22-03-12

NOTITIES VAN EEN VUURMEESTER

Vanmorgen zitten lezen in Notities van een vuurmeester. Deze kleine dichtbundel van MENNO WIERINGA is vorig jaar verschenen bij uitgeverij Flanken in Arnhem. Zo ver ik kan achterhalen is het zijn derde bundel. De vorige werd in ieder geval ook uitgegeven bij Flanken.

Het zijn op het eerste gezicht eenvoudige gedichten. De dichter hoeft het niet te hebben van grote woorden.
Wieringa beschrijft alledaagse gebeurtenissen. Beelden roepen herinneringen op. Hij registreert de veranderingen in zijn eigen leven en dat van anderen:

De meesten zijn gek
Of leven niet meer

De vaart van het leven
Verandert van gang


Het zijn ook trage gedichten. Beter gezegd: ze lijken de werkelijkheid te vertragen en zetten die in een melancholiek licht.

Een greppel in de mist
Verlaten huizen
Resten van plantages
Een gewonde boom


Een mooi ingetogen gedicht is dat over de kunstenaar Gerard Bilders (1838-1865), een voorloper van de Haagse school die een groot deel van zijn korte leven doorbracht in het dorp Oosterbeek. Niet meer dan vier regels heeft Wieringa nodig om zijn einde te beschrijven:

Nauwelijks volwassen
Is het afgelopen

Het houthakkersdorp in het forêt
De Fontainebleau heeft hij nooit gezien

Helaas volgt er dan nog een regel die wat mij betreft weggelaten had mogen worden:

Mijn dorp heeft een weggetje naar hem vernoemd

Hiermee ontkracht hij het einde. Alsof hij zich schaamt voor de melancholie die het gedicht oproept.

Wieringa’s poëzie is niet aan één plaats gebonden. Er wordt veel in gereisd. Soms vlakbij zijn woonplaats Arnhem, soms in het buitenland. Maar waar de reis hem ook heen leidt, hij waagt zich nooit aan speculaties. Je zou ook kunnen zeggen dat hij ondanks zijn verplaatsingen toch dicht bij huis blijft. Hij registreert en legt vast.

Aan de overkant de bergtoppen
Van Frankrijk

Er hoeft niets meer te gebeuren
Mijn sigaret mag eeuwig duren


Deze gedichten zijn stoutmoedige pogingen kostbare momenten vast te leggen. Alsof dat mogelijk is. Natuurlijk niet, dat weet elk verstandig mens. Maar dichters zijn godzijdank geen verstandige mensen.

Menno Wieringa, Notities van een vuurmeester, uitgeverij Flanken, Arnhem, 2011

10-11-11

MARK CLOOSTERMANS HEEFT EEN MENING

Dit schrijft criticus en moraalridder Mark Cloostermans vandaag op zijn Facebookpagina:

'De Standaard der Letteren publiceert vandaag (en niet voor het eerst) een recensie van Willem van Zadelhoff die ook op de Reactor staat. De Reactor, dat "platform" waar de hooghartige afkeer voor de klassieke media uit haast elke tekst gutst. Het was me al eerder opgevallen en het het had me al eerder gestoord en vandaag moet het er maar eens uit: dit van twee walletjes eten is immoreel.'

ik zou dus van twee walletjes eten... Inderdaad, er staat vandaag een recensie van mij over Wat nu, kleine man? van Hans Fallada in de Standaard der Letteren. Over hetzelfde boek publiceerde ik een paar weken geleden ook een bespreking op De Reactor.

Zoals Cloostermans al aangeeft in zijn reactie verschillen beide media nogal van elkaar. De Standaard der Letteren bedient een breed in boeken en literatuur geïnteresseerd publiek. De recensies zijn korter en dientengevolge ook minder diepgravend dan die van De Reactor. Daar is niets mis mee. Ze hebben beide bestaansrecht. Het is nu eenmaal een feit dat het medialandschap aan verandering onderhevig is. Dingen die vroeger in de krant vanzelfsprekend waren, zijn dat niet meer. Dat heeft natuurlijk veel met marketing en aanverwante zaken te maken. Dat Cloostermans De Reactor een hooghartige afkeer voor de klassieke media aanwrijft verbaast dan ook. Maar ja, ieder leest wat hij wil lezen. Daar is al heel wat behartigenswaardigs over geschreven in de psychologische handboeken.

