17-04-18

Fragment uit roman in wording Moervos

Nu Daniël. 
Jaren later. Laat middaglicht zette de nieuwbouwwijk in een koperen gloed. 
Overal om hem heen stapelden metselaars steen op steen. In de verte reden de kiepwagentjes van steenfabriek IJsseloord langzaam, volgeladen met verse klei, naar de fabriek. Daar werd de klei gereinigd en in mallen geperst. Daniël had in een uitzending van de schooltelevisie gezien hoe dat in zijn werk ging. De Kollergang kwam eraan te pas. Dat vreemde woord had hij onthouden. Eerst werd met een elektromagneet eventueel metaal uit de klei gehaald. Hoefijzers, stukken buis. De Kollergang was een kleirasp. Daarin werd de klei vervolgens fijngeknepen en door een zeefplaat naar buiten geperst. Niemand in zijn klas had het woord onthouden. Zelfs meester Boerboom niet. Toen hij ‘s avonds aan zijn vader vroeg of hij het woord kende, moest Leonard Keller toegeven dat dit niet zo was. 
‘De Kollergang,’ zei hij terwijl hij zijn zoon goedkeurend aankeek, ‘Kollergang, Kollergang...’ Op het laatst had Leonard het woord bijna gezongen.
Ze zaten op het kleine terras en keken uit op nauwelijks zestig vierkante meter droge klei, hun tuin, omzoomd met schrale ligusterplanten die bedoeld waren ooit een afscheiding te vormen met de belendende tuinen. De klei was omgespit, er was gras gezaaid en vervolgens was de omgespitte aarde met een tuinwals gewalst. De tuinslang werd uitgerold en bevestigd aan de buitenkraan. 
Met een sigaar in zijn mondhoek sproeide Leonard Keller het pas gezaaide gras. Langzaam zoog de harde, droge klei het water op, kleurde grijsgroen. 
Hij draaide zich om naar Daniël en Maria, haalde de sigaar uit zijn mond en keek hen tevreden aan.
‘Kollergang, Kollergang,’ riep hij met luide stem om het ruisende geluid van het neerkomende water te overstemmen.
‘Kollergang,’ fluisterde Daniël hem na.

20-12-17

HET DANTEMEISJE

Op 12 juni 1967 kocht een onbekende man of vrouw bij boekhandel Nisis in Arnhem 'Het dantemeisje' van A. Middeldorp en 'De vreemdeling' van Albert Camus. Hij moest bij de kassa dertien gulden betalen lees ik op de kassabon die ik achter in het boek vond. 






Wat er met het exemplaar van De vreemdeling gebeurd is, weet ik niet. Maar meer dan vijftig jaar later kocht ik bij In 't Pofijtelijk Boeksken in de Wolstraat te Antwerpen voor zeven euro 'Het dantemeisje'. Dat ik het uit de kast van het antiquariaat trok, had alles te maken met dat het omslag ontworpen was door Karel Beunis. 


Ik ben dol op de ontwerpen van Beunis. Allereerst omdat het prachtige staaltjes van typografische perfectie zijn. Maar ook omdat ze voor mij synoniem zijn met de boeken die de Bezige Bij in de jaren zestig uitgaf. Dat waren boeken die je moest lezen, boeken die ertoe deden: Beckett, Claus, Camus, Genet, Campert, Hermans, Mulisch,Schierbeek, Raes, Vestdijk... De lijst is lang. Van Oorschot gaf de Russen uit, de Bezige Bij de rest. Zo overzichtelijk was het toen voor een puber met een flinke leeshonger.
Ik had nog nooit van A. Middeldorp gehoord. Dat ik het boek uiteindelijk aanschafte, had vooral te maken met boekhandel Nisis waar het destijds was aangeschaft. De boekhandel was gevestigd in het een paar jaar eerder opgeleverde winkelcentrum Presikhaaf. Ik woonde daar sinds 1965 vlakbij. In boekhandel Nisis kocht ik op 3 februari 1972 'De verzamelde gedichten' van Gerrit Achterberg van het geld dat ik een dag eerder van mijn grootmoeder voor mijn veertiende verjaardag had gekregen. Vreemd dat je je dat soort dingen blijft herinneren. Ik heb me bij mijn weten destijds nooit afgevraagd waarom de boekhandel de nogal exotische naam 'Nisis' droeg. nu wil ik dat plotseling wel weten. De naam klinkt als de naam van een Egyptische god of godin. Maar daarover vind ik niets. Wel komt plotseling de herinnering aan een felgroen gekleurde leeswijzer naar boven die je daar toen bij je boek kreeg. Daar stond natuurlijk de naam en het adres van de boekhandel op maar ook, denk ik nu, een tekst. Een citaat? Een verklaring voor de naam? Maar wellicht verzin ik dit achteraf en was Nisis gewoon de achternaam van de eigenaar. Op de site Forebears lees ik dat er op de hele wereld slechts acht mensen die naam dragen. De meeste wonen in de Verenigde Staten. Misschien is meneer Nisis een van hen, is hij na de sluiting van zijn winkel geëmigreerd. Die dingen gebeuren. Waarschijnlijker is dat hij al lang geleden kinderloos gestorven. Ook A. Middeldorp is een persoon waarover weinig bekend is. De flaptekst vermeldt dat hij in 1921 in Scherpenzeel is geboren. En dat hij over Gerrit Achterberg publiceerde. Onder andere een studie over diens 'Ballade van de gasfitter'. En dat de literaire kritiek hem naar aanleiding van zijn debuut 'Morgen misschien, twee novellen' omschreef als de auteur 'van de uiterste reduktie'.
Ik stel me voor dat de anonieme koper van 'Het dantemeisje' op die maandag in juni 1967 ook nog overwogen heeft 'De verzamelde gedichten' van Achterberg te kopen. Dat hij daarvan afzag had natuurlijk te maken met de prijs van deze gebonden uitgave van uitgeverij Querido. Die was beduidend hoger dan de zes gulden vijftig die hij vervolgens aan Camus spendeerde. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat er in de nieuwbouwwijk Presikhaaf veel belangstelling voor Achterberg was. Dus is het helemaal niet onvoorstelbaar dat het exemplaar dat deze anonieme koper destijds in handen had hetzelfde was als dat ik een jaar of vijf later aanschafte.

