28-06-2019

Jan Elemans 1924-2019

@Frans Goddijn

Pas vandaag bereikte mij bij toeval het droeve nieuws dat Jan Elemans op 13 april overleden is. Jan Elemans was niet alleen mijn leraar Nederlands op het Arnhemse Thomas a Kempiscollege in het begin van de jaren zeventig, nee, ik durf te beweren dat hij aan het begin van mijn schrijverschap heeft gestaan. Ik was een jongetje dat veel las, wegvluchtte in de boeken. Maar voor opstellen kreeg ik steevast onvoldoendes. Toen ik Jan als leraar kreeg, had ik de stille hoop dat het bij hem wellicht anders zou zijn. Hij was tenslotte naast leraar ook nog eens een dichter. Maar ook bij hem moest ik voor mijn eerste opstel een onvoldoende incasseren. En deze keer niet een slap viertje maar een fikse drie min. Er was echter één niet onbelangrijk verschil met mijn vorige docenten. Hij schreef die onvoldoende niet in zijn agenda. Hij legde Bint van Bordewijk voor mij op tafel en zei dat ik dat eerst maar eens moest lezen.  Daarna moest ik mijn opstel herschrijven. En geen enkele zin mocht langer dan een regel zijn. Toen ik de herschreven versie inleverde kreeg ik daarvoor een negen. ‘Kijk,’ zei hij, ‘jij leest waarschijnlijk veel van die negentiende-eeuwse jongens... Die lange samengestelde zinnen probeer jij op jouw beurt na te doen maar het ontbreekt je nog aan de vaardigheid zoiets foutloos te doen. Vandaar.’ Voor deze wijze lessen ben ik hem mijn hele leven dankbaar geweest. Trots stuurde ik hem mijn eerste romans toe. Zijn puntige reacties daarop hadden voor mij meer waarde dan een vier sterren-recensie in het NRC of de Volkskrant. In een brief vroeg ik of hij ook les aan Thomas Roosenboom had gegeven. Zijn antwoord liet aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘Nee. Als hij les van mij had gehad dan zou hij niet van die schaamteloos dikke romans schrijven. Jac Toes heeft wel les van mij gehad. Die schrijft dan ook mooi en bondig proza. ’
In mijn boekenkast staat nagenoeg zijn complete oeuvre. Van de eerste dichtbundels Het haargetouw en De keerakker tot en met Waarom pa mijn moeder de enige kazemat noemde in Nederland die deugde. Maar ook Woord en wereld van de boer en De muze op klompen. Ik zie ze als mijn talismannen. Als ik er af en toe een opensla en hier en daar een regel lees, besef ik iedere keer opnieuw dat ik dankzij hem de schrijver ben geworden die ik ben. Ik vertelde hem dat de laatste keer dat wij elkaar zagen op de begrafenis van mijn moeder in 2005. Hij keek me aan met een blik alsof hij nooit eerder zulke onzin had gehoord. ‘Schei toch uit,’ zei hij, ‘dat schrijven van je zat er altijd al in en dat was er ook zonder mij wel uitgekomen.’ Ik heb hem toen niet tegengesproken maar ik was het voor het eerst hartgrondig met hem oneens.





Het laatste woord

Ik vraag de liefde niet dat zij me spaart
en enkel maanlicht schenkt en volle rozen
ik heb gezien dat niet het eerste blozen
de laatste raadselen al openbaart

Ik vraag de liefde slechts dat zij me leert
tussen het zwart der regels door te lezen
tot in het wit en onbeschrijflijk wezen
waarop het heimwee van de dichter teert

Ik vraag de liefde om het laatste woord
uit jaren stilte zal het eens verrijzen
laat mij in eenzaamheid desnoods vergrijzen
maar niet sterven vóór ik het heb gehoord

Jan Elemans
uit: Het Haargetouw, De Beuk, 1962, Amsterdam

20-12-2017

HET DANTEMEISJE

Op 12 juni 1967 kocht een onbekende man of vrouw bij boekhandel Nisis in Arnhem 'Het dantemeisje' van A. Middeldorp en 'De vreemdeling' van Albert Camus. Hij moest bij de kassa dertien gulden betalen lees ik op de kassabon die ik achter in het boek vond. 