Maar erger is dat hij beweert dat ik dezelfde recensie tweemaal heb gepubliceerd. Het betreft twee volkomen verschillende recensies. Dat wordt heel snel duidelijk als je de moeite neemt ze te lezen. Cloostermans heeft dit overduidelijk niet gedaan. Dat roep vragen op over zijn eigen recensiepraktijk. Leest hij de boeken die hij bespreekt wel? Ik herinner me een bespreking van zijn hand over de roman Noem het middernacht van Johan De Boose. Dat vond hij geen goed boek en daar was hij meer dan duidelijk in. Hij noemde het een oeverloos, saai en pompeus non-verhaal: 'zo'n boek waar ernstige literatuurliefhebbers een stijve pielemuis van krijgen'.

Maar het meest verontrustend was de laatste alinea van zijn bespreking:

Noem het middernacht is een dichtgewoekerde tuin van zinloze details. Twee weken heb ik geprobeerd dit boek uit te lezen. Op bladzijde 170 ben ik finaal gestrand, Hugo Claus parafraserend: 'Genoeg zeg ik, tegen de roman die tussen geeuw en gruwel staat'.

Cloostermans heeft dus een mening maar tegelijkertijd geeft hij toe dat hij het boek maar voor tweederde heeft gelezen. Dat noem ik immoreel. Mij overkomt het ook regelmatig dat ik een boek niet uitlees. Als ik eerlijk ben moet ik zelfs toegeven dat ik de meeste boeken waar ik in begin niet uitlees. Maar daar schrijf ik dan ook niet over. Dat is fatsoen. Dat behoort tot de deontologie van een recensent.

Dus lees, Cloostermans, voordat je oordeelt. Anders kun je beter je mond houden. Iemand die alleen de koppen leest heeft de krant niet gelezen.

En nog iets anders: ik schrijf bij voorkeur recensie over boeken waar ik enthousiast over ben. Wat nu, kleine man? is zo'n boek. Ik ken het niet voor niets 5 sterren toe. En ik zal van elk medium gebruik maken om mijn enthousiasme over dit boek uit te venten. Daar is helemaal niets mis mee. En immoreel is het al helemaal niet.

07-09-11

WIJ WAARSCHUWEN CHINA VOOR DE LAATSTE MAAL


In China hebben ze een boekenbeurs gehouden. Een hele grote naar het schijnt. En Nederlands was gastland. Nu lopen in dat land een heleboel zaken niet helemaal zoals ze zouden moeten lopen. Beter gezegd: zoals wij vinden dat ze zouden moeten lopen. Vrijheid van meningsuiting is daar bijvoorbeeld niet zo vanzelfsprekend. Denk maar aan wat ze met Ai Weiwei gedaan hebben en nog steeds doen.
Maar China is tegelijkertijd ook een enorme groeimarkt. Dus werd er gretig ingegaan op deze uitnodiging. Daar is op zich helemaal niets mis mee. De kachel moet branden ook bij uitgevers en schrijvers. Bertolt Brecht schreef het al in zijn Dreigroschenoper: ‘Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral’.
Met die ‘Moral’ is het nogal vreemd gesteld. Toen eenmaal duidelijk was wie er allemaal in de delegatie zat die Nederland in China zou gaan vertegenwoordigen begon het gedonder. Amnesty wilde dat de leden van de delegatie allemaal een speldje droegen. Weer anderen vonden dat ze helemaal niet moesten gaan. Nog weer anderen dat ze wel moesten gaan maar wel de Chinese hoogwaardigheidsbekleders duidelijk en onverschrokken in hun gezicht zeggen dat ze het niet eens waren met hun beleid. Enfin, iedereen begon door elkaar te roepen. Er werden intelligente argumenten aangevoerd waarom je dit wel en dat juist niet moest doen. We hoorden en lazen natuurlijk ook erg veel domme dingen. Dat kan ook niet anders. Iedereen voelde zich aangevallen en schoot gelijk in de verdediging. Één ding was al vanaf het begin duidelijk: geen enkele Chinese dissident schoot er ook maar iets mee op. Het was zoals wel vaker een typische Nederlandse ideeënstrijd.
‘Wij waarschuwen China voor de laatste maal’ kopte De Telegraaf eind jaren dertig op de voorpagina. Veel is er blijkbaar niet veranderd in Nederland.
Ik moest denken aan Karel van het Reve. In 1967 en 1968 was hij correspondent voor Het Parool in Moskou. Hij schafte zich een bontmuts aan en ging als Rus onder de Russen onopvallend over straat. Hij droeg bijvoorbeeld geen speldjes van Amnesty. Maar dronk wel thee met dissidenten als Andrej Amalrik, Pavel Litvinov en Andrej Sacharov in schemerige achterkamertjes en smokkelde hun manuscripten het land uit. Het werk van Sacharov is dankzij Van het Reve trouwens in het Westen bekend geworden. Kijk, aan zo iemand hadden ze nog eens wat. Achteraf bekeken is het eigenlijk helemaal niet verwonderlijk dat J.M.A. Biesheuvel korte tijd gedacht heeft dat Karel God was.

