26-05-2010

NU OOK DE 2E IMPRESSIE UIT DUBROVNIK ONLINE BIJ HET BESCHRIJF!



Het universiteitsgebouw waar ik de komende maand verblijf, bevindt zich op een heuvel met uitzicht op de oude stad.

Het is na vieren. De administratie is gesloten. In de hal is een vrouw in een soort roze pyjama de vloer aan het dweilen. Achtereenvolgens leg ik haar in het Engels, Duits en Frans uit dat ik de schrijver uit België ben die hier de eerstkomende maand komt werken....

LEES VERDER OP DE SITE VAN HET BESCHRIJF:

http://beschrijf.blogspot.com/2010/05/willem-van-zadelhoff-bericht-uit_26.html

08-05-2010

VLIEGEN IS HET LEVEN WAARD


Er wordt weer gevlogen. Dat het vliegverkeer boven Europa dagenlang was lamgelegd door een ‘vulkaanwolk’ lijken de meesten al weer vergeten te zijn.
20 april moest ik naar Berlijn. Vliegen ging dus niet. De trein dan maar. Dat duurt langer maar is veel geriefelijker. De ICE naar Keulen was station Brussel-Noord nog niet uit of hij stopte al weer.
Vanwege een persoonlijk ongeval, werd er omgeroepen. Nou, dan weet je voldoende. Een uur later konden we onze reis voortzetten.
Toen ik een week later terugreisde, vloog alles weer. Maar toen ik wilde inchecken, bleek ik niet op de passagierslijst te staan. Had het misschien te maken met dat ik geen gebruik had gemaakt van mijn ticket op de heenreis? Inderdaad. Als je met zo’n goedkoop ticket reist en geen gebruik maakt van de heenreis vervalt het hele ticket.
Maar het ging niet, betoogde ik. Er waren geen vliegtuigen. Het meisje achter de incheckbalie keek me niet-begrijpend aan. Uiteindelijk begon er iets bij haar te dagen.
Langzaam boog ze zich naar mij over en – bijna fluisterend – zei ze: ‘Was het misschien vanwege de vulkaanwolk? Toen ik instemmend knikte, voelde ik me opeens heel erg oud. Kom pappie, vertel nog eens over de vulkaanwolk...
In de vliegwereld is een kort geheugen belangrijk. Ik heb wel eens gehoord dat als er ergens een straaljager neerstort, de andere piloten binnen een paar uur de lucht in moeten. Anders zouden ze maar gaan piekeren over de gevaren van het vliegen en dat kan verlammend werken.
De vliegwereld heeft een volkomen andere opvatting over gevaar. Toen de overheden het vliegverbod afkondigden, vonden de meeste piloten dat maar flauwekul. Er waren een paar testvluchten gemaakt en er was niets gebeurd. Volgens hen was het luchtruim dus veilig. Staatssecretaris van verkeer Etienne Schouppe sprak dat tegen. Dat er tijdens die proefvluchten niets gebeurd was, betekende geenszins dat het niet gevaarlijk was.
In Berlijn logeerde ik in Pension Funk in de Fasanenstraße. Het pension beslaat een verdieping van een appartementsgebouw uit de Grunderzeit. In de jaren dertig van de vorige eeuw was het rechtergedeelte de woning van Asta Nielsen. "Die Asta" was een Deense die furore maakte als actrice in Duitse stomme films. Het linkerappartement behoorde toe aan de bekende jachtvlieger Ernst Udet. Of ik die kende, vroeg de receptionist?
Nu, kennen was teveel gezegd. Een paar dagen eerder had ik bij zijn graf op het Invalidenfriedhof gestaan. Ik was daar omdat ik een ander graf wilde bezoeken, dat van de pilote Marga von Etzdorf, de hoofdpersoon van de roman Halfschaduw van Uwe Timm. De roman speelt zich bovendien op dat kerkhof af. Het Invalidenfriedhof is een soldatenkerkhof, opgericht door Frederik de Grote. Hier ligt de Duitse en Pruisische geschiedenis begraven, in elk geval de militaire. Verspreid in het gras liggen de resten van de graven van Pruisische en Duitse generaals, admiraals, kolonels en nazikopstukken. En vliegeniers dus. Ten tijde van de Koude Oorlog lag het kerkhof in de zogenaamde Todesstreifen, het levensgevaarlijke gebied langs de Berlijnse Muur.
Het graf van von Etzdorf bestaat uit een brok graniet met de tekst: Der Flug ist das Leben wert. Vliegen is het leven waard.
Na een mislukte landing in Syrië pleegt ze op 28 mei 1933 zelfmoord. Uit schaamte wordt gesuggereerd. Of was er meer aan de hand? Aangezien ze zelf geen geld had voor een nieuw vliegtuig had ze een duivelspact met de nazi’s gesloten. Rijksmaarschalk Göring stelde haar een nieuw vliegtuig ter beschikking. Maar dan moest ze wel wapens smokkelen naar Syrië. Dat druiste tegen haar overtuigingen in, maar een nieuw vliegtuig... Vliegen is het leven waard, nietwaar?
Ernst Udet is ook door zelfmoord aan zijn einde gekomen. Deze playboy-piloot en luchtacrobaat had het tot Generaloberst van de Luftwaffe gebracht. Udet, die geen overtuigd nazi was, verzocht in 1941 van zijn functie ontheven te worden. Göring weigerde. Hij was bang dat het ontslag het moreel van de troepen zou ondermijnen. Udet trok zijn conclusie. Hij ging naar zijn woning in de Fasanenstraße en schoot zich – ‘verbitterd over zijn bruine spitsbroeders’ - een kogel door het hoofd.
Rare jongens die vliegers. En hoe zit het trouwens met de piloten die het gevaar van de vulkaanwolk bagatelliseerden? Natuurlijk, vliegen is het leven waard... Of zat er ook druk van de luchtvaartsector achter. En stel dat er werkelijk een ongeluk gebeurd was?
Was vliegen dan werkelijk het leven waard geweest?
‘Ik denk eerder van niet,’ lezen we bij Uwe Timm.