Wat er met het exemplaar van De vreemdeling gebeurd is, weet ik niet. Maar meer dan vijftig jaar later kocht ik bij In 't Pofijtelijk Boeksken in de Wolstraat te Antwerpen voor zeven euro 'Het dantemeisje'. Dat ik het uit de kast van het antiquariaat trok, had alles te maken met dat het omslag ontworpen was door Karel Beunis. 


Ik ben dol op de ontwerpen van Beunis. Allereerst omdat het prachtige staaltjes van typografische perfectie zijn. Maar ook omdat ze voor mij synoniem zijn met de boeken die de Bezige Bij in de jaren zestig uitgaf. Dat waren boeken die je moest lezen, boeken die ertoe deden: Beckett, Claus, Camus, Genet, Campert, Hermans, Mulisch,Schierbeek, Raes, Vestdijk... De lijst is lang. Van Oorschot gaf de Russen uit, de Bezige Bij de rest. Zo overzichtelijk was het toen voor een puber met een flinke leeshonger.
Ik had nog nooit van A. Middeldorp gehoord. Dat ik het boek uiteindelijk aanschafte, had vooral te maken met boekhandel Nisis waar het destijds was aangeschaft. De boekhandel was gevestigd in het een paar jaar eerder opgeleverde winkelcentrum Presikhaaf. Ik woonde daar sinds 1965 vlakbij. In boekhandel Nisis kocht ik op 3 februari 1972 'De verzamelde gedichten' van Gerrit Achterberg van het geld dat ik een dag eerder van mijn grootmoeder voor mijn veertiende verjaardag had gekregen. Vreemd dat je je dat soort dingen blijft herinneren. Ik heb me bij mijn weten destijds nooit afgevraagd waarom de boekhandel de nogal exotische naam 'Nisis' droeg. nu wil ik dat plotseling wel weten. De naam klinkt als de naam van een Egyptische god of godin. Maar daarover vind ik niets. Wel komt plotseling de herinnering aan een felgroen gekleurde leeswijzer naar boven die je daar toen bij je boek kreeg. Daar stond natuurlijk de naam en het adres van de boekhandel op maar ook, denk ik nu, een tekst. Een citaat? Een verklaring voor de naam? Maar wellicht verzin ik dit achteraf en was Nisis gewoon de achternaam van de eigenaar. Op de site Forebears lees ik dat er op de hele wereld slechts acht mensen die naam dragen. De meeste wonen in de Verenigde Staten. Misschien is meneer Nisis een van hen, is hij na de sluiting van zijn winkel geëmigreerd. Die dingen gebeuren. Waarschijnlijker is dat hij al lang geleden kinderloos gestorven. Ook A. Middeldorp is een persoon waarover weinig bekend is. De flaptekst vermeldt dat hij in 1921 in Scherpenzeel is geboren. En dat hij over Gerrit Achterberg publiceerde. Onder andere een studie over diens 'Ballade van de gasfitter'. En dat de literaire kritiek hem naar aanleiding van zijn debuut 'Morgen misschien, twee novellen' omschreef als de auteur 'van de uiterste reduktie'.
Ik stel me voor dat de anonieme koper van 'Het dantemeisje' op die maandag in juni 1967 ook nog overwogen heeft 'De verzamelde gedichten' van Achterberg te kopen. Dat hij daarvan afzag had natuurlijk te maken met de prijs van deze gebonden uitgave van uitgeverij Querido. Die was beduidend hoger dan de zes gulden vijftig die hij vervolgens aan Camus spendeerde. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat er in de nieuwbouwwijk Presikhaaf veel belangstelling voor Achterberg was. Dus is het helemaal niet onvoorstelbaar dat het exemplaar dat deze anonieme koper destijds in handen had hetzelfde was als dat ik een jaar of vijf later aanschafte.

10-07-2017

BOEKEN, ETEN en DRINKEN in FORD LILLO

Gisteren fietste ik naar de jaarlijkse boekenmarkt in Ford Lillo. Een klein dorp, ingeklemd tussen de Antwerpse haven, met maar liefst 4 horecagelegenheden. Steven Van Ammel die daar ook met een goed gevulde stand boeken aanwezig was, vertelde me dat het dorp maar 34 inwoners telde. Dat is dus omgerekend 1 kroeg per 8,5 inwoners. 



