Een jaar of zestien, zeventien was ik toen ik het voor het eerst las: Het boek Ik van Bert Schierbeek. Het was uitgegeven in de reeks Darboeken van de Bezige Bij. Op de voorzijde een lachende Bert Schierbeek en op het achterplat een advertentie van Balafre, een herenluchtje van Lancôme. Balafre typeert de man, imponeert de vrouw. Dat soort dingen waren opzienbarend in 1969. Nu ondenkbaar: een advertentie voor een commercieel product op het achterplat van een experimentele roman. Onlangs heb ik het voor 2 € antiquarisch weer kunnen kopen. Precies dezelfde uitgave als toen. Ik moet het destijds helemaal hebben gelezen. Dat bleek toen ik er in begon te bladeren. Het maakte niet uit waar ik het opensloeg, overal herkende ik zinnen of delen van zinnen. '..., want de tijden waren vol geworden en de enkele goden die nog restten bouwden hun onderkomens in kelders. het grote splijten is begonnen en de splitsomachie zet zich in ons voort en reeds jaren zijn de beddingen te nauw...' Reve noemde het woordkakkerij, maar W.F. Hermans was er wel van onder de indruk. En dat laatste gebeurde niet zo vaak. Misschien is de lectuur van dit boek wel van invloed geweest op De God Denkbaar - Denkbaar de God en Het Evangelie van O. Dapper Dapper. Ik bedoel dat hij door Schierbeeks boek in staat was, durfde, die twee boeken te schrijven. Het boek Ik liet mij zien dat de mogelijkheden van literatuur als het moet onbegrensd zijn. Het past daarom in het rijtje waarin ook Voer voor Psychologen van Mulisch figureert. Ik denk niet dat ik het nog eens in zijn geheel zal lezen. Af en toe zal ik het openslaan en er even aan ruiken. Er zit overigens nog een etiketje achterop en daarom weet ik dat het boek voor drie gulden vijftig is gekocht bij, geloof het of niet, V & D.
05-01-2016
28-12-2015
OVER BOEKVERBRANDINGEN (tekst Nottebohmlezing 2014)
inleiding
Zijn boeken heilig? Je zou kunnen zeggen dat ze kwetsbaar
zijn. Papier is kwetsbaar.
In zijn boek Boekenpest
merkt Boudewijn Büch in de inleiding op dat hij liever een zeehondje dan een
boek zou zijn. Want: wie het boek, het bibliotheekwezen, de bibliofilie en de
boekenwereld diepgaand beschouwt, zal moeten toegeven dat mensen meestal
voorzichtiger met een gestrand beestje omgaan dan met een boek.
Hij voegt daar nog aan toe dat de twintigste eeuw de
meest vijandige is geweest uit het halve millennium dat het gedrukte boek in
Europa bestaat.
Dan denk je natuurlijk gelijk aan de grootschalige
boekenvernietiging die door nazi-Duitsland in gang is gezet. Maar Büch betrekt
daarbij ook de tapijtbombardementen van de geallieerde strijdkrachten waarbij bijna
het gehele boekenbestand van de Duitse bibliotheken werd vernietigd. En dan
zijn er natuurlijk nog boekenwurmen, boekentorren en zwammen en schimmels in
oude boeken. En last but not least
boeken die op zuurhoudend papier zijn gedrukt en op den duur zelfvernietigend
zijn.
Ik wil me vandaag beperken tot de vernietiging van boeken
op ideologische gronden. De boekverbrandingen
in nazi-Duitsland zijn in alle opzichten een ijkpunt. Iedereen die het na die
datum nog in zijn hoofd haalde boeken te verbranden of zijn voornemen daartoe
kenbaar te maken, kon rekenen op ten minste een vergelijking met Joseph
Goebels, de propaganda minister van nazi-Duitsland. Was dat terecht? Is het
inderdaad zo schandalig een boek dat je niet bevalt te verbranden? We gooien
toch ook dagelijks boeken in de papierbak?
In zijn roman Al te
luide eenzaamheid beschrijft de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal het
leven van een man die voor zijn beroep oud papier en boeken plet:
Vijfendertig jaar lang zit in het oud
papier en dat is mijn love story. Vijfendertigjaar lang plet ik oud papier en
boeken, vijfendertig jaar lang maak ik mijn handen aan de letteren vuil, zodat
ik op de encyclopedieën lijk waarvan ik in die tijd zeker dertig kuub
geplet heb, ik ben de sprookjeskan vol water dat leven schenkt en dood, je
hoeft me maar een beetje scheef te houden of er stromen de mooiste gedachten
uit…
Even later verzucht hij:
… ik weet hoeveel mooier het nog in
tijden zijn geweest toen al het denkwerk enkel en alleen in het menselijk
geheugen was vastgelegd en je mensenhoofden moest pletten als iemand boeken
wilde vernietigen, maar ook dat zou zinloos zijn, want de ware gedachten komen
van elders, die zweven buiten je, zoals vermicelli in een soeppan drijft, zodat
alle Koniassen in de wereld vergeefs boeken verbranden, en als die boeken iets
zinvols te melden hadden, dan kon je ze op de brandstapels in hun vuistje horen
lachen, want een degelijk boek verwijst altijd ergens anders heen en naar
buiten.
Dat is een troostrijke gedacht in het kader van deze
lezing. Tegelijk zet ze ons misschien op het spoor van het hoe en waarom van al
die boekverbrandingen uit de geschiedenis van de mensheid.
Nogmaals: zijn boeken heilig? Nee, ik denk dat daar het
misverstand begint dat uiteindelijk tot het verbieden en verbranden van boeken
leidt. Boeken zijn dragers van ideeën en geen enkel idee is heilig. Dat is,
denk ik, de kern van onze westerse beschaving. Een beschaving die de vrijheid
van meningsuiting hoog in haar vaandel voert. Nou ja, soms alleen als het haar
zo uitkomt.
Met het verbranden van boeken schaarde nazi-Duitsland
zich in een lange traditie die tot op de dag van vandaag voortduurt. Laten we
eens wat gaan grasduinen in het verleden.
Om te beginnen kan men de boekverbrandingen opdelen in
soorten.
Laat ik beginnen met een van de meest voorkomende soorten:
schrijvers of dichters die hun eigen werk aan de vlammen prijsgeven.
Toen de Russisch-Amerikaanse schrijver Vladimir Nabokov
overleed, werd in zijn nalatenschap een aanzet tot een nieuw boek gevonden: The original of Laura. Een reeks
systeemkaarten. Op de laatste systeemkaart stond geschreven:
uitwissen
weghalen
verwijderen
tenietdoen
wegvagen
vernietigen
uitvlakken
De nabestaanden hebben zijn dwingende verzoek naast zich
neergelegd en het onvoltooide manuscript meer dan dertig jaar na zijn dood
alsnog laten uitgeven.
Bijna was trouwens zijn controversiële roman Lolita ook niet verschenen. Geen enkele gerenommeerde
uitgever durfde het midden jaren vijftig aan, dit boek - dat de relatie
beschrijft tussen oudere man en een twaalfjarig meisje - te publiceren.
Hierdoor ontmoedigd besloot Nabokov het manuscript van z’n boek te verbranden.
We hebben het aan zijn vrouw Véra te danken dat hij hier uiteindelijk van
afzag. Uiteindelijk verscheen het in 1955 vol drukfouten bij de obscure Parijse
uitgever Olympia Press.
De Romeinse dichter Vergilius liet in zijn testament
vastleggen dat na zijn dood het manuscript van zijn Aneis verbrand moest worden. Naar het waarom wordt al honderden
jaren gegist. Sommigen beweren dat het was vanwege de onvoltooide toestand van
de tekst. Weer anderen beweerden dat de dichter had ingezien dat zijn epos
nogal langdradig was.