10-07-17

BOEKEN, ETEN en DRINKEN in FORD LILLO

Gisteren fietste ik naar de jaarlijkse boekenmarkt in Ford Lillo. Een klein dorp, ingeklemd tussen de Antwerpse haven, met maar liefst 4 horecagelegenheden. Steven Van Ammel die daar ook met een goed gevulde stand boeken aanwezig was, vertelde me dat het dorp maar 34 inwoners telde. Dat is dus omgerekend 1 kroeg per 8,5 inwoners. 



Bij Van Ammel kocht ik voor 9 euro een deeltje uit de Russische bibliotheek dat sinds lang niet meer leverbaar is: Duizend Zielen van Pisemski. En voor hetzelfde bedrag een mooie uitgave van Humboldts gift van Saul Bellow. Het was er nooit van gekomen deze roman te lezen ondanks vele enthousiaste verhalen van anderen. Voordat ik de terugtocht aanvaarde besloot ik iets kleins te eten. Ik nam plaats op het terras van Het Landshuis. De ober - 'onmiskenbaar een oververmoeide figuur uit het horecabedrijf´ - dwaalde wat stuurloos tussen de tafeltjes. Om zijn goede wil te tonen, nam hij een halfleeg gegeten bord friet van mijn tafel weg, liet de rest staan en verdween. Nadat ik 20 minuten tevergeefs op zijn terugkeer had gewacht, besloot ik mijn heil te zoeken op het even verder gelegen terras van 't Pleintje. Daar kon ik al na korte tijd een bestelling plaatsen: een flesje water en een Caesarsalade. Het water kwam binnen 5 minuten. De salade was er na een kleine 40 minuten nog steeds niet. Iets in de keuken deed het niet, zei de serveerster die ik ernaar vroeg. Op mijn vraag wat het niet deed, kwam slechts een vaag antwoord. Als ik nog even geduld had, zou mijn salade over 10 minuten klaar zijn. Ik annuleerde mijn bestelling, rekende mijn water af en liep naar mijn fiets. Taverne de Lindelo en In de 7 Saeligheeden liet ik links liggen. Ik had nog 23 kilometer voor de boeg.




22-05-17

Stanley Brouwn (1935-2017)



Afgelopen vrijdag overleed de kunstenaar Stanley Brouwn. Hij was een van de meest interessante Nederlandse kunstenaars van de laatste 50 jaar. Toen ik in de jaren tachtig assistent was bij Galerie Art & Project zag ik hem weleens. Een vriendelijke, verlegen man, een beetje schichtig zelfs. In mijn roman in wording Het plein en de vos bezoekt de hoofdpersoon een tentoonstelling van hem in het Stedelijk Museum. Het is anders dan de rest van de roman een autobiografische passage. Brouwn was degene die mijn blik op beeldende kunst voorgoed veranderd heeft. Na het zien van zijn overzichtstentoonstelling in het Stedelijk, ergens midden jaren zeventig, was ik flink van mijn stuk. Ik begreep instinctief dat wat ik had gezien van een zeer hoog niveau was. De minimale beelden die ik zag hadden op mij een bijna religieuze uitwerking. Mijn kijk op de wereld was voorgoed anders geworden.