Bij Van Ammel kocht ik voor 9 euro een deeltje uit de Russische bibliotheek dat sinds lang niet meer leverbaar is: Duizend Zielen van Pisemski. En voor hetzelfde bedrag een mooie uitgave van Humboldts gift van Saul Bellow. Het was er nooit van gekomen deze roman te lezen ondanks vele enthousiaste verhalen van anderen. Voordat ik de terugtocht aanvaarde besloot ik iets kleins te eten. Ik nam plaats op het terras van Het Landshuis. De ober - 'onmiskenbaar een oververmoeide figuur uit het horecabedrijf´ - dwaalde wat stuurloos tussen de tafeltjes. Om zijn goede wil te tonen, nam hij een halfleeg gegeten bord friet van mijn tafel weg, liet de rest staan en verdween. Nadat ik 20 minuten tevergeefs op zijn terugkeer had gewacht, besloot ik mijn heil te zoeken op het even verder gelegen terras van 't Pleintje. Daar kon ik al na korte tijd een bestelling plaatsen: een flesje water en een Caesarsalade. Het water kwam binnen 5 minuten. De salade was er na een kleine 40 minuten nog steeds niet. Iets in de keuken deed het niet, zei de serveerster die ik ernaar vroeg. Op mijn vraag wat het niet deed, kwam slechts een vaag antwoord. Als ik nog even geduld had, zou mijn salade over 10 minuten klaar zijn. Ik annuleerde mijn bestelling, rekende mijn water af en liep naar mijn fiets. Taverne de Lindelo en In de 7 Saeligheeden liet ik links liggen. Ik had nog 23 kilometer voor de boeg.




22-05-2017

Stanley Brouwn (1935-2017)



Afgelopen vrijdag overleed de kunstenaar Stanley Brouwn. Hij was een van de meest interessante Nederlandse kunstenaars van de laatste 50 jaar. Toen ik in de jaren tachtig assistent was bij Galerie Art & Project zag ik hem weleens. Een vriendelijke, verlegen man, een beetje schichtig zelfs. In mijn roman in wording Het plein en de vos bezoekt de hoofdpersoon een tentoonstelling van hem in het Stedelijk Museum. Het is anders dan de rest van de roman een autobiografische passage. Brouwn was degene die mijn blik op beeldende kunst voorgoed veranderd heeft. Na het zien van zijn overzichtstentoonstelling in het Stedelijk, ergens midden jaren zeventig, was ik flink van mijn stuk. Ik begreep instinctief dat wat ik had gezien van een zeer hoog niveau was. De minimale beelden die ik zag hadden op mij een bijna religieuze uitwerking. Mijn kijk op de wereld was voorgoed anders geworden.

Uit Het plein en de vos:

Onderaan de immense trap die naar de eerste verdieping van het museum leidde, bleef hij stilstaan. Links van hem bevond zich de toegang tot een rij intieme kabinetten. 

Het was er rustig. De weinige bezoekers die er rondliepen, waren verdiept in de laatnegentiende-eeuwse schilderijen. Kabinet na kabinet doorkruiste hij. Na vijf, zes kabinetten bevond hij zich plotseling in een lege zaal. Hij nam plaats op een houten lattenbank die in het midden van de ruimte stond. Het licht was hier van een bijna onaardse schoonheid, zacht en tegelijkertijd heel aanwezig. Terwijl zijn ademhaling weer normaal werd, ontdekte hij, dat in tegenstelling tot wat hij eerst had gedacht, er wel degelijk iets aan de wanden hing. Rijen met lege vellen A4-papier. Toen hij dichterbij kwam, zag hij dat op elk vel papier iets getekend was. Bibberige potloodlijnen die in eerste instantie niets voor leken te stellen. Zoiets had hij nog nooit gezien. De wereld om hem heen was naar de achtergrond verdwenen, alleen hij en die vreemde, ijle tekeningen. Uit een perspex bakje bij de doorgang naar de volgende zaal, pakte hij een stencil met informatie over de kunstenaar. Harry liep terug naar de houten bank en begon te lezen. Dit was heel iets anders dan Zadkine met zijn plumeau, dan Olga met haar tactiele, democratische etsen… Ook deze kunstenaar probeerde de wereld te begrijpen maar zijn uitgangspunt was minder vaag. Hij deed niets anders dan de hem omringende wereld opmeten en de maat die hij daarbij hanteerde, was zijn eigen voetstap. De tekeningen die aan de wanden hingen, had hij niet zelf gemaakt, nee, hij had steeds aan willekeurige voorbijgangers de weg gevraagd en vervolgens of ze dat voor hem met potlood wilden uittekenen.