De Hongaars-Duitse schrijver ÖdönVon Horvath riep vier
jaar na verschijnen alle nog beschikbare exemplaren van zijn debuut Buch der Tänze uit de winkels terug om
ze vervolgens in het vuur te gooien.
En een van de grootste schrijvers van de vorige eeuw Franz
Kafka verbood in zijn testament de publicatie van al zijn teksten. Na zijn dood
vond men in de laden van zijn schrijftafel een aan zijn vriend Max Brod gericht
verzoek :
Alles wat hij in Kafka’s nalatenschap zou aantreffen…
dagboeken, manuscripten, brieven moest hij restlos
und ungelesen -volledig en ongelezen - verbranden.
Van Kafka was al bekend dat hij reeds tijdens zijn leven
alle in zijn ogen niet geslaagde manuscripten had verbrand.
Dat Max Brod zich niet aan het verzoek van zijn vriend
heeft gehouden, mag als bekend worden verondersteld.
Het lijkt een constante te zijn als het literaire
nalatenschappen betreft. De verzoeken van overleden auteurs lijken bij voorkeur
niet te worden gerespecteerd. Waarom deinst men terug bij dit soort rigoureuze
verzoeken? Ik kan maar één antwoord bedenken: respect voor het geschreven
woord. Natuurlijk zijn er ook voorbeelden te bedenken van nabestaanden die uit
een nalatenschap een slaatje wilden slaan maar dat terzijde.
Respect en het besef dat manuscripten verbranden in
beginsel een nogal barbaarse daad is.
En waarschijnlijk ook de twijfel aan de oprechte
bedoelingen van de overledene. Als Kafka werkelijk had gewild dat alles
verbrand werd, waarom heeft hij dat dan niet zelf gedaan? Hij is niet
onverwacht overleden, hij wist dat de dood hem op de hielen zat.
Ik denk nu ook aan een citaat van Horatius:
Alleen datgene, dat nog niet in de
openbaarheid raakte, kan vernietigd worden. De eenmaal uitgezonden stem kan
nooit meer terugkeren….
Waar begint de openbaarheid? Waar ligt die grens? Op het
moment dat de schrijver zijn woorden aan het papier toevertrouwd… is er op dat
moment al geen weg meer terug? De praktijk laat zien dat dit in de meeste
gevallen zo is. En zo lijken de meeste nabestaanden ook te redeneren als ze
worden geconfronteerd met een verzoek om vernietiging. Misschien speelt er ook
angst mee om als barbaar versleten te worden en is deze angst sterker dan de
behoefte de laatste wens van de overledene te respecteren.
Maar toch vooral misschien het besef dat het er nu toch
al is, dat je de geschiedenis nu eenmaal niet kunt terugdraaien.
Tot aan zijn pensioen was de Vlaamse auteur Johan Daisne
hoofdbibliothecaris van de
stadsbibliotheek te Gent. In een aan hem gewijde necrologie beschrijft Jeroen
Brouwers zijn werkkamer.
‘Achter hem stond een kast waarvan
alleen hij de sleutel bezat, - die kast was ‘de hel’ . er stonden boeken in die
de hoofdbibliothecaris niet zonder meer
wenste uit te lenen, aangezien het vieze boeken waren. Cremer vond hij vies en Geeraerts vond hij
ook vies. De vijftigers vond hij zwendelaars en Harry Mulisch een ‘onzindelijk
heerschap’.
Zo veel macht hadden bibliothecarissen nog in de jaren
zestig van de vorige eeuw. Gelukkig verbrandde hij geen boeken maar toch…
Van 1559 tot 1966 bestond er lijst van boeken die een
katholiek niet mocht lezen, de zogenaamde Index.
Ze ontstond naar aanleiding van de reformatie en de opkomst van de
boekdrukkunst. Een noodgreep om de zuiverheid van de katholieke leer te
bewaken.
In het begin telde de lijst vooral theologische en
filosofische werken. Na verloop van tijd kwamen ook veel literaire boeken op de
index te staan. In 1948 kreeg de Index voor het laatst een update. Toen werden
in totaal vierduizend titels afgekeurd. Natuurlijk mocht niemand boeken van
Galileï of Copernicus lezen. Maar ook boeken van schrijvers als Gustave
Flaubert, Emile Zola, Jonathan Swift en Victor Hugo waren verboden.
De lijsten werden opgesteld door het Heilig Officie, de voorloper van de huidige Congregatie voor de Geloofsleer.
De grondigheid waarmee dit gebeurde had overeenkomsten
met de manier waarop nazi-Duitsland het aanpakte.
Als het om boekverbrandingen ging, had de katholieke kerk
ook een flinke reputatie hoog te houden.
In de bekende roman Don
Quichotte van Cervantes wordt uitgebreid beschreven hoe zijn nicht en de
pastoor zijn bibliotheek proberen te zuiveren van ongezonde boeken. Want die
zijn volgens hen de oorzaak van zijn waanideeën. Het lezen van slechte
ridderromans heeft zijn geest zodanig verduisterd dat er niets anders opzit dan
zijn gehele bibliotheek te verbranden.
Cervantes persifleerde hier natuurlijk de gangbare
praktijk van boekverbrandingen ten tijde van de Inquisitie. Die overigens later
ook zijn boek verbood.
Hoe ging dat …. Als de overheid besloten had een boek te
verbieden en te verbranden dan werd er met tromgeroffel een executiebevel op
een openbare plek uitgevaardigd. Een plakkaat met het besluit werd opgehangen
aan alle kerkdeuren in het land. Vervolgens werd het geïncrimineerde object aan
de beul overhandigd die het plechtig overbracht naar het executieterrein. Bij grotere
hoeveelheden werd gebruik gemaakt van een muilezel die bedekt was met een rode
doek die met vlammen beschilderd was. Ook de boekenkist die het beest droeg was
met die vlammen beschilderd. De stoet werd begeleid door pauken en trompetten.
De plaatsen waar het gebeurde lagen meestal in het centrum van de stad. In
Wenen was het bijvoorbeeld de Neumarkt, in London het plein voor de beurs en in
Brussel de Grote Markt. Deze boekverbrandingen vonden overigens niet plaats bij
zonsopgang maar later in de ochtend als er zoveel mogelijk volk op de been was.
Cervantes is niet de enige fictieschrijver geweest die
uitgebreid een boekverbranding beschreef.
Een andere minstens zo indrukwekkende scene treffen we
aan in de roman Het martyrium van
Elias Canetti uit 1935. Hoofdpersoon is de sinoloog doctor Kien. Een man die
niet zonder boeken kan leven, sterker, een man die als het er op aankomt boeken
belangrijker vind dan mensen. De beste
definitie van het begrip vaderland is bibliotheek, kunnen we in dit boek
lezen. En als de hoofdpersoon op een formulier van zijn bank zijn beroep moet
vermelden, vult hij in bibliotheekeigenaar. Zijn liefde voor boeken is zo groot
dat hij uiteindelijk met zijn huishoudster trouwt om de toekomst van zijn bibliotheek
veilig te stellen. Maar alles loopt natuurlijk anders dan verwacht. Zijn
echtgenoot neemt steeds meer ruimte in beslag, dreigt hem zijn boeken af te
nemen en zet hem uiteindelijk het huis uit. Waanzin drijft hem tot een ultieme
daad. Hij steekt zijn bibliotheek in brand. De laatste alinea van de roman is
veelzeggend.
Hij plaatst de ladder midden in de
kamer, waar hij tevoren stond. Hij klimt op de zesde sport, kijkt neer op het
vuur en wacht. Als uiteindelijk de vlammen hem bereiken lacht hij luid, luider
dan hij in zijn hele leven ooit gelachen heeft.