Uit Het plein en de vos:

Onderaan de immense trap die naar de eerste verdieping van het museum leidde, bleef hij stilstaan. Links van hem bevond zich de toegang tot een rij intieme kabinetten. 

Het was er rustig. De weinige bezoekers die er rondliepen, waren verdiept in de laatnegentiende-eeuwse schilderijen. Kabinet na kabinet doorkruiste hij. Na vijf, zes kabinetten bevond hij zich plotseling in een lege zaal. Hij nam plaats op een houten lattenbank die in het midden van de ruimte stond. Het licht was hier van een bijna onaardse schoonheid, zacht en tegelijkertijd heel aanwezig. Terwijl zijn ademhaling weer normaal werd, ontdekte hij, dat in tegenstelling tot wat hij eerst had gedacht, er wel degelijk iets aan de wanden hing. Rijen met lege vellen A4-papier. Toen hij dichterbij kwam, zag hij dat op elk vel papier iets getekend was. Bibberige potloodlijnen die in eerste instantie niets voor leken te stellen. Zoiets had hij nog nooit gezien. De wereld om hem heen was naar de achtergrond verdwenen, alleen hij en die vreemde, ijle tekeningen. Uit een perspex bakje bij de doorgang naar de volgende zaal, pakte hij een stencil met informatie over de kunstenaar. Harry liep terug naar de houten bank en begon te lezen. Dit was heel iets anders dan Zadkine met zijn plumeau, dan Olga met haar tactiele, democratische etsen… Ook deze kunstenaar probeerde de wereld te begrijpen maar zijn uitgangspunt was minder vaag. Hij deed niets anders dan de hem omringende wereld opmeten en de maat die hij daarbij hanteerde, was zijn eigen voetstap. De tekeningen die aan de wanden hingen, had hij niet zelf gemaakt, nee, hij had steeds aan willekeurige voorbijgangers de weg gevraagd en vervolgens of ze dat voor hem met potlood wilden uittekenen.

Een man kwam de zaal binnen, bleef na een paar stappen stilstaan en liep weer weg.
‘Hier is niets te zien,’ zei hij tegen iemand in de andere zaal. 
Was hier inderdaad niets te zien? vroeg Harry zich af. Verbeeldde hij het zich allemaal? Was alles wat hij tot dan toe had meegemaakt niet gebeurd? De voortijdige zaadlozing bij Olga, dat gedoe met Irene, de ruzie met Lucia, zijn vader die ze in de inrichting hadden opgesloten… Had hij het zich allemaal verbeeld?

04-10-16

DE BASIS VAN MIJN BIBLIOTHEEK



Eind jaren zeventig kon je nog een bankrekening openen zonder dat je je hoefde te legitimeren. Ik had er ook een geopend zodat ze daar mijn studiebeurs op konden storten. Maar nadat ik de huur van mijn kamer had betaald, bleef er nauwelijks genoeg geld over om van te leven. Toch zaten ik en mijn vrienden bijna elke avond tot sluitingstijd in het café. Hoe we er in slaagden ondanks onze financiële toestand regelmatig dronken te worden, ben ik vergeten. Wel herinner ik me nog goed dat we het bijna altijd over boeken hadden. Wij ontdekten aan de lopende band nieuwe boeken. Boeken die onze levens zouden gaan veranderen. Sommigen deden dat ook werkelijk. Zo gaat dat als je een jaar of negentien, twintig bent.
Maar boeken kosten geld. We hadden ze natuurlijk in de bibliotheek kunnen lenen, maar daar hadden we geen zin in. Boeken delen met anonieme mensen… Het idee alleen al.
Op de achterkant van de omroepgids waar mijn ouders op geabonneerd waren, stond iedere week een advertentie van de ECI. Een stuk of dertig omslagen van boeken met de tekst: drie van deze prachtige boeken voor 10,- kies zelf… Meer dan 50,- kado!
Ik weet nog precies welke drie boeken ik uitzocht op een druilerige middag in de zomer van 1977 in de Arnhemse vestiging van ECI: Campert Compleet, de verzamelde verhalen van Remco Campert, Papillon van Henri Charriere en Dokter Zjivago van Boris Pasternak. Ik schrok toen de verkoper mededeelde dat ik vanaf nu wel verplicht was elke twee maanden een boek te kopen, want het aanbod van ECI was in die tijd nogal mager. Het bestond voornamelijk uit omnibussen met streekromans, trilogieën uit Scandinavië, handboeken autotechniek en verantwoorde boeken over erotiek met veel instructieve foto’s. Het was in eerste instantie om onder deze tweemaandelijkse verplichting uit te komen dat ik, toen de verkoper naar mijn persoonlijke gegevens vroeg, een valse naam opgaf.
Een week later ging ik terug. Nadat ik had vastgesteld dat de verkoper van de vorige keer niet aanwezig was, zocht ik opnieuw drie boeken uit. Deze keer drie omnibussen met streekromans. Als ik het me goed herinner zat er iets van Annie Oosterbroek-Dutschun en Jos van Maanen Pieters tussen, destijds de koninginnen van de streekroman.
In een van de zogenaamde betere boekhandels die Arnhem toen nog telde, legde ik even later een van deze drie boeken op de toonbank neer.
‘Gisteren was ik jarig en kreeg ik dit boek van een tante.’ Even liet ik een pauze vallen. ‘Het is niet zo mijn smaak.’
Ik had de juiste snaar bij de boekverkoper geraakt. Hij wierp een minachtende blik op het boek en vertrouwde me toe dat hij blij was dat hij niet zo’n tante had. Ik moest maar iets anders uitzoeken.
Zo ging het ook met de twee andere boeken. En tot het moment dat ze plotseling naar je paspoort vroegen als je je als lid wilde aanmelden, ben ik onder de meest fantastische namen nog lid van de ECI geworden. De basis van mijn bibliotheek was inmiddels gelegd. De keren dat ik werd overvallen door morele twijfels, hield ik mezelf voor dat ik het per slot van rekening allemaal had gedaan voor de literatuur.