25-08-11

GEZWETS UIT EEN HONINGPOT


http://www.blogger.com/img/blank.gif
Op zijn blog De Honingpot wijdt Marc Kregting een bespreking aan de uitgave Beste Buren van Uitgeverij Luster. Hij wijdde ook enkele woorden aan mijn bijdrage Het geratel van de rolluiken:

"Ik heb me bij het doornemen van Beste buren menigmaal in de ogen gewreven dat een keur uit de artistieke wereld doodleuk voorbijgaat aan het basale onderscheid van taal. (….) Ja, Willem van Zadelhoff rakelt het taalfacet op, maar schijnbaar om nominaties die hij wel en niet misliep op te voeren. Dit is extra treurig door de presentatie van de auteurs, niet op grond van wat ze hebben gedaan maar volgens het ingeburgerde hyperventilatieschema van welke prijzen ze gewonnen hebben. In dit geval dus een herhaling, die wellicht de grondslag van dit boek is."

Dit is wel erg kort door de bocht. Die man kan niet lezen, zou je als verzachtende omstandigheid kunnen aanvoeren. Maar Marc Kregting kan juist erg goed lezen. Op onvolprezen wijze heeft hij destijds mijn eerste roman geredigeerd. God, wat kan die man goed lezen, dacht ik vaak als ik toen zijn opmerkingen over mijn manuscript las. Dus als iemand als Marc Kregting dit uit mijn bijdrage haalt, dan zet dat je aan het denken. Want iedereen die Het geratel van de rolluiken heeft gelezen kan niet anders dan constateren dat deze tekst gaat over veel meer dan literaire prijzen alleen. Ik refereer aan de Vlaamse Debuutprijs (die ik ben misgelopen omdat ik wel in Vlaanderen woonde maar geen Vlaming was) om iets te illustreren. Namelijk dat ik, hoe ik ook mijn best doe, nooit en te nimmer als Vlaming zal worden geaccepteerd. Ik zal altijd een “Hollander” blijven. En als ik even later de Herman de Coninckprijs voor het beste poëziedebuut ter sprake breng, die ik wel won, dan doe ik dat om te laten zien dat nationalistische kortzichtigheid niet overal in Vlaanderen heerst. Dus als Marc Kregting mijn tekst niets anders wil lezen dan als de jeremiade van een verzuurde allochtoon dan getuigt dat van kwade wil. Want zoals gezegd: Marc Kregting kan heel goed lezen. In ieder geval kan hij beter lezen dan schrijven. Kromme zinnen lijken zijn specialiteit. Deze bijvoorbeeld: “Op dat negeren is een spreekwoordelijke uitzondering, Joke van Leeuwen in misschien wel de meest adequate bijdrage aan het geheel – die twee jaar geleden reeds werd gepubliceerd.”
Het kan natuurlijk ook gewoon zijn dat hij niet meer zo goed kan lezen als vroeger. Die dingen komen voor, heb ik mij door een bevriende neuroloog laten vertellen.

27-06-11

ISMAIL KADARE


Vandaag moest ik om duistere redenen plotseling aan de Albanese schrijver Ismail Kadare denken. Meer dan een jaar geleden mocht ik hem voor De Standaard interviewen. Door schade en schande wijs geworden informeerde ik van tevoren bij zijn uitgeverij of de heer Kadare Engels of Duits sprak. De dame van de uitgeverij stelde me gerust. De gelauwerde Albanees sprak beide talen uitstekend. Toen ik me een paar dagen later aan Kadare in het Engels voorstelde, betrok zijn gezicht en blafte hij mij in een schor en rudimentair Frans toe dat hij slechts Albanees, Russisch en een beetje Frans sprak. Het werd een rampzalig gesprek. Een paar weken later ontmoette ik iemand die Kadare eens een lezing in het Engels had horen geven. En na afloop had hij ook nog vragen uit het publiek beantwoord.