eerder gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 7 mei 2010

12-04-2010

DE VERTALER HEEFT HET GEDAAN

Dichter Hanz Mirck heeft de dichtbundel Regio en ring van de Ierse Nobelprijswinnaar Seamus Heaney vertaald en dat heeft hij niet goed gedaan. Arjan Peters (De Volkskrant), Guus Middag (NRC) en nog een aantal critici zijn het daar unaniem over eens. Hij schijnt het zelfs zo verschrikkelijk gedaan te hebben dat Uitgeverij Meulenhoff besloten heeft de bundel uit de handel te nemen.
Vanwege de kritiek op de vertaling? ‘Nee, hoor’, zegt PR-medewerkster Marianna Sterk van Meulenhoff in de Volkskrant. Het besluit was al genomen. 'Het was te pijnlijk voor ons. We hebben een naam op te houden als uitgever van een van de grootste Europese dichters. En hoe erg het ook is voor de vertaler Hanz Mirck, we kunnen niet met hem doorgaan.'
Dat vind ik erg vreemd. Een vertaler vertaalt een bundel gedichten. Ik ga ervan uit dat iemand van Meulenhoff hem daar om gevraagd heeft. Hij levert die vertaling in en zonder dat iemand van de uitgeverij er naar kijkt, wordt de tekst naar de drukker gebracht. Of heeft er wel iemand van de uitgeverij naar gekeken maar was die persoon niet competent genoeg om te zien dat het een ellendige vertaling betrof? Want één ding heb ik uit alle kritieken begrepen: zelfs als Regio en ring een oorspronkelijke Nederlandse tekst zou zijn geweest, was het een tekst vol fouten en slordigheden geweest.
Nu is Hanz Mirck de grote boosdoener. Maar ik ben zo benieuwd naar degenen die “onafhankelijk” van al die slechte kritieken alsnog besloten hebben Regio en ring uit de handel te nemen. Zijn dat dezelfden die eerder zonder problemen de vertaling naar de drukker hebben laten sturen? Waarom heeft niemand van Meulenhoff Hanz Mirck tegen zichzelf in bescherming genomen?
Het ergst is het natuurlijk voor Seamus Heaney zelf. Als ik hem was, zou ik maar eens naar een andere uitgever uitkijken. Een uitgever met een eindredacteur. Want uiteindelijk is het de uitgever die de eindverantwoordelijkheid draagt. Het past niet die af te schuiven op de vertaler.