(Naar aanleiding van mijn kandidatuur voor de ECI Literatuurprijs 2015 schreef ik op uitnodiging van ECI deze blog over mijn eerste ervaringen met de boekenclub.)

18-08-16

LINKSE BILLEN

Misschien was het ook een beetje teveel van het goede. Twee boeken die min of meer hetzelfde onderwerp behandelen. Eerst De gouden jaren van het linkse levensgevoel van John Jansen van Galen, de geschiedenis van Vrij Nederland en direct daarna Rob van Gennep, uitgever van links Nederland van Geke van der Wal. Genoeg om een achteraf beschouwd nogal benauwde periode in mijn persoonlijke geschiedenis weer erg dichtbij te brengen. Enerzijds moest alles toen kunnen, anderzijds kon er erg veel niet. Op pagina 254 van de biografie van Rob van Gennep lees ik een uitspraak van een oud-werkneemster van hem: 'Leesbaarheid is een rechts begrip.' Dit citaat vat voor mij zo'n beetje alles samen. Niet wat betreft de beide boeken, nee, die munten uit door leesbaarheid. Ik dacht ook nog even aan een nogal feministisch vriendinnetje dat ik eind jaren zeventig had. Op een gegeven moment kreeg ik te horen dat mijn mannelijke geslacht niet langer welkom was in haar schede. Penetratie stond voor haar namelijk gelijk aan imperialisme.
Eergisteren stond ik in de rij voor de kassa van de Albert Heijn aan het Stadionplein. Mijn echtgenote richtte het woord tot mij: 'Willem...' Voordat zij verder kon spreken, draaide de oude heer die voor ons in de rij stond zich als door een bij gestoken om.
'Billen?' zei hij terwijl haar verstoord aankeek.
'Heet u soms ook Willem,' vroeg mijn echtgenote nietsvermoedend.
'Nee,' zei de man, 'waarom vraagt u dat?'
Ik hield me er verder buiten. Stelde slechts vast dat Rinus Ferdinandusse er voor zijn leeftijd nog goed uitzag. Uit het boek van Jansen van Galen wist ik dat hij inmiddels 84 was. Dat zou je hem niet geven.

01-07-16

Met Ton Verstegen in de woonkamer van mijn grootouders







Gisteravond was ik op de boekpresentatie van 'Rogge en Wilde rijst' van Ton Verstegen. In alle opzichten een enerverende ervaring. Ten eerste natuurlijk vanwege het afwisselende en zeer goed geschreven boek van Verstegen waarin hij de persoonlijke geschiedenis van zijn Oost-Brabantse familie combineert met het lot van de Menominee-indianen in Wisconsin. Maar ook de plek waar de presentatie plaatsvond, was bijzonder voor mij: de boekensalon van Hijman Ongerijmd in Arnhem. Op die eerste etage woonden mijn grootouders van 1945 tot halverwege de jaren vijftig. 'Rogge en wilde rijst' werd dus eigenlijk gepresenteerd in de woonkamer van mijn grootouders. Zij kregen dit huis toegewezen omdat hun eigen huis was verwoest tijdens De Slag om Arnhem. De vorige bewoner was A.F. Hollaar geweest,de NSB-burgemeester die om voor de hand liggende redenen de stad had moeten verlaten. Als kind speelde ik met een leren kaartentas (zie beneden 6) die mijn vader in het huis had gevonden. Saillant detail: in het leer van de flap was in reliëf het embleem van de SS aangebracht.