Kadare spreekt in DSL

01-06-11

KOEN RYMENANTS IN ONS ERFDEEL OVER “GA NIET WEG” EN DE “HOLLE HAVEN”- TRILOGIE VAN WILLEM VAN ZADELHOFF

HET MODERNISME ALS GEVAARLIJKE FANTASIE


Ga niet weg, het recentste boek van Willem van Zadelhoff (Arnhem, 1958), is een intelligente ideeënroman over de moeizame verhouding tussen nostalgie en vooruitgangsgeloof. Die spanning wordt bijzonder concreet in de houding van de personages tegenover moderne architectuur. De hoofdfiguur Robert Kats breekt met zijn vrouw Hester wanneer ze hem niet wil volgen naar zijn droomhuis, een modernistisch pand vol licht en lucht. Het symboliseert voor hem het optimisme van de naoorlogse Wederopbouw, maar in haar ogen is het niet meer dan “een kubus, een aquarium” in een onherbergzame omgeving waar het “altijd waait”: de Westelijke Tuinsteden van Amsterdam. Daartegenover staat de Jordaan, de oude volkswijk waar het stel woont. Zij vindt er geborgenheid en ouderwets Hollandse gezelligheid, voor hem is de buurt synoniem met bedompte duisternis en de kitsch van sentimentele schlagerzangers. Robert koopt het huis ondanks Hesters tegenstand en gaat er alleen wonen. Hoe definitief het afscheid in feite is, wordt pas op de laatste bladzijde van de
roman onthuld. Veel sneller al wordt duidelijk dat de tegenstelling tussen oud en nieuw minder helder is dan ze lijkt. Niet alleen is Roberts huis het voormalige optrekje van de Jordanese volkszanger Willy Alberti, het weghalen van het bloemetjesbehang en het witten van de muren blijken ook onvoldoende om het verleden buiten de deur te houden. Zo herinnert Robert zich zijn grootvader van moederskant, een Amsterdamse bloemist met een passie voor Johnny Jordaan, en beseft hij gaandeweg dat zijn architecturale voorkeur ingegeven wordt door heimwee naar vroeger. Dat wil zeggen: naar zijn jeugd, toen het pas verworven huis nog écht nieuw en eigentijds was.
Ook de Berlijnse kunsthistorica Karoline Kwatta, die Robert in Amsterdam komt opzoeken, krijgt te maken met de spanning tussen modernisme en traditie. Haar net afgeronde proefschrift gaat over de ontstaansgeschiedenis van de Freischwinger, de achterpootloze buisstoel. De discussie over het geestelijke vaderschap van dat revolutionaire ontwerp is bekend: komt het toe aan de Nederlander Mart Stam of aan de Hongaar Marcel Breuer? In de fictionele wereld van Willem van Zadelhoff – zie zijn debuutroman Een stoel (2003) – komt het prototype van de Freischwinger voort uit een samenwerking van beide Bauhaus-architecten. De vader en grootvader van Robert Kats speelden daarbij een belangrijke rol, en daarom komt Karoline Kwatta hem haar boek aanbieden. Daarna wil ze zich bezighouden met de achttiende-eeuwse Amsterdamse architect Jan Bouman, die Potsdam van een op de Jordaan geïnspireerd Holländisches Viertel voorzag. Die keuze voor een uitgesproken historisch onderwerp lijkt een forse koerswijziging, maar ook dat blijkt schijn, tenminste volgens haar vroegere geliefde en leermeester Bernhard Mörtenböck. Hij is namelijk van mening “dat de kiem voor het Nieuwe Bouwen in de jaren dertig van de achttiende eeuw door Jan Bouman was gelegd”.
Ga niet weg toont dus de twee gezichten van de geschiedenis. Enerzijds verschijnt ze als een opeenvolging van vernieuwingen, anderzijds bestaat er een vaak onvermoede continuïteit tussen het heden en wat geweest is. Van Zadelhoff belicht die dubbelheid niet alleen in boeiende essayistische passages over architectuur, maar laat ook zien hoe ze het leven van zijn personages bepaalt. Robert komt tragisch ten val doordat hij voortdurend de breuk benadrukt en de continuïteit miskent, zoals hij uiteindelijk ook zelf beseft: “Alles wat ik altijd als vooruitgang heb gezien, is in werkelijkheid niet meer dan een vlucht.” Dat uitgerekend hij als geschiedenisleraar aan de kost komt, geeft daaraan een ironische toets. Na de breuk met Hester volgt die met zijn Turkse leerlinge Dilhan, die hij in zijn nieuwe huis studieruimte had geboden. Zij komt om het leven in een steekpartij waarbij Robert zelf ernstig gewond raakt. De liefhebber van licht en lucht eindigt halfblind en met een beschadigde long; het huis wordt te koop gezet. De ware toedracht van de aanslag blijft lang in het ongewisse, zodat de tweede helft van Ga niet weg de allure van een thriller krijgt. Van Zadelhoff drijft de spanning geraffineerd op door Robert en Karoline afwisselend als ik-verteller op te voeren, waarbij ze hun eigen gissingen afwegen tegen die van de politie en van derden.
Karoline wil haar betrokkenheid bij Robert (inclusief een onenightstand van