelijk te zijn van de Franse vertalingen.

‘Dat is hoopgevend. Maar Albanees is een kleine taal. Wordt slechts gesproken door 5 à 6 miljoen mensen. Samen met het Grieks en het Armeens is het Albanees een van de drie solitaire talen van Europa, talen die tot geen enkele familie behoren. Helaas wordt de taal tegenwoordig vooral geassocieerd met de Albanese maffia en de stalinisten die zo lang aan de macht waren. Dat is onterecht.’

Na lezing van uw roman dacht ik: dit is een boek over noodlot. Maar niet op een pessimistisch manier. Nee, eerder op een filosofische manier.

‘Misschien, misschien...’

‘In de oudheid zei men dat de goden aan ons, de mensen, niet de hogere wetenschap en kennis hadden doorgegeven’, lees ik in uw roman. ‘Daarom waren onze ogen, zoals meestal het geval is, op dat moment blind voor wat er werkelijk gebeurde.’ De oplossing van het raadsel ligt in de roman in de achteruitkijkspiegel van de verongelukte auto verscholen. De man en de vrouw die elkaar probeerden te kussen. De spiegel reflecteert de realiteit. Maar als we de gewone realiteit al niet kunnen zien dan zeker de reflectie daarvan niet. Een veelzeggend beeld die spiegel.

‘Die spiegel herinner ik me niet meer.’

Kadare pakt mijn exemplaar van Het ongeluk en bladert naar de laatste pagina. Hij priemt met zijn wijsvinger op de jaartallen onder de tekst: Winter 2003-2004.

‘Ik heb dat boek meer dan zes jaar geleden geschreven. De details ben ik vergeten.’


eerder gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 19 maart 2010

15-03-2010

DE HELE WERELD BEHANGEN

Het eerste wat ik ooit van Wilma Bertheux zag, was een tekening van een hert. Maar misschien was het ook een ree, of een rendier. Het was op de eindexamententoonstelling van de Kunstacademie in Arnhem.
In de verte deed dat hert me denken aan een tekening van Han van Meegeren uit 1923. Een tante van mij had daar een reproductie van aan de muur hangen. En daarnaast had ze nog zo’n hert hangen. Dat had mijn neef dan weer nagetekend van die reproductie.
Van de week heb ik dat hert van Van Meegeren nog eens bekeken.
Één ding kan ik u verzekeren: het hert Van Meegeren heeft helemaal niets te maken met het hert van Bertheux. Van Meegerens hert heeft het uitstekend naar zijn zin binnen de lijst. Het is een beetje een suf hert met een lieve, naar binnen gekeerde blik. Dat was niet het geval met Wilma’s hert. In mijn herinnering was dat nogal een krachtig hert met zeer geprononceerde musculatuur. En uit zijn ogen sprak maar één verlangen: uit de beklemming van de lijst bevrijdt te worden.

Het lijkt wel of het verlangen van dat hert Wilma’s poëtica is geworden.
Haar schilderijen zijn meestal bescheiden van formaat. Maar ze zijn altijd te klein. Ze zijn de weerslag van een voortdurend gevecht tussen de kunstenaar en het spieraam. Verf en doek zijn de wapens. Op een gegeven moment ging ze het doek zelfs plooien. Hoeveel doek kan een spieraam verdragen, denk je dan. Nou, heel wat als je die schilderijen zag.


Maar het beperkte oppervlak van haar schilderijen geeft haar ook een gevoel van geborgenheid.
Als Wilma Bertheux op vakantie gaat, heeft ze altijd een aantal lappen stof in haar koffer. Daarmee zet ze dan het vakantiehuis naar haar hand. Lappen over de stoelen, de banken, de tafel, ja, zelfs over de lampenkappen worden lappen stof gedrapeerd... zodat het licht zich verspreid op een manier die zij bepaald heeft.
Ook schilderen is voor Wilma een manier om de wereld naar haar hand te zetten. Ze wil de wereld mooier maken. Zo simpel is dat. En daarbij geldt geen enkele beperking.
Daarom is het door haar ontworpen behang ook een volkomen logische ontwikkeling. De meeste schilderijen zijn eindig. Waar het schilderij ophoudt, begint de muur. Het behang luistert naar andere wetten. Het is slechts een uitsnede. We zien wat we zien maar dat is maar een fractie. De afbeeldingen die we zien, kunnen tot in het oneindige herhaald worden, suggereren dat ook.
We kunnen het hele gebouw ermee behangen, de hele straat, de stad, het land, de wereld.
Daarmee is vandaag een begin gemaakt.