Hoewel de roman van Canetti al in 1931 werd geschreven -
en over veel meer gaat -heeft men in het slot vaak een verwijzing naar de
boekverbrandingen van de nazi’s gezien.
Bovendien laat de auteur gebeuren waar Heinrich Heine
meer dan honderd jaar eerder in zijn toneelstuk Almansor al voor waarschuwde:
"…waar men boeken verbrandt,
verbrandt men uiteindelijk ook mensen".
Toen de roman in 1935 verscheen werd hij ogenblikkelijk
verboden door de nazi’s.
10 MEI 1933
Alles was tot in de puntjes geregeld die avond in mei.
Een pyrotechnisch bedrijf was door de organisatie belast met de
voorbereidingen. Niets was aan het toeval overgelaten. Nou ja, niets… toen het
rond 21.30 uur begon te regenen, brak er onder de ceremoniemeesters van het
vuur toch lichte paniek uit. Alles werd op alles gezet om het vuur brandende te
houden zolang de boeken die verbrand zouden worden nog niet aanwezig waren.
Vele duizenden waren die avond naar de Opernplatz in
Berlijn gekomen. Ondanks de regen. Al wekenlang hadden de kranten over de op
handen zijnde gebeurtenis bericht. Eerst nog in vage termen. Men sprak over een
op handen zijnde “Gesamtaktion”. Over de inhoud werd nog weinig prijsgegeven.
Pas op 14 april werd duidelijk wat de actie concreet
inhield:
‘Openbare verbranding van
ontwrichtende, Joodse literatuur door de studentengemeenschappen van de
universiteiten, naar aanleiding van de schaamteloze lastercampagne door het
wereldjodendom tegen Duitsland.’
Het initiatief tot de actie kwam van het Hauptamt für Presse und Propaganda van
de Duitse studentengemeenschappen. En dus niet van minister van propaganda
Joseph Goebbels zoals ook wel eens gesuggereerd is.
Op de Duitse universiteiten heerste al tijdens de
Republiek van Weimar een uitgesproken reactionaire en nationalistische
stemming. Vanaf 1931 werd de studentengemeenschappen geleid door een
vertegenwoordiger van de Nationaalsocialistische Duitse Studentenbond (NSDStB).
Dat zij een trouw instrument van de antisemitische
propagandamachine van de nazi’s waren, blijkt uit de zogenaamde “12 stellingen tegen de on-Duitse geest”
die zij half april 1933 naar buiten brachten. In stelling 5 lezen we:
‘Als de jood Duits schrijft, dan liegt
hij’.
Want joden zijn vreemdelingen. Daarom wordt van de
censuur geëist dat joodse publicaties alleen in het Hebreeuws mogen
verschijnen. Als ze toch in het Duits verschijnen zullen ze worden aangemerkt
als vertalingen. De Duitse taal is er alleen voor de Duitsers.
‘Tegen deze waanzin, die zo absurd klinkt, dat het bijna
grappig is, werd nauwelijks protest aangetekend’, merkt Volker Weidermann op in
zijn Buch der verbrannten Bücher.
In ieder geval laaide het vuur die avond hoog op, ondanks
de regen. Vlammen van tien, twaalf meter hoog. In daaropvolgende dagen werd de
actie uitgebreid naar andere Duitse universiteitssteden. Ook daar was het
enthousiasme van de bevolking groot.
Waren het inderdaad allemaal joodse auteurs wiens boeken
op 10 mei op de brandstapel terechtkwamen? Nee, onder de paraplu van die
zogenaamde ‘schaamteloze lastercampagne door het wereldjodendom’ kwam alles
terecht wat op de een of andere manier het nieuwe regime niet welgevallig was.
Al eind jaren twintig beklaagde een jonge bibliothecaris uit Breslau zich over
de door het communisme en liberalisme besmette Duitse bibliotheken. Wolfgang
Hermann was zijn naam en hij was de man achter een lijst met boeken van
schrijvers die het ‘meest bedreigend en on-Duits’ waren. Deze eerste lijst werd maatgevend voor de
boekverbranding van 10 mei 1933. Later volgden er nog andere lijsten maar deze
zou steeds als uitgangspunt blijven dienen.
Wie stonden er op die eerste lijst? Teveel om binnen het
kader van deze lezing allemaal te vermelden. Hoewel de impact die de
boekverbranding op het culturele leven had eigenlijk niet beter geïllustreerd
zou kunnen worden door juist de gehele lijst voor te lezen.
Van sommige auteurs, zoals Heinrich en Klaus Mann, werd
het hele oeuvre verboden. Van anderen alleen bepaalde publicaties. Van de nu vergeten Bertha von Suttner stond
alleen haar roman Die Waffen Nieder
op de lijst. Van Alfred Döblin was dan
weer alles verboden behalve Wallenstein,
zijn roman over Ferdinand II. Latere lijsten waren niet meer zo genuanceerd.
Toen werd van verdachte auteurs simpelweg alles verboden.
De boekverbrandingen betekende voor de betroffen auteurs
ook broodroof. De meesten waren aangewezen op een Duitstalig lezerspubliek en
dit werd hen van de een op de andere dag afgenomen. Ze leefden vaak in
anonimiteit als balling in het buitenland. In veel gevallen voorgoed vergeten,
weggegomd uit de analen van de geschiedenis.
Daarom is het ook zo treurigmakend de lijsten met
verboden boeken te lezen. Natuurlijk zijn er de kende namen. Maar de meeste
namen zeggen ons heden ten dage niets meer. Niet alleen omdat hun boeken
misschien minder eeuwigheidswaarde hadden dan de boeken van hun beroemdere
collega’s. Dat zeer veel schrijvers heden ten dage vergeten zijn, komt doordat
zij door deze lijsten voorgoed uit de geschiedenis zijn verwijderd.
Dat het gehele werk van de Vlaamse graficus Frans Masereel
op de lijst stond mag niet verbazen. Hij was een overtuigd pacifist en gaf daar
ook in zijn werk uiting aan. Over hem schreef zijn vriend Stefan Zweig:
Wanneer alles ten gronde zou gaan;
alle boeken, monumenten, foto's en verslagen en bleven slechts de houtsneden over
die hij gedurende tien jaar geschapen heeft, dan zou men alleen al daaruit onze
hele hedendaagse wereld kunnen reconstrueren.
(Ginge alles zugrunde, alle Bücher, Denkmäler,
Photographien und Berichte, und blieben nur die Holzschnitte erhalten, die er
in zehn Jahre geschaffen hat, so könnte man aus ihnen allein unsere ganze
gegenwärtige Welt rekonstruieren…)
Zweig schreef deze woorden in 1923 en een vooruitziende
blik kan hem moeilijk ontzegd worden.
Verder stonden er op de lijst ook boeken van buitenlandse
auteurs die met het communisme of anarchisme sympathiseerden, of die zich
anderszins kritisch over het nieuwe regime in Duitsland hadden uitgelaten:
Andre Malraux, Louis Aragon, André Gide, Theun de Vries, Jef Last, Domela
Nieuwenhuis en Arthur Lehning. Maar ook een boek van de Nederlander Hendrik De
Leeuw over prostitutie in Parijs, Amsterdam, Berlijn en New York. Ja, zelfs een boek van de Nederlandse
evangelist Johannes de Heer. Johannes de Heer, auteur de Zangbundel ten dienste van huisgezin of samenkomsten. Zijn gezangen
klinken nog iedere zondag in menige Nederlandse protestantse kerk.
In de Duitse boekhandels en bibliotheken viel na 1933
niet veel meer te beleven. De boeken waren vernietigd, de schrijvers
onzichtbaar geworden. De Duitse cultuur was beroofd van zijn kloppende hart.