20-03-2010

DE JORDAAN IN POTSDAM


















Maar waar is Willy Alberti?

BLIND VOOR WAT ER WERKELIJK GEBEURDE

Ismail Kadare (1936) was in Brussel. De internationaal gelauwerde Albanese schrijver - in 2005 won hij de eerste Man Booker International Prize en in 2009 de prestigieuze Spaanse Prins van Asturiëprijs - kwam de Nederlandse vertaling van zijn roman Het Ongeluk promoten.
Vier potige mannen in donkerblauwe kostuums fladderden steeds om hem heen. Het zijn afgevaardigden van een culturele, Albanese vereniging en willen geen woord missen van wat hun grote schrijver zegt.
Het ongeluk is een ongrijpbaar boek. Het eerste deel is opgezet als een detective. Op de snelweg tussen Tirana, de hoofdstad van Albanië, en vliegveld Rinas is bij kilometerpaal 17,0 een taxi verongelukt. De passagiers zijn op slag dood, de chauffeur wordt in coma afgevoerd. De slachtoffers zijn Besford Y., een politiek analist en Rovena St., die stage loopt bij een archeologisch instituut in Wenen. Waarschijnlijk vormen zij een liefdespaar. Over de omstandigheden waarin het ongeluk gebeurd is, tast de politie in het duister. Als de chauffeur na een week uit zijn coma ontwaakt, kan hij de politie niet meer vertellen dan wat hij in de achteruitkijkspiegel gezien heeft: ‘de man en de vrouw probeerden elkaar te kussen’. De politie kan er weinig mee en deelt het ongeval in bij de categorie atypische ongevallen. Maar nadat de geheime diensten van twee andere Balkanlanden interesse hebben getoond in het ongeval, verdiept de Albanese geheime dienst zich er ook in. Wederom zonder resultaat. Een onderzoeker die verder anoniem blijft, gaat door met het onderzoek. Uit een enorme stapel hotelbonnen, treinkaartjes, vliegtuigtickets, notities en andere papieren probeert hij zich een voorstelling te maken van het leven van Besford en Rovena in de laatste veertig weken voorafgaand aan het dodelijke ongeluk. Dit vormt het tweede deel van de roman. Het leest als een tragisch liefdesverhaal. Het derde en laatste deel van de roman – waarin de onderzoeker weigert de laatste week van Besford en Rovena te reconstrueren - heeft weer de vorm van een detective.

Kadare: ‘Inderdaad. Er is helemaal niets mis met detectives. Meestal wordt het gebruikt om slechte literatuur mee te benoemen. Onzin! De meeste grote werken uit de wereldliteratuur zijn detectives. In Hamlet van Shakespeare probeert Hamlet de moord op zijn vader op te lossen. Maar ook De broers Karamasov van Dostojevski is een detective. Om maar niet te spreken van Misdaad en straf.’

Soms moest ik aan het werk van de Siciliaanse auteur Leonardo Sciasca denken toen ik uw boek las.

‘Dat is een van die grote schrijvers. En inderdaad, hij schreef alleen detectives.’