Uitgesproken bij de opening van de tentoonstelling van Wilma Bertheux in sociëteit De Kring in Amsterdam, 13 maart 2010.

06-03-2010

DE DOOD EN DE SPORT

Nog voordat de Olympische Winterspelen in Vancouver officieel geopend waren, viel er een dodelijk slachtoffer. De Georgiër Nodar Koemaritasjvili vloog tijdens de laatste training voor de Olympische rodelwedstrijden met zijn rodel uit de bocht en botste tegen een stalen paal.
Daar schrikken we van. Maar moet je wanneer je gemiddeld met honderdvijftig kilometer per uur een rodelbaan afraast er eigenlijk geen rekening mee houden dat het wel eens mis kan gaan? Is dat ook niet de kick?

Sport en de dood. Mon Vanden Eynde en Dirk De Witte wijden er in hun studie De sport in de literatuur (1968) een aantal behartigenswaardige passages aan. Vanden Eyne maakte naam als coach van de beroemde atleten Gaston Roelants en André De Hertoghe. De Witte was prozaschrijver en pleegde nog geen twee jaar na publicatie van bovengenoemde studie zelfmoord. Jeroen Brouwers wijdt in zijn zelfmoordboek De laatste deur een lang en aangrijpend essay aan hem.

De Atheense soldaat Philippides liep in 490 voor Christus de 42 kilometer van Marathon naar Athene om er de overwinning van Miltiades op de Perzen te melden. Een prestatie van formaat. Maar nadat hij volkomen buiten adem zijn boodschap had overgebracht, viel hij dood neer. Tijdens de eerste Olympische spelen van 1896 wordt de marathon op het programma gezet als eerbetoon aan deze soldaat.
‘Waarom boeit deze marathon zo?’ vragen Vanden Eynde en De Witte zich af. De mythevorming rond deze discipline is volgens hen zeer doordrongen van de doodsgedachte. De marathon heeft bovendien de grenzen van wat als sport kan beschouwd worden overschreden.

In de twintigste eeuw is sport alomtegenwoordig in het maatschappelijk leven.
Francois Mauriac omschreef de twintigste eeuw als ‘Cet étrange siècle du sport’. En Paul Valéry speet het dat hij tot de generatie behoorde die de sport onderschat had. Ondanks dat komt de sport slechts sporadisch voor in de literatuur.
Zou het zijn omdat sport een massaverschijnsel is? De schrijver houdt zoals bekend mag worden veronderstelt niet zo van massaverschijnselen. Want ‘hij vreest zijn persoonlijkheid, die hij beklemtonen en uitbouwen wil, in de massa te zullen verliezen.’
Bovendien is de letterkundige niet in staat sportbewondering en sportverdwazing te scheiden van sportbeoefening en sporttragedie, klinkt het verwijt.
Dan is er natuurlijk de angst van de schrijver om met zijn eigen fysisch verval te worden geconfronteerd. En met zijn inertie!
Een verklaring voor het feit dat sport in de Nederlandse literatuur in vergelijking met andere literaturen nog minder voorkomt vinden de auteurs in het werk van Herman Gorter, een enthousiast beoefenaar van de bergsport. In de verheven poëzie van de bergen vond Gorter aanschouwelijke symbolen van zijn eigen hoogste gedachtebeelden.
Want: ‘pas wanneer de sportieve daad een hoger plan bereikt, de mens verheft, de sportdaad groots is, tot poëtische inspiratie leidt, is ze de toegang tot het heiligdom der literatuur waardig’.