Wat overbleef was vooral folklore.
En dan waren er natuurlijk nog de boekverbrandingen in
het verborgene… mensen die in het geheim hun geliefde boeken verbrand hadden
uit angst er mee betrapt te worden.
Maar er is nog iets anders. In hun onlangs in het
Nederlands vertaalde boek Joden en
woorden schrijven de Israëlische auteur Amoz Oz en zijn dochter, de
historica Fania Oz-Salzberger:
“Wij menen dat de
joodse geschiedenis en het joodse bestaan een uniek continuüm vormen, dat
etnisch noch politiek is gedefinieerd. Zeker onze geschiedenis is mede langs
etnische en politieke lijnen verlopen, maar dat zijn niet de hoofdaderen. De
nationale en culturele genealogie van de Joden is altijd afhankelijk geweest
van het doorgeven van verbale inhoud door de ene generatie aan de volgende.”
Vanuit dit gezichtspunt zou je kunnen concluderen dat de
boekverbrandingen door
nazi’s veel meer betekenden dan een pesterij en het
etaleren van hun macht. Het afnemen van hun woorden was een van de doelbewuste
eerste stappen in een proces dat uiteindelijk zou leiden naar de moord op zes
miljoen joden.
"…waar men
boeken verbrandt, verbrandt men uiteindelijk ook mensen".
Dat zegt het personage Hassan in Heinrich Heines
toneelstuk Almansor. Heine baseerde zich
in deze tragedie op de herovering van het koninkrijk Granada op de Moren door
de markies van Cadiz en Ferdinand II. Begin 1492 was de Moorse heerser Boabdil
niet langer in staat weerstand te bieden aan de christelijke legers. Hij gaf
zich over maar vroeg nog wel godsdienstvrijheid voor zijn onderdanen, deels
moslims en sefardische joden. In eerste instantie werd die toegezegd. Maar al
snel bedacht Ferdinand II zich. Eerst werd begonnen met de uitdrijving van de
joden. Korte tijd daarna werd ook het belijden van de islam verboden. Onder
leiding van de Spaanse kardinaal Francisco Jiménez de Cisneros werden moslims
gedwongen zich tot het katholicisme te bekeren of te emigreren naar
Noord-Afrika. De koran werd publiekelijk verbrand.
In 1530 liet paus Clemens XII, geconfronteerd met de
voortdurend toenemende militaire bedreiging van de christenheid door de Turken,
de Arabische tekst van de Koran onmiddellijk na publicatie verbranden. Deze was
gedrukt in Venetië
De hoer van de Turken werd Venetië aan het begin van de
16E eeuw genoemd. De republiek dankte deze bijnaam aan het feit dat zij als
politieke grootmacht intensief contact met het Ottomaanse rijk onderhield.
De leider van de reformatie in het Duitse rijk, Maarten
Luther, had zich overigens wel uitgesproken voor een vertaling en publicatie
van de koran, maar alleen omdat dan iedereen kon zien – ik citeer – wat voor
een vervloekt, schandelijk, wanhopig boek dat was, vol leugens, fabels en
allerhande gruwelen.
Natuurlijk, de geschiedenis herhaalt zich onafgebroken.
Ook nu, vooral na 11 september 2000, zien we in de westerse opnieuw geslaagde
en mislukte pogingen om het heilige boek van de Islam te verbranden.
In 2011 verbrand de Amerikaanse evangelische predikant
Terry Jones exemplaren van de Koran. Dat deed hij naar eigen zeggen in de
strijd voor de vrijlating van een gevangengenomen christelijke geestelijke in
Iran. De actie riep wereldwijd afwijzende reacties op. In Afghanistan
vielen zeven doden toen woedende betogers een VN-complex aanvielen.
De Koran-verbranding werd bijgewoond door ongeveer 20
mensen. Na afloop van het verbranden van het heilige boek van de moslims kreeg
Jones een dagvaarding aan zijn broek wegens het overtreden van
brandweervoorschriften.
Een jaar eerder wilde Jones ook al Korans verbranden uit
protest tegen een islamitisch centrum dat vlakbij Ground Zero zou worden
gebouwd. Destijds zag hij er na intensief overleg vanaf.
In September 2012 werd dominee Jones door de politie
aangehouden terwijl hij op weg was naar het park in het plaatsje Mulberry.
Achter zijn auto had hij een grote barbecue, met daarin korans die met kerosine
waren overgoten.
Jones wilde ter herdenking van 11 september bijna
drieduizend korans verbranden op een bijeenkomst met zijn kerkgenootschap. Één
Koran voor ieder slachtoffer dat twaalf jaar eerder omkwam bij de aanslagen op
het World Trade Centre
In 2008 overwoog de populistische Nederlandse politicus
Geert Wilders voor zijn anti-islamfilm Fitna een Koran in brand te steken. Hij
heeft het vreemd genoeg zelf altijd in alle toonaarden ontkend, maar
oud-partijgenoten en anonieme fractiegenoten hebben later verklaard dat de
waterstofperoxide blonde politicus het toch echt van plan was.
Een en ander geeft wel aan dat men zich bewust is van de
impact van het verbranden van boeken. Ik krijg soms het idee dat men het
ontkend of achterwege laat alleen maar omdat men niet zeker is van het
uiteindelijke effect van zo’n daad.
Want inderdaad, sinds de praktijken van nazi-Duitsland,
gaat men in West-Europa
Iets voorzichtiger om het verbranden en auslöschen van boeken.
Hier zijn we vrij. En we mogen alles drukken. Één
uitzondering: Mein Kampf, van Adolf
Hitler. In Nederland, Rusland, Oostenrijk, Frankrijk en China is of was het
verboden.
In 2007 stelde Geert Wilders voor de Koran net zoals Mein Kampf
te verbieden.
Daar wilde toenmalig Minister Ronald Plasterk niet aan.
Als het aan hem lag zou Hitlers boek ook gewoon te koop moeten zijn. Wilders
reageerde als door een slang gebeten op de uitlatingen van de minister:
"Ik vraag de Koran te verbieden omdat het boek aanzet tot haat en
vervolgens krijgen we er nog een haatzaaiboek bij. Op die manier stellen we ook
de fascisten tevreden."
Een krappe Kamermeerderheid (83 van de 150 zetels) bleek
het met Wilders eens te zijn. De Koran bleef echter vrij verkrijgbaar.
En terwijl dit schrijf op woensdagochtend 17 september
hoor ik in het Nederlandse nieuws van elf uur op de radio het volgende:
10.35 uur: interventie Wilders over de
Koran
Kamervoorzitter Van Miltenburg opent de vergadering en geeft het woord
aan SP-leider Roemer, maar voordat die is opgestaan staat PVV-leider Wilders al
bij de microfoon. Hij heeft een punt van orde. Hij begint over de Koran, die
net als de Bijbel op het bureau van de Kamervoorzitter staat. Wilders vindt het
'ongepast' om het boek in de vergaderzaal te hebben nu Islamitische Staat
terreur zaait.
Van Miltenburg wijst het verzoek af. Wilders vraagt om een
hoofdelijke stemming over zijn voorstel de Koran uit de Kamer te verwijderen.
Zijn voorstel wordt met een grote meerderheid verworpen.
Hoe zit dat eigenlijk met het verbranden van bijbels?
Ik herinner me een krantenbericht uit 2009. Op een Amerikaanse
militaire basis in Afghanistan was een stapel bijbels verbrand die een militair
stiekem had meegenomen. De Amerikanen waren bang dat de bevolking hen ervan zou
beschuldigen het christelijk geloof te verspreiden.