Een overeenkomst tussen al die romans is dat de oplossing van het misdrijf veel minder belangrijk lijkt dan de manier waarop dat gebeurd.

‘Dat geldt ook voor Het ongeluk. Het gaat om de pogingen die alle grote schrijvers hebben ondernomen om het mysterie te ontrafelen. Maar uiteindelijk stuit je steeds op een grens. Hoe je hem ook benaderd, welke sluiproute je ook neemt, uiteindelijk stuit je altijd weer op een barrière. Je komt niet verder.’

Uw karakters zijn voortdurend op reis door Europa. Maar ze slagen er niet in het verleden van zich af te schudden. Ze denken dat ze alleen dan een nieuw begin kunnen maken. Leven in een andere zone...

‘Sterven om opnieuw te kunnen beginnen.’

Toch lukt het ze niet. Of misschien ook wel. Aan het einde van het boek laat u de lezer in het ongewisse of Besfort en Rovena misschien toch nog leven.

‘Je kunt pas veranderen als je de geschiedenis accepteert. Je persoonlijke, maar ook de geschiedenis van je land, de Albanese geschiedenis. Pas dan kun je verder leven. ’

Onlangs hoorde ik iemand uw werk als magisch realistisch beschrijven. Er werd zelf een vergelijking getrokken met Zuid-Amerikaanse auteurs als Garcia Marquez.
Kadare vertrekt zijn gezicht tot een grimas. Grotere onzin heeft hij nog nooit gehoord.

‘Van die Zuid-Amerikanen wordt altijd gezegd dat zij het magisch-realisme in de literatuur hebben uitgevonden... louter geschiedvervalsing. Lees de vroegste grote werken uit de klassieke literatuur er maar op na. Daar kun je al lezen over paarden die boven de wolken zweven. De kracht van literatuur is dat je je niet aan de werkelijkheid hoeft te houden.’

U bent gevormd door de mythes uit de klassieke oudheid. Zowel de orale als de geschreven klassieke literatuur. De mythes uit de Balkan. En natuurlijk Shakespeare.

‘Ik heb zijn gehele oeuvre meermalen gelezen. De plots van bijvoorbeeld Macbeth en Hamlet zijn nogal mager. De grootsheid van Shakespeare schuilt erin dat hij deze stof op een zeer hoog plan gebracht heeft. Ik heb in mijn leven slechts drie essays geschreven. Een over Aeschylus, een over Dante en onlangs een over Shakespeare. ’

Het komische en tragische gaan in uw werk vaak hand in hand.

‘In alle grote literatuur zijn het tragische en het komische onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het grote voorbeeld is natuurlijk Cervantes’ Don Quichot. De ridder met het droevige gelaat. Hij is een idealist, een utopist. En doet geen enkele concessie. Daarin schuilt zijn tragiek. De oppervlakkige lezer lacht erom. Maar lachen is ook een manier om met het tragische om te gaan.’

De meeste vertalingen van uw boeken zijn gebaseerd op de Franse vertalingen. Er zijn uitzonderingen. Uw Nederlandse vertaler Roel Schuyt heeft speciaal Albanees geleerd om niet langer afhankelijk te zijn van de Franse vertalingen.

‘Dat is hoopgevend. Maar Albanees is een kleine taal. Wordt slechts gesproken door 5 à 6 miljoen mensen. Samen met het Grieks en het Armeens is het Albanees een van de drie solitaire talen van Europa, talen die tot geen enkele familie behoren. Helaas wordt de taal tegenwoordig vooral geassocieerd met de Albanese maffia en de stalinisten die zo lang aan de macht waren. Dat is onterecht.’

Na lezing van uw roman dacht ik: dit is een boek over noodlot. Maar niet op een pessimistisch manier. Nee, eerder op een filosofische manier.

‘Misschien, misschien...’