En als er dan al eens wat sport de literatuur binnensijpelt zijn het vooral de disciplines waarin geweld, spektakel en mythe te vinden zijn. Boksen bijvoorbeeld. In het oeuvre van Ernest Hemmingway wordt regelmatig gebokst. Hugo Claus laat in zijn roman De Hondsdagen trainende boksers opdraven en Armando publiceert in Gard Sivik zijn cyclus Boksers:

Heeft Nelis een glazen kin?

Priem hem precies op z’n strot
Godverdomme geen asem meer


Het stierengevecht, ook zo’n mythische sport. Henri de Montherlant heeft er net als Hemmingway heel wat pagina’s aan gewijd. Ze hadden nog iets gemeen. Beide beroofden zichzelf van het leven. De Montherlant omdat hij zo goed als blind was, Hemmingway omdat hij al jaren leed aan zware depressies. Het zat bij hem in de familie; ook zijn vader, broer, zuster en zijn kleindochter kwamen op deze manier aan hun eind.

De sport in de literatuur is geen onbekommerd, vrolijk sportboek. Het is doordesemt van dood, tragiek en mislukking. En vreemd, want onbewezen, hoor ik hier vooral de stem van Dirk De Witte. Maar misschien kleur ik deze studie teveel in door hem te lezen met zijn latere zelfmoord in mijn achterhoofd. Wil ik er misschien een vooraankondiging in lezen van zijn dood?

De dood is tamelijk definitief. Denk maar aan de beelden van de verongelukte rodelaar Nodar Koemaritasjvili. Je hebt weinig verbeelding nodig om te begrijpen wat daar gebeurd is.
Toen de piste-renner Karel Verbist op 21 juli 1909 door een ongelukkige val tijdens een wedstrijd om het leven kwam zong het volk:

Charelke, Charelke, Charelke Verbist
Had hij niet gereje in de pist
Had hij niet gelegen in de kist...


Maar in dit liedje is allang geen sprake meer van ‘aanschouwelijke symbolen’ van iemands ‘hoogste gedachtebeelden’.




eerder gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 19 februari 2010

05-03-2010

OVER JAPANEZEN, MUIZENVANGERS EN HOEREWAARDINNEN

Toen ik aan het bladeren was in Van Ostayen – Een documentatie van de onvolprezen Gerrit Borgers stuitte ik op iets opmerkelijks.
Jos Léonard, een jeugdvriend van Van Ostayen, heeft zijn herinneringen aan de dichter opgeschreven onder de titel De jongensjaren van Paul van Ostayen.
Van Ostayen was klein van stuk. En daar was hij zich terdege van bewust. Tijdens de Russies-Japanse orlog was hij een overtuigd aanhanger van de Japanners.
Als zijn vriend hem vraagt waarom, antwoord Van Ostayen: ‘De Japanezen zijn maar kleine mannekens zoals ik.’
In diezelfde tijd schreven de twee vrienden onafhankeijk van elkaar theaterstukken. De kleine Paul was bezig met een klucht. De titel was De muizenjacht. De handeling is eenvoudig en allesbehalve vergezocht: een knecht moet muizen vangen van zijn baas.
Als de baas op een gegeven moment aan zijn knecht vraagt: ‘Jan, hoeveel hebt ge er al gepakt’, antwoord de knecht: ‘Als ik die heb waar ik achter zit en nog een, dan heb ik er twee.’

Volgens mij was dit de aanzet tot Van Ostayens eerste groteske.


Nu iets heel anders.
Een huiselijk tafereel. Een gewone doordeweekse dag.

Vaas met de bloem
Ploem ploem
Hé visserke vis
Visserke vis


En dat dan gedeclameerd door een meisje van dertien.
Een boos meisje.
Mijn dochter.
Ze werd gestoord van dat gedicht. Wat een verschrikkelijk rotgedicht. De opdracht was om zelf ook zo’n gedicht te maken.