Bijbel verbrandingen komen ook in de islamitische wereld
voor. Maar ze liggen bij moslims gevoeliger dan koranverbranding bij
christenen. Moslims erkennen de Bijbel als ‘heilig’ boek. De Bijbel wordt in de
Koran ook vermeld. De islam beschouwt Mozes en Jezus als profeten die Gods
bedoelingen kregen geopenbaard. Het christendom ging er alleen onzorgvuldig mee
om, waarna de Koran, met Mohammed als laatste en definitieve profeet, de Bijbel
overbodig maakte. Andersom erkennen christenen de Koran niet. Simpelweg omdat
de Koran pas na de Bijbel is geopenbaard. (Bron NRC)
Een andere rol speelt het doel van de verbrandingen: de
ander zoveel mogelijk kwetsen.
„Voor moslims is de Koran de kern en het centrale symbool
van hun religie”, zegt Herman Beck, hoogleraar godsdienstwetenschap aan de
Universiteit van Tilburg. „Maar in het Westen heeft de Bijbel door
secularisering zijn betekenis als onfeilbaar en letterlijk door God geopenbaard
boek grotendeels verloren. Alleen in de christelijk-fundamentalistische wereld
wordt de Bijbel nog zo gezien.”
Waar je christenen wel mee kunt raken is het kruis,
waaraan Jezus stierf. Beck: „De betekenis van Jezus Christus is voor de meeste
christenen onomstreden. Jezus is voor christenen wat de Koran voor moslims is:
de weg, de waarheid en het leven .”
In de islamitische wereld roept het kruis bovendien nog
altijd wrevel op vanwege de kruistochten. Kruisverbrandingen zie je daarom
vaker.
Blasfemie…
Mohammed hield van lachen, lees ik bij Alberto Manguel.
In zijn eigen woorden:
‘Wees altijd
lichthartig, want als het hart bezwaard is, raakt de ziel verblind.’
En de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges heeft eens
gezegd dat we van Gods literaire smaak niets weten.
Ik lees verder bij Manguel:
“Het is moeilijk voorspelbaar dat
Iemand – God - die alles weet en wiens genereuze gevoel voor esthetiek hem
dreef tot de creatie van zowel de poëtische
antilope als de smakeloze grap die het nijlpaard moet voorstellen, de
werken van Denis Diderot, Mark Twain al Salman Rushdie zou verbannen van zijn
nachtkastje.”
De duivelsverzen van
Salman Rushdie verscheen in 1988.
Het boek begint bij de ontploffing
van een gekaapt vliegtuig boven Zuid-Engeland. Twee Indiase acteurs vallen uit de lucht op
het Engelse strand. Beiden overleven de val. De ene acteur transformeert
vervolgens tot de aartsengel Gabriël,
terwijl de ander verandert in de duivel.
De publicatie van De
duivelsverzen veroorzaakte een controverse onder fundamentalistische moslims. De oorzaak van deze controverse was de wijze waarop Mohammed, binnen de islam gezien als profeet, door Rushdie in het boek wordt neergezet; als een man
die bezwijkt voor aardse genoegens. De titel heeft hierop betrekking. Het is
een verwijzing naar de omstreden duivelsverzen uit de Koran.
Hiermee zijn de verzen bedoeld die Mohammed in eerste instantie zou hebben uitgesproken,
maar die later zouden zijn vervangen. Die verzen zouden niet overgebracht zijn
door de engel Gabriël, maar
zouden door Iblis, de
duivel, op de tong van Mohammed zijn gelegd.
Op 14 februari 1989 sprak Ayatollah Khomeini een fatwa over Rushdie uit. De Iraanse leider noemde De duivelsverzen een godslasterlijk boek en een belediging van de islam.
Omdat Rushdie in zijn roman
duidelijk zou hebben laten blijken niet meer in de Islam te geloven werd hij
ook nog eens beschuldigd van afvalligheid. Daarop stond volgens Khomeini de doodsstraf.
Hij riep dan ook alle vrome moslims op de schrijver ter dood te brengen. Op het
hoofd van de schrijver werd een premie van drie miljoen Amerikaanse dollar
gezet.
Gedurende deze periode vielen
tijdens gewelddadige demonstraties verschillende doden in India, Pakistan en Egypte. Moslimgemeenschappen over de gehele wereld
organiseerden protestbijeenkomsten waarin exemplaren van het boek werden
verbrand.
Inderdaad… als het hart bezwaard is, raakt de ziel verblind.
Dit verschijnsel zien we ook bij
fundamentalistische christenen. Niet alleen korans werden in kerosine gedrenkt
en vervolgens verbrand, nee, ook de boeken van Harry Potter van de Britse
auteur J.K. Rowling moesten er aan geloven.
De boeken waarvan er alleen al in
de VS 55 miljoen van werden verkocht zouden het occulte verheerlijken en
daardoor een uiterst slechte invloed hebben op kinderen.
Evangelische christenen probeerden
tevergeefs om de boeken uit alle Amerikaanse bibliotheken te laten verwijderen
omdat ze satanisme en zwarte hekserij zouden verketteren. Groeperingen zoals
Focus on Family en andere conservatieve christelijke groeperingen stellen dat
de Harry Potter-reeks een serieuze bedreiging voor de geestelijke gezondheid
van tientallen miljoenen vormt. In Alamogordo liet een predikant de vier boeken
zelfs in het openbaar verbranden. Het schijnt dat bij die gelegenheid ook
boeken van Stephen King, cd’s van Eminem en videocassettes van Sneeuwwitje van Walt Disney op de
brandstapel belandden.
In de roman 'De Da Vinci Code' van Dan Brown uit 2003 wordt de stelling
ontwikkeld dat Maria Magdalena een kind van Jezus baarde en dat de katholieke
kerk sindsdien alles in het werk stelde om dat geheim te bewaren.
Leden van de kleine
christendemocratische partij DC en de rechtse Allianza Nazionale riepen in 2006
alle christenen op om "met kracht en
overtuiging te reageren tegen deze verschrikkelijke aanval op Jezus Christus".
Niet veel later werd op het centrale
plein van een dorp vlakbij Rome een
exemplaar van het omstreden boek in het openbaar verbrand. De boekverbranding
op het dorpsplein ontlokte protest bij een honderdtal manifestanten. Ze
trakteerden de radicale katholieken op een fluitconcert en gooiden zelfs met
tomaten.
De geschiedenis laat zien dat boekverbrandingen steeds
een zuiverend ritueel zijn geweest. Ze komen voort uit de behoefte om een
cultuur of maatschappij te zuiveren van vreemde invloeden van buitenaf.
Anders dan je zou verwachten werd in het voormalig
Oostblok niet zoveel aan boekverbrandingen gedaan. Ze leken daar iets
praktischer ingesteld.
Hans Renner, een historicus van Tsjechoslowaakse origine
die werkzaam was aan de universiteit van Groningen, publiceerde begin jaren
tachtig van de vorige eeuw „Van brandstapel tot papiermolen - Over
boekvernietigingen in Tsjecho-Slowakije".
Het aardige van deze publicatie is dat Renner er eigen
herinneringen aan zijn jeugdjaren in vervlochten heeft.
Zoals de Russische cultuur na de Tweede Wereldoorlog
opnieuw op last van Stalin gezuiverd diende te worden, zo ook moest dat gebeuren
in satelliet(staat) Tsjecho-Slowakije. Men beijverde zich zeer in het opruimen
van de „restanten van de bourgeoisideologie".
Alleen al van de in beslag genomen grote particuliere boekencollecties
eindigde de helft van alle titels, dat wil zeggen 7 miljoen exemplaren, in de
papiermolen! Slechts 3 miljoen titels werden ideologisch onschadelijk bevonden
en overgebracht naar openbare bibliotheken. De rest ging naar verschillende
voor het publiek niet toegankelijke opslagplaatsen.