‘In de oudheid zei men dat de goden aan ons, de mensen, niet de hogere wetenschap en kennis hadden doorgegeven’, lees ik in uw roman. ‘Daarom waren onze ogen, zoals meestal het geval is, op dat moment blind voor wat er werkelijk gebeurde.’ De oplossing van het raadsel ligt in de roman in de achteruitkijkspiegel van de verongelukte auto verscholen. De man en de vrouw die elkaar probeerden te kussen. De spiegel reflecteert de realiteit. Maar als we de gewone realiteit al niet kunnen zien dan zeker de reflectie daarvan niet. Een veelzeggend beeld die spiegel.

‘Die spiegel herinner ik me niet meer.’

Kadare pakt mijn exemplaar van Het ongeluk en bladert naar de laatste pagina. Hij priemt met zijn wijsvinger op de jaartallen onder de tekst: Winter 2003-2004.

‘Ik heb dat boek meer dan zes jaar geleden geschreven. De details ben ik vergeten.’


eerder gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 19 maart 2010

15-03-2010

DE HELE WERELD BEHANGEN

Het eerste wat ik ooit van Wilma Bertheux zag, was een tekening van een hert. Maar misschien was het ook een ree, of een rendier. Het was op de eindexamententoonstelling van de Kunstacademie in Arnhem.
In de verte deed dat hert me denken aan een tekening van Han van Meegeren uit 1923. Een tante van mij had daar een reproductie van aan de muur hangen. En daarnaast had ze nog zo’n hert hangen. Dat had mijn neef dan weer nagetekend van die reproductie.
Van de week heb ik dat hert van Van Meegeren nog eens bekeken.
Één ding kan ik u verzekeren: het hert Van Meegeren heeft helemaal niets te maken met het hert van Bertheux. Van Meegerens hert heeft het uitstekend naar zijn zin binnen de lijst. Het is een beetje een suf hert met een lieve, naar binnen gekeerde blik. Dat was niet het geval met Wilma’s hert. In mijn herinnering was dat nogal een krachtig hert met zeer geprononceerde musculatuur. En uit zijn ogen sprak maar één verlangen: uit de beklemming van de lijst bevrijdt te worden.

Het lijkt wel of het verlangen van dat hert Wilma’s poëtica is geworden.
Haar schilderijen zijn meestal bescheiden van formaat. Maar ze zijn altijd te klein. Ze zijn de weerslag van een voortdurend gevecht tussen de kunstenaar en het spieraam. Verf en doek zijn de wapens. Op een gegeven moment ging ze het doek zelfs plooien. Hoeveel doek kan een spieraam verdragen, denk je dan. Nou, heel wat als je die schilderijen zag.


Maar het beperkte oppervlak van haar schilderijen geeft haar ook een gevoel van geborgenheid.
Als Wilma Bertheux op vakantie gaat, heeft ze altijd een aantal lappen stof in haar koffer. Daarmee zet ze dan het vakantiehuis naar haar hand. Lappen over de stoelen, de banken, de tafel, ja, zelfs over de lampenkappen worden lappen stof gedrapeerd... zodat het licht zich verspreid op een manier die zij bepaald heeft.
Ook schilderen is voor Wilma een manier om de wereld naar haar hand te zetten. Ze wil de wereld mooier maken. Zo simpel is dat. En daarbij geldt geen enkele beperking.
Daarom is het door haar ontworpen behang ook een volkomen logische ontwikkeling. De meeste schilderijen zijn eindig. Waar het schilderij ophoudt, begint de muur. Het behang luistert naar andere wetten. Het is slechts een uitsnede. We zien wat we zien maar dat is maar een fractie. De afbeeldingen die we zien, kunnen tot in het oneindige herhaald worden, suggereren dat ook.
We kunnen het hele gebouw ermee behangen, de hele straat, de stad, het land, de wereld.
Daarmee is vandaag een begin gemaakt.

Uitgesproken bij de opening van de tentoonstelling van Wilma Bertheux in sociëteit De Kring in Amsterdam, 13 maart 2010.