Ploem ploem
Visserke vis
Daa-ag vis
Dag lieve vis
Dag klein visselijn mijn


De afgelopen vier jaar hebben vier verschillende leerkrachten geprobeerd mijn dochter aan de hand van Mark groet ’s morgens de dingen te overtuigen van het genie van Van Ostayen.
Tevergeefs.
Ik heb nog geprobeerd haar uit te leggen waarom het werkelijk een bijzonder gedicht is, maar veel hielp het niet. Ik was te laat. Ik ben bang dat het nooit meer goed komt tussen mijn dochter en Paul Van Ostayen.
Dat is het gevaar van de literaire canon. Als we maar veel en vaak zeggen dat iets heel bijzonder is dan geloven we het op den duur zelf. Daar hoeven we de betreffende tekst nog geen eens voor te lezen. Napraten volstaat. Wellicht is een canon wel de eerste stap naar fundamentalisme.
En dat is weer heel iets anders dan cultureel snobisme. Want daar is niets op tegen op z’n tijd.
Enfin, waarom laten ze kinderen toch niet zelf ontdekken waarom bepaalde poëzie beter is dan andere? Natuurlijk, dat kost tijd, veel meer tijd. En nog iets veel belangrijkers: bevlogenheid van de lesgever.

Onlangs las ik weer eens een van de grotesken van Van Ostayen. Het Bordeel van Ika Loch. U weet wel. Over die bordeelhoudster die precies denkt te weten wat haar klanten willen. Zij denkt zelf in het onbewuste van haar klanten te kunnen door dringen. Ika Loch als Vlaamse variant van Sigmund Freud.
Hoe verder ik doordrong in deze groteske hoe meer ik moest denken aan de leerkrachten die mijn dochter dat gedicht van Van Ostayen zo hadden tegengemaakt.

Aanvankelijk leggen een aantal van Ika Loch’s klanten de schuld van hun teleurstellend hoerenbezoek bij Ika Loch zelf. Maar al snel geeft de eerste toe– ik citeer – dat hij inderdaad om zijn driftleven niet was georiënteerd en dat Ika loch’s autoritair optreden hare kennis bewees.
Na hem volgt het merendeel van het clientèle.

En Ika Loch vaart daar wel bij.

Zij bleef autoritair, enkel omdat zij nu eenmaal zo was. Met dit gevolg dat het autoritaire optreden ditmaal dadelik als superieur weten werd geschat.

Maar dit gaat helemaal niet meer alleen over deze fictieve hoerenmadam, bedacht ik me, nee, dit gaat ook over die lesgevers. Vooral zou ik haast zeggen.
En het gaat maar door.

Ook was zij erg bijziende, - feitelik wel haar beroep zeer ten schade. De menselike figuur in haar geheel kon haar niet concentries prikkel zijn. Zij was daartoe genoodzaakt de details één na één op te nemen, samen te lezen en zij kon slechts uit deze summering het beeld excentries projekteren.

Of deze:

...de eierstokken werden haar weggenomen. Daaruit volgde nu deze toestand dat zij, hoerewaardin, niet het geringste besef van geslachtsleven had, ja de drift eenvoudig niet kon begrijpen.

Hieruit blijkt natuurlijk in eerste plaats dat het met de medische kennis van Van Ostayen niet zo bijzonder gesteld was. maar als we het figuurlijk opvatten en die eierstokken door iets anders vervangen, is het weer wel van toepassing op die lesgevers waarover ik eerder sprak.

Tot slot nog één citaat van Van Ostayen. Ik heb de vrijheid genomen Ika Loch te vervangen door de lesgever.

Verder zou ik het bijna toch wagen te verklaren dat het wezen van een lesgever slechts indirekt is nabij te komen. Zijn autoriteit daargelaten, treedt hij zo weinig op het voorplan dat... men zou kunnen aannemen hij zou slechts voorstelling zijn, - als lesgever pedagogische waanvoorstelling.