Terwijl de werken van honderden verboden Tsjechoslowaakse
schrijvers vernietigd werden, spoorden de communistische autoriteiten de
bevolking via campagnes aan, om zich ook thuis van de
„bourgeois-imperialistische" lectuur te ontdoen.
Drs. Renner herinnert zich uit deze periode:
„Ik zat toen op de lagere school en het fanatieke
schoolhoofd (een schoenmaker van beroep) met onze niet minder ijverige
onderwijzeres gaven de leerlingen opdracht naar „verderfelijke literatuur"
in de boekenkasten van hun ouders te zoeken: voor de inzameling van oud papier,
omdat onze school haar eerste plaats in de gemeente moest behouden. Die middag
verhuisden bij ons thuis de werken van T. G. Masaryk, Edvard Benes, maar ook
van Karel Capek naar de zolder". Ondanks de communistische
„schoonmaak" ontstond er allerminst een gebrek aan boeken in Tsjecho-Slowakije.
De openbare bibliotheken vulden hun planken met nieuwe boeken vanuit de
marxistisch- leninistisch-stalinistische visie geschreven. Voorts werden oudere
Tsjechische werken naar communistische smaak bewerkt en aldus weer geschikt
geacht voor het lezerspubliek. Daarnaast werden bovendien veel Sovjetromans en
andere boeken uit het Russisch vertaald ten behoeve van Tsjechoslowaakse lezers.
De uit het Russisch vertaalde boeken verschenen om begrijpelijke
propagandistische redenen in gigantische oplagen. Echter in dit opzicht spanden
politieke geschriften werkelijk wel de kroon: tussen 1950 en 1954 spoelden 2
miljoen bundels van Gottwald (Stalins zetbaas in Tsjecho-Slowakije) verzamelde
toespraken over de boekenmarkt plus 3 miljoen exemplaren van Lenins oeuvre en
nog eens 4 miljoen boeken van kameraad Stalin!
Hans Renner merkte in dit kader nog op dat Tsjecho-Slowakije
op dat moment slechts 13 miljoen inwoners telde.
Ter afwisseling een bericht uit de krant van 5 december
2012:
Boeken
failliet Libridis vernietigd
Honderdduizenden
boeken die overbleven na het failissement van de Sittardse boekengroothandel
Libridis, zijn vernietigd.
De
600.000 boeken waren eigendom van de uitgevers. Zij mochten de boeken komen
ophalen van de curator, maar de meeste uitgevers hoefden de splinternieuwe
exemplaren niet meer.
Volgens
hen was het maar de vraag of zij de boeken nog zouden kunnen verkopen. Andere
boek-opslagpunten in Nederland hebben diezelfde titels nog genoeg op voorraad.
Het Centraal Boekhuis heeft de boeken daarom laten vernietigen.
Het is aan u om eventuele
verbanden te leggen.
Charjov, Oekraïne, maart 2014
Een van de meest recente boekverbrandingen die mij bekend
zijn vond plaats in maart van dit jaar in Charkov, de Russischtalige tweede
stad van Oekraïne. De daders waren pro-Russische activisten. De slachtoffers
boeken over de golodomor, de hongersdood. De golodomor waarbij 4 miljoen Oekraïners
stierven is de hoeksteen van de moderne nationale identiteit. De hongerdood
begin jaren dertig van de vorige eeuw was het gevolg van een besluit van Stalin
om de landbouw met geweld te collectiviseren en de vrije boeren te liquideren.
Sinds de onafhankelijkheid in 1991 wordt de golodomor in Oekraïne opgevat als
genocide tegen de van oudsher vrije boerenstand en dus het Oekraïense volk.
In zijn vlak na de tweede wereldoorlog verschenen roman 1984 schetst George Orwell een
indringend beeld van een totalitaire maatschappij. Weliswaar ergens in de
toekomst gesitueerd – 1984 leek toen nog erg ver weg – behelsde het ook een waarschuwing tegen
totalitaire regimes zoals het niet daarvoor verslagen nazi-Duitsland en Stalins
Sovjet Unie.
In deze anti-utopie, in deze distopie is het
Waarheidsministerie er mee belast alle schriftelijke sporen uit het verleden
uit te wissen. Want:
‘Wie het verleden controleert die controleert
de toekomst; wie de toekomst controleert, controleert het verleden.’
Een paar jaar later, in 1953, verscheen Fahrenheit 451
van de Amerikaan Ray Bradbury.
Fahrenheit 451. De temperatuur waarbij boekpapier vlam
vat en verbrandt.
Hoofdpersoon is brandman Guy Montag. Let op geen brandweerman
maar een brandman. Zijn werk is het verbranden van boeken. Want boeken zijn
overbodig in een ideale maatschappij. “Door
de wildgroei aan massa amusement is de mens geëvolueerd tot een wezen dat
instinctmatig geen behoefte meer heeft aan verhalen, of aan onderwerpen als
filosofie of geschiedenis.”
De Russische auteur Jevgeni Zamjatin schreef zijn
profetische roman Wij al in 1921. Het
boek speelt ergens in het derde millenium in de Vereende Staat. Alle huizen zijn van glas en de bewoners leven volgens
een strikt rooster. Er wordt gewerkt aan de grote operatie waarbij mensen hun
fantasie wordt afgenomen. Honger en liefde bestaan niet meer, evenmin als
vrijheid. Als de hoofdpersoon in opstand komt en een aanslag op de leider
beraamd, wordt hij verraden. Voor straf moet hij een hersenoperatie ondergaan
waarbij zijn fantasie wordt weggesneden.
In deze drie distopieën zien we een constante: het
individu moet worden opgeofferd aan de massa. De massa is een instrument van de
machthebber. Het enige dat zoiets in gevaar zou kunnen brengen is het individu.
Boeken en kunst zijn symbolen van ongrijpbaarheid, uitingen
van individuen, van alles wat uiteindelijk niet onder controle gebracht kan
worden.
Een kopie van de titelpagina van Het Negerboek van de Canadese auteur Lawrence Hill werd in juli
2011 verbrand door Surinamers in Amsterdam. Ze vonden de titel beledigend en
krenkend. Ook in de Verenigde Staten ontstond ophef over de titel (The book of Negroes). Die werd daarom
veranderd naar Someone knows my name.
We moeten echter niet vergeten dat de titel gebaseerd was op een gelijknamig
document uit de achttiende eeuw, een soort grootboek waarin alle zwarte
opvarenden van een schip waren opgetekend. Het ging hier dus niet om de inhoud
van het boek – de meeste demonstranten kenden die waarschijnlijk niet – maar
louter om de titel.
Iets gelijkaardigs deed zich in 2008 hier in Antwerpen
voor. In de etalage van een inmiddels verdwenen antiquariaat in de Lange
Leemstraat lag een exemplaar van het boek Hitlers
handlangers van de academici Henk van Capelle en Peter van de Bovenkerk. Op
de omslag van het boek stond Adolf Hitler prominent afgebeeld, omringd door
kleiner foto’s van zijn belangrijkste medewerkers. De ondertitel van het boek
luide overigens Een sinister gezelschap.
En - voor ik het vergeet: op het omslag was vanzelfsprekend ook het
onvermijdelijke hakenkruis afgebeeld. Hoewel het een boek betrof dat zeer
kritisch stond tegenover het derde rijk riep het toch de afkeuring op van
enkele joodse buurtbewoners. Het kwam hier niet tot een verbranding. De
eigenaar van het antiquariaat haalde het boek uit zijn etalage en hiermee was
de affaire beëindigd.