Een man kwam de zaal binnen, bleef na een paar stappen stilstaan en liep weer weg.
‘Hier is niets te zien,’ zei hij tegen iemand in de andere zaal. 
Was hier inderdaad niets te zien? vroeg Harry zich af. Verbeeldde hij het zich allemaal? Was alles wat hij tot dan toe had meegemaakt niet gebeurd? De voortijdige zaadlozing bij Olga, dat gedoe met Irene, de ruzie met Lucia, zijn vader die ze in de inrichting hadden opgesloten… Had hij het zich allemaal verbeeld?

04-10-2016

DE BASIS VAN MIJN BIBLIOTHEEK



Eind jaren zeventig kon je nog een bankrekening openen zonder dat je je hoefde te legitimeren. Ik had er ook een geopend zodat ze daar mijn studiebeurs op konden storten. Maar nadat ik de huur van mijn kamer had betaald, bleef er nauwelijks genoeg geld over om van te leven. Toch zaten ik en mijn vrienden bijna elke avond tot sluitingstijd in het café. Hoe we er in slaagden ondanks onze financiële toestand regelmatig dronken te worden, ben ik vergeten. Wel herinner ik me nog goed dat we het bijna altijd over boeken hadden. Wij ontdekten aan de lopende band nieuwe boeken. Boeken die onze levens zouden gaan veranderen. Sommigen deden dat ook werkelijk. Zo gaat dat als je een jaar of negentien, twintig bent.
Maar boeken kosten geld. We hadden ze natuurlijk in de bibliotheek kunnen lenen, maar daar hadden we geen zin in. Boeken delen met anonieme mensen… Het idee alleen al.
Op de achterkant van de omroepgids waar mijn ouders op geabonneerd waren, stond iedere week een advertentie van de ECI. Een stuk of dertig omslagen van boeken met de tekst: drie van deze prachtige boeken voor 10,- kies zelf… Meer dan 50,- kado!
Ik weet nog precies welke drie boeken ik uitzocht op een druilerige middag in de zomer van 1977 in de Arnhemse vestiging van ECI: Campert Compleet, de verzamelde verhalen van Remco Campert, Papillon van Henri Charriere en Dokter Zjivago van Boris Pasternak. Ik schrok toen de verkoper mededeelde dat ik vanaf nu wel verplicht was elke twee maanden een boek te kopen, want het aanbod van ECI was in die tijd nogal mager. Het bestond voornamelijk uit omnibussen met streekromans, trilogieën uit Scandinavië, handboeken autotechniek en verantwoorde boeken over erotiek met veel instructieve foto’s. Het was in eerste instantie om onder deze tweemaandelijkse verplichting uit te komen dat ik, toen de verkoper naar mijn persoonlijke gegevens vroeg, een valse naam opgaf.
Een week later ging ik terug. Nadat ik had vastgesteld dat de verkoper van de vorige keer niet aanwezig was, zocht ik opnieuw drie boeken uit. Deze keer drie omnibussen met streekromans. Als ik het me goed herinner zat er iets van Annie Oosterbroek-Dutschun en Jos van Maanen Pieters tussen, destijds de koninginnen van de streekroman.
In een van de zogenaamde betere boekhandels die Arnhem toen nog telde, legde ik even later een van deze drie boeken op de toonbank neer.
‘Gisteren was ik jarig en kreeg ik dit boek van een tante.’ Even liet ik een pauze vallen. ‘Het is niet zo mijn smaak.’
Ik had de juiste snaar bij de boekverkoper geraakt. Hij wierp een minachtende blik op het boek en vertrouwde me toe dat hij blij was dat hij niet zo’n tante had. Ik moest maar iets anders uitzoeken.
Zo ging het ook met de twee andere boeken. En tot het moment dat ze plotseling naar je paspoort vroegen als je je als lid wilde aanmelden, ben ik onder de meest fantastische namen nog lid van de ECI geworden. De basis van mijn bibliotheek was inmiddels gelegd. De keren dat ik werd overvallen door morele twijfels, hield ik mezelf voor dat ik het per slot van rekening allemaal had gedaan voor de literatuur.

(Naar aanleiding van mijn kandidatuur voor de ECI Literatuurprijs 2015 schreef ik op uitnodiging van ECI deze blog over mijn eerste ervaringen met de boekenclub.)