Ik hoop dat al die lesgevers - die zonder te weten waarom - roepen dat Van Ostayen een genie is, dit kleine boekje van uitgeverij Voetnoot lezen. Misschien valt er nog iets te redden.



uitgesproken bij de presentatie van de drie eerste deeltjes van de Belgica-reeks van Uitgeverij Voetnoot op donderdag 4 maart 2010.

18-10-2009

IN GESPREK MET INGO SCHULZE / BERLIJN, 24 AUGUSTUS 2009

De nieuwste roman van de Duitse auteur Ingo Schulze is zojuist vertaald. Adam en Evelyn speelt zich af in de zomer van 1989. Ze begint op 19 augustus van dat jaar. Toen werd in het Hongaarse dorp Sopron op de grens met Oostenrijk een picknick gehouden. De kleine grensovergang zou ter gelegenheid hiervan een paar uur open zijn. 661DDR-burgers staken die dag de grens over naar het vrije Westen. Het eerste gat in het IJzeren Gordijn was een feit.
We spreken elkaar in de woonkamer van het appartement dat Ingo Schulze met zijn echtgenote en twee dochters bewoont in de trendy wijk Prenzlauerberg in het voormalige Oost-Berlijn. De wijk is bijna volledig gerenoveerd. Af en toe staat er wat verweesd nog een grauwe, afgebladderde gevel tussen die herinnert aan de DDR-tijd.

Op negen november wordt gevierd dat het twintig jaar geleden is dat de Muur viel. Valt er iets te vieren?

‘Jazeker. Het is goed dat men dat viert. De Muur heeft ons bijna dertig jaar van de wereld afgesneden. Maar voor mij persoonlijk is 9 oktober 1989 belangrijker. Toen vond de beslissende demonstratie in Leipzig plaats. Tot die datum was de sfeer bij de demonstraties erg macaber en gewelddadig. 9 oktober was een scharniermoment. Vanaf toen vond er nauwelijks meer geweld plaats. Alsof men aan de andere kant plotseling besefte: laat ze maar, de situatie is onomkeerbaar geworden, daartegen kunnen we toch niets meer ondernemen. Het leek of er een wonder was gebeurd. Verbijsterd waren we.
Door 9 oktober te vieren eer je die mensen die de moed hadden toen de straat op te gaan. Natuurlijk heerste er angst onder de demonstranten Maar ondanks dat was de stemming steeds vrolijk.’

En een maand later valt de Muur... Als een overrijpe vrucht die wel moest vallen, heeft u er eerder over gezegd.

‘Op 9 november 1989 ben ik geheel tegen mijn gewoonte in vroeg naar bed gegaan? Pas de volgende ochtend hoorde ik dat de Muur gevallen was. Mijn eerste gedachte was: nu gaat iedereen naar het westen en komt er niemand meer naar de demonstraties die we gepland hadden.’

En nog geen jaar later is er plotseling een verenigd Duitsland.

‘Het was natuurlijk geen vereniging. De voormalige DDR is toegetreden tot de Bondsrepubliek. Daar waren wij als Oost-Duitsers natuurlijk ook verantwoordelijk voor. Ze hebben ons voorgehouden: nu wordt alles beter. Maar als het een echte vereniging was geweest dan had men kunnen discuteren. Het wordt beter maar hoe gaan we dat aanpakken...
De vereniging was natuurlijk ook een gemiste kans voor het Westen. Ze hadden kunnen zeggen: wij zijn de overwinnaars, nu bedreigt niets ons meer. Maar we verdedigen vanaf nu niet alleen de vrijheid maar ook de sociale gerechtigheid. Het een is onlosmakelijk met het andere verbonden. In werkelijkheid heeft men aan het begrip vrijheid een erg beperkte betekenis toegekend. Er is slechts sprake van de vrijheid die je nodig hebt om de markten te veroveren. Het sociale aspect heeft men langzamerhand uit het oog verloren.

Ik liep deze morgen over de Potsdammerplatz en zag al die megalomane hoogbouw van bedrijven als Sony, Mercedes-Benz.