Wat deze twee gebeurtenissen laten zien is dat soms de
inhoud er niet toe doet. Het gaat om boek als voorwerp. Het omslag en wat
daarop staat wordt als symbolisch gezien voor de inhoud. De enige manier om de
woede te temperen is het boek te verwijderen. Onzichtbaar te maken. Wat je niet
ziet bestaat niet.
Nog twee voorbeelden uit het recente verleden. Het ene
speelt zich af in Amsterdam, het andere in Antwerpen.
In 1987 regisseert
Johan Doesburg, een student aan de Amsterdamse Toneelschool , het stuk Het vuil, de stad en de dood van de
Rainer Werner Fassbinder. Vanwege het
vermeende antisemitische karakter van het stuk roept de opvoering al op
voorhand heftige reacties op. Een groep jonge joden heeft zich verzameld in het
actiecomité Alle Cohens aan Dek. Voor
de try-out van het stuk blijken zij de helft van de kaartjes te hebben gekocht.
Ze bezetten het podium om opvoering van het stuk te voorkomen. Acteur Jules
Croiset roept: 'Ik sta hier met de hoed van de toneelspeler en de keppel van de
jood om te zeggen dat ik diep beledigd ben door dit stuk.'
Begin december van datzelfde jaar verdwijnt Jules Croiset
spoorloos. Een paar dagen later maakt de politie van Brugge bekend dat hij na
een eendaagse ontvoering door neo-fascisten is ontsnapt uit een 'rioolbuis' in
Charleroi.
De volgende dag ontvangen tientallen joodse gezinnen,
waaronder dat van cabaretier Freek de Jonge, dreigbrieven van het 'Nederlands
Fascistisch Jongeren Front'.
Een maand later maakt Jules Croiset bekent dat hij zijn
ontvoering zelf in scène heeft gezet. Hij blijkt ook verantwoordelijk voor de
dreigbrieven en een bommelding. Zijn motief: waarschuwen voor toenemend
anti-semitisme.
De schrijver Harry Mulisch heeft meerdere malen gezegd:
Ik ben de Tweede Wereldoorlog. Niet zo vreemd met een joodse moeder en een
Oostenrijkse vader die tijdens die oorlog voor de Duitse bezetter werkte. Toen
men hem vroeg het Boekenweekgeschenk 2000 te schrijven greep hij dit aan om
zijn kijk op de gebeurtenissen in het najaar van 1987 te geven in de novelle
Het theater, de brief en de waarheid.
Freek de Jonge, die was gevraagd op te treden tijdens het
boekenbal, beschouwde de novelle als een poging tot rehabilitatie van Croiset.
Hij kondigde aan dat hij het boek zou gaan verbranden tijdens de
voorstelling. Mulisch merkte op dat
zoiets hem aan Joseph Goebels deed denken.
Op het Boekenbal in de Stadsschouwburg in Amsterdam
zwakte Freek de Jonge, na veel voorpubliciteit, zijn taal af. Met een jerrycan
benzine 'verbrandde' hij het boek 'symbolisch'. De volgende dag stonden op de
voorpagina’s van alle kranten foto’s van het moment suprême. Want deed-ie het
nou wel of deed-ie het nou niet? Het gaat mij om het woord symbolisch.
Werd de daad van De Jonge minder ernstig door het een
symbolische daad te noemen? Moet je een boek daadwerkelijk verbranden om….ja,
om wat eigenlijk?
Op zaterdag september 2012 vond in Antwerpen de
boekpresentatie plaats van Maarten Inghels’ roman De handel in emotionele goederen. Voordat uitgever Harold Polis aan
zijn toespraak begon, verbrandde hij eerst een A-4tje onder het motto: ‘Eerst
de boze geesten uitdrijven, Maarten begrijpt wat ik bedoel.’
Een week eerder had er in De Standaard een vernietigende recensie van de roman van Marc
Cloostermans gestaan. Hij had het boek volkomen afgebrand om het zo maar te
zeggen.
Dat het verzamelde publiek de actie van Polis dan ook
interpreteerde als een verbranding van deze recensie verbaast niet echt. Polis
zelf ontkende in alle toonaarden. ‘Voor
mij persoonlijk heeft het boek van Maarten Inghels veel betekend. Ik heb er
lang met de auteur aan gewerkt. Het boek gaat over verlies, afscheid nemen,
wegmaken – waarbij de ervaringen van de hoofdpersoon voor een groot deel
samenvallen met mijn eigen ervaringen. Ik heb in die theaterzaal waar ik het
boek voorstelde daar op een theatrale wijze een idee van gegeven.
Vervolgens tweet iemand dat ik een “kutrecensie” in brand heb gestoken. Wat ik
niet heb gedaan. Wat ik niet heb gezegd. Wat ik niet heb geïmpliceerd.’
Tot besluit benadrukt Polis nog dat hij pal staat voor de
persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting.
Dit is natuurlijk een nogal jezuïtische wijze om de
werkelijkheid naar je hand te zetten. Inderdaad, de heer Polis had slechts een
stuk blanco papier verbrand maar dan wel in aanwezigheid van mensen die stuk
voor stuk op de hoogte waren van die negatieve recensie. Dan is een verband
natuurlijk snel gelegd.
Freek de Jonge suggereerde door een en ander in de bedden
in een cabareteske context dat het uiteindelijk toch niet meer dan een geintje
was.
"Harry, heb je lucifers bij je", vroeg De
Jonge. En Mulisch die De jonge eerder vergeleken had met Joseph Goebbels stond
op en wierp De Jonge vanuit zijn loge een doosje lucifers toe.
Twee voorbeelden van recente symbolische
boekverbrandingen. Polis maakte gebruik van de ontkenning: ik heb het gebeurde
niet als zodanig beleefd dus is het niet gebeurd. En aangezien dit niet te
controleren is, is het dus echt niet gebeurd.
De Jonge verschool zich achter het masker van de humor.
En benadrukte dat het maar een symbolische boekverbranding was.
Wat bedoelde hij met symbolisch? Dat het niet echt
gebeurd was, dat het boek niet echt gebrand had, dat hij maar had gedaan alsof?
Zoals Harold Polis alleen maar een blanco A-4-tje had
verbrand… Dus niet de tekst waar het om ging, die recensie van Marc
Cloostermans.
Dus doen alsof. Nabootsen. Maar als je doet alsof, als je
iets voor een publiek nabootst dan hoop je toch dat het publiek denkt dat je
het echt doet.
En maakt het uit of het boek werkelijk verbrand is als de
actie slechts symbolisch bedoeld was?
Als je voor de vrijheid van meningsuiting bent moet je je
niet bezighouden met boekverbrandingen, denk ik, ook niet met symbolische. Het
signaal dat men dan afgeeft is dat men zichzelf eigenlijk niet serieus neemt.
Dat men slechts voor vrijheid van meningsuiting is als het de eigen mening
betreft.
En nogmaals: zijn boeken heilig?
Ik geloof van niet en daarin schuilt nu precies hun
kwaliteit.
Ik sprak al eerder over Don Quichote van Cervantes. Wist u dat deze roman in het Chili van
Pinochet verboden was? Ze zou oproepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid.
Ik besluit met een citaat van Amoz Oz en zijn dochter uit
hun boek Joden en woorden.
‘In zijn korte verhaal Pierre Menard,
schrijver van de Don Quichot vertelt Borges hoe een moderne romanschrijver op
een dag gaat zitten en woord voor woord Cervantes’ zeventiende-eeuwse klassieker
neerschrijft, in het Spaans.
Let wel: Menard maakt geen vertaling
of kopie of citaat of parafrase of bespreking of commentaar, hij schrijft
Cervantes’ boek. Een nieuw boek, Zijn eigen boek. Iedere keer wanneer wijeen
tekst lezen, herschrijven we die naar ons eigen evenbeeld… Zelfs wanneer we
oude woorden letterlijk herhalen zijn het niet de oude woorden meer maar
nieuwe, van ons, naar ons evenbeeld, in onze context.
Je kunt immers nooit twee keer in de
zelfde rivier stappen, zei de wijze Griekse filosoof Herakleitos. En een
leerling voegde daaraan toe: zelfs niet één keer.’
Beter kan de kracht van woorden niet beschreven worden.
En voor die kracht zijn totalitaire machthebbers bang.
Tekst van de NOTTEBOHMLEZING 'Het boek: vrijplaats of vijand', die ik op 21 september 2014 uitsprak in de trouwzaal van het Antwerpse Stadhuis.
20-12-2015
HIGHWAY 61 REVISITED
HIGHWAY 61 REVISITED
Opgroeien tussen Finnen in het Rusland van Amerika
Shabtai Zisel ben Avraham
zoon van het gebod staat op een bus te wachten
Koffer omgord met riem
Wachtend op de bus
In een straat waar schapen
buskaartjes uit je hand eten
Wat een kou in Minnesota
Verscholen achter glas van Bausch & Lomb
En maar kijken naar het zuiden
Je blindstaren op die oneindige streep
Asfalt van Minnesota tot Louisiana
Maar met duizend telefoons die zwijgen
En een lege portemonnee kom je niet ver
Dan is één stap in het licht
Niet meer dan geschraap van hoeven in de nacht
19-12-2015
Ouderwetse kleren, dus ook dierenkleren
Ik pakte zonder echte aanleiding deel 4 van hetVerzameld wel van Gerard Reve uit de kast en sloeg het op een willekeurige pagina open:
"We moeten wolvenkleren en vossenkleren kopen,' stelde hij Wolf voor. Wolf had daar wel oren naar, maar kon men die kopen? Een heel ouderwetse winkel, die zoude misschien nog wel hebben, dacht Vos. En ja hoor, na lang tevergeefs zoeken en vragen vonden ze in zeker stadje een oude mandenmaker die vroeger manden had gemaakt, maar daarmede was opgehouden omdat die bijna niet meer verkocht werden, en die nu in een klein winkeltje ouderwetse kleren, dus ook dierenkleren was begonnen te verkopen."
Dat is uit zijn roman Wolf uit 1983. Ik heb het nooit eerder gelezen, of misschien wel maar ben ik het vergeten. Maar bovenstaand citaat maakt weer eens duidelijk wat voor voortreffelijk stilist hij was. Hoe Reve die overgang maakt van een oude mandenmaker die geen manden meer maakt maar wel ouderwetse kleren verkoopt en dus ook dierenkleren. Daar zit geen enkele logica in maar door de manier waarop hij het opschrijft lijkt het allemaal volstrekt normaal. Door zijn stijl en door niets anders sleept Reve je dus zijn wereld in en je laat het gebeuren. Elke beginnende schrijver zou elke dag wat moeten bladeren in een willekeurig boek van Reve. Niet om hem te imiteren maar om te leren.
"We moeten wolvenkleren en vossenkleren kopen,' stelde hij Wolf voor. Wolf had daar wel oren naar, maar kon men die kopen? Een heel ouderwetse winkel, die zoude misschien nog wel hebben, dacht Vos. En ja hoor, na lang tevergeefs zoeken en vragen vonden ze in zeker stadje een oude mandenmaker die vroeger manden had gemaakt, maar daarmede was opgehouden omdat die bijna niet meer verkocht werden, en die nu in een klein winkeltje ouderwetse kleren, dus ook dierenkleren was begonnen te verkopen."
Dat is uit zijn roman Wolf uit 1983. Ik heb het nooit eerder gelezen, of misschien wel maar ben ik het vergeten. Maar bovenstaand citaat maakt weer eens duidelijk wat voor voortreffelijk stilist hij was. Hoe Reve die overgang maakt van een oude mandenmaker die geen manden meer maakt maar wel ouderwetse kleren verkoopt en dus ook dierenkleren. Daar zit geen enkele logica in maar door de manier waarop hij het opschrijft lijkt het allemaal volstrekt normaal. Door zijn stijl en door niets anders sleept Reve je dus zijn wereld in en je laat het gebeuren. Elke beginnende schrijver zou elke dag wat moeten bladeren in een willekeurig boek van Reve. Niet om hem te imiteren maar om te leren.
13-11-2015
'Little Ole Wine Drinker, Me'
Dubrovnik is een prachtige
stad. Maar dat ervaar je alleen ‘s avonds en in de vroege ochtend. Dan zitten
de tienduizenden toeristen die overdag de stad terroriseren nog op hun
cruiseschepen.
In mei 2010 kreeg ik van internationaal
literatuurhuis Passa Porta de
gelegenheid een maand in Dubrovnik te verblijven als writer in residence om de
laatste hand te leggen aan Ga niet weg.
Uiteindelijk schreef ik mijn roman in vier weken helemaal opnieuw.
De avondmaaltijd gebruikte
ik meestal in oštarije Sesame, een
klein restaurant
in de Dante Alighieria. Het
eten was daar goed maar ik herinner me vooral de wijnen. De eigenaar, een wat oudere
man die door zijn nonchalant geknoopte sjaaltjes een ouderwetse artistieke
uitstraling had – later bleek dat hij in zijn jonge jaren kunstfotograaf was
geweest - liet me kennismaken met de meest fantastische Kroatische wijnen. Hij
vertelde me dat de oude Romeinse schrijvers de wijn en olijfolie uit Istrië al loofden
als de beste van het Romeinse Rijk, ook Giacomo Casanova schreef in zijn
memoires vol lof over deze wijnen. En de Oostenrijkse keizer Franz Jozef I liet
in 1902 zelfs een spoorlijn aanleggen tussen Triest en Poreč met als doel
wijnen te vervoeren.
Maar daar dacht ik niet aan
toen ik op een zonnige ochtend rond een uur of acht een wandeling maakte langs
de stadsmuur. Ik wilde koffie drinken. Niet veel later zag ik een uithangbord: The Cold Bar. De bar was te bereiken via
een smalle gang in de stadsmuur. Toen ik aan de andere kant weer naar buiten
kwam, bevond ik me op een terras, minstens veertig meter boven de waterspiegel, dat uitzicht bood op de Adriatische Zee.
Ik wilde koffie bij de
serveerster bestellen maar dat ging niet. Het was niet voor niets een Cold Bar:
ze serveerden alleen maar koude dranken. Hoewel dat erg logisch klonk, had ik
die associatie helemaal niet gemaakt. Toen ik de naam van de bar las, had ik in
eerste instantie moeten denken aan The
Cold Song van Henri Purcell. Cold Song, Cold Bar… eigenlijk was dat de
reden geweest waarom ik die smalle gang was ingelopen en toen ik werd
geconfronteerd met dat overweldigende panorama had ik in mijn hoofd de ijle
stem van Klaus Nomi gehoord:
‘Let me, let me,
Let me, let me,
Freeze again...
Let me, let me,
Freeze again to death!’
Ik bestelde een mineraalwater en
staarde voor me uit. In de verte zag ik de eerste cruise schepen al aan de horizon verschijnen. Even later schalde de stem van Dean Martin uit de geluidsboxen.
Niks geen Purcell, nee, gewoon een oud countrynummer dat hem op het lijf geschreven
was: Little Ole Wine Drinker, Me:
‘I'm prayin' for rain in
California,
So the grapes can grow and
they can make more wine…’
Misschien was dat op dat
moment nog wel mooier dan iets van Purcell.
Abonneren op:
Posts (Atom)