‘Dat gebied is volkomen geprivatiseerd. Je kan dan misschien wel bij de genade van Sony naar een voetbalwedstrijd op een groot scherm kijken maar dat is het dan ook wel. En er zijn een paar goede bioscopen. Verder is er niets ontstaan, men kan er niet leven. De Potsdammerplatz is de belichaming van de treurige gedachte: dat wat zich niet in getallen laat uitdrukken, doet er niet toe, interesseert ons niet. De bedrijven die winst opbrengen worden geprivatiseerd en de bedrijven die met verlies draaien worden genationaliseerd.’

Adam en Evelyn speelt zich grotendeels af in de zomer van 1989. Toen was er nog hoop dat het inderdaad beter zou worden. Adam en Evelyn bekijken het Westen met grote, kinderlijke ogen. Maar, zoals een recensent opmerkte, zonder het Oosten te verklaren. Evelyn heeft bewust voor het Westen gekozen. Adam volgt haar omdat hij haar niet wil verliezen.

‘Adam was geen uitgesproken voorstander van de DDR maar is ook nooit van plan geweest om weg te gaan. Hij had weinig te klagen. Hij was kleermaker en werd geadoreerd door zijn vrouwelijke klanten met wie hij ook het bed deelde. Hij was natuurlijk een tiran; hij bepaalde hoe de kleding van zijn klanten eruit moest zien. Jarenlang heeft hij zich kunnen uitleven en dat is nu voorbij. Adam heeft dat tamelijk snel begrepen. Tegelijkertijd zit het hem dwars dat hij op het moment dat de Muur valt er niet bij is. Tijdens het schrijven ontdekte ik dat zowel Adam als Evelyn zich helemaal niet verheugen over de val van de Muur. Ze realiseren zich dat ze net zo goed thuis hadden kunnen blijven.’

Adam merkt op dat het in het westen alleen maar om meer en meer gaat. Te veel kleren, te veel broeken, te veel chocolade, te veel auto’s.

‘Ja, een soort inflatie van de dingen. Het handwerk, de kwaliteit, men kan het ook luxe noemen, dat gaat allemaal teloor. Het individuele en het bijzondere verdwijnt en dat is niet zo Adams wereld. Misschien komt het nog goed met hem want het is nog maar november, december ’89.
Ik heb Adam natuurlijk opgezadeld met erg veel ervaringen. Een normaal mens had die in zo’n korte periode helemaal niet kunnen meemaken.‘

Het krijgt daardoor bijna iets profetisch.

‘Alles komt in Adam en Evelyn in een versnelling terecht. Maar terug naar huis gaan is ook geen optie meer. Ook daar is het allemaal heel onzeker geworden.’

Als ze na de val van de Muur terugkeren naar hun huis in de voormalige DDR blijkt alles geplunderd te zijn door buurtbewoners.

‘Vergelijk het maar met als je zelf een inbraak hebt meegemaakt. Je zou het liefst alles nieuw willen kopen of willen verhuizen. Op zo’n moment is het een bezoedelde plek geworden. Ze biedt geen beschutting meer.’

De DDR was geen paradijs, maar was alles negatief?

‘Ik heb de laatste tijd veel gediscussieerd over wat men anders had kunnen doen in 1990. Achteraf gezien was het beter geweest de overgangstijd langer te laten duren. Misschien had de situatie in het Oosten zich dan meer gestabiliseerd. Het probleem is dat men over alles wat aan de DDR doet denken nu iets heeft van daarover moeten we niet meer praten, dat is besmet. Heel veel uit die tijd is op de vuilnishoop van de geschiedenis terechtgekomen en dat is uiterst gevaarlijk. Gratis gezondheidszorg is bijvoorbeeld verleden tijd en gratis kinderopvang.
De staat wordt vooral gezien als een ondernemer, weliswaar een slechte, maar toch... Gaat het er dan altijd alleen maar om je aandeelhouders tevreden te houden? Is het niet veel belangrijker iets voor de samenleving te doen? Je kunt zo’n discussie niet uit de weg gaan omdat ze je misschien aan de DDR doet denken.’

Berlijn ziet er momenteel een stuk minder troosteloos uit dan twintig jaar geleden.

‘Dat is ontegenzeglijk zo. Het meeste hier in de buurt is prachtig gerenoveerd. Maar de weinige panden die niet zijn gerenoveerd, huisvesten een de kleuterschool en een bejaardenhuis. Dat is exemplarisch.

In uw boeken spelen auto’s een belangrijke rol. Ze hebben ook allemaal een naam. In Nieuwe levens rijdt Enrico Türmer rond in een Trabant die hij Jimmy noemt. Adam rijdt dan weer in een Wartburg die naar de naam Heinrich luistert.

‘Men was ook erg lang met zo’n auto verbonden. Je reed er minstens 10 jaar in. Op die manier werd het bijna een familielid. In de DDR was een auto was een soort privé paardenkoets.

Adam en Evelyn lijkt mij louter fictie. In die in wijkt de roman af van uw eerdere werk.

‘Volkomen fictie. Ik was in de DDR-tijd zelfs nooit aan het Balatonmeer. Dat was veel te duur. De Hongaarse filmregisseur Péter Bacsó bracht me op het idee een kleermaker en zijn vrouw uit de Oost-Duitse provincie in augustus 1989 naar het Balatonmeer te sturen.’

Ik heb Nieuwe levens en Adam en Evelyn kort na elkaar gelezen. Op het eerste gezicht -hoewel verwant qua thematiek - twee volkomen verschillende boeken. Toch zou ik ze complementair aan elkaar willen noemen?

‘Dat zijn ze ook. Na Nieuwe levens wilde ik hetzelfde thema nog een keer uitwerken. Maar nu zo simpel mogelijk. Bijna als een parabel.’

Bedrieglijk eenvoudig...

‘Inderdaad, bedrieglijk... Maar ergens klinken steeds de donkere tonen van een contra bas.’

Tijdens het lezen moest ik af en toe denken aan de films van Erich Rohmer. Lichtheid met een tragische ondertoon.

‘Ja, met betrekking tot dit boek heb ik de naam Rohmer vaker gehoord. En daar heb ik niets op tegen.’

Even later komt de moeder van Ingo Schulze thuis met zijn twee dochters. Hij vraagt of ik zijn werkkamer wil zien We verlaten het appartement en gaan met de trap naar het er boven gelegen appartement. Een klein modern ingericht werkvertrek. Aan de wand boven zijn werktafel hangen grote kleurige drukken van de typograaf Joshua Reichert. Reichert heeft ook het omslag van Eine, zwei, noch eine Geschichte/n ontworpen. In deze bundel zijn drie verhalen verzameld van Imre Kertész, Péter Esterházy en Schulze. Esterházy reageert op het verhaal van Kertész en Schulze op zijn beurt op dat van Esterházy.
Schulze staart peinzend naar buiten. Dan wijst hij naar de huizenrij aan de overkant van de straat.

‘Het ontbreekt hier net aan de bekende Berlijnse meter. Een meter hoger en ik zou over de huizen aan de overkant heen kunnen kijken als ik werk.’

Maar Adam en Evelyn is voor het grootste deel tijdens uw verblijf in de Villa Massimo in Rome ontstaan.

‘Ja, ik had in de zomer van 2007 tijdens een partijtje voetbal mijn achillespees gescheurd. Ik werd geopereerd en zat in het gips. Ik kon geen kant uit. Om niet melancholisch te worden, heb ik mezelf verplicht iedere dag duizend woorden te schrijven. Iedere dag een kort hoofdstuk. De luxe was als ik ’s avonds wist wat ik de volgende dag moest schrijven. Vaak dacht ik ook: vandaag lukt het je niet. Natuurlijk heeft met meer tijd gekost om het later te herschrijven maar ik had na drie weken toch tweederde van het boek. Echt opgelucht was ik toen ik het slotbeeld had. Ik heb steeds geweten hoe de roman moest eindigen maar het ontbrak me nog aan een slotbeeld. Vanaf dat moment was het heerlijk om verder aan het boek te werken.’

eerder gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 02-10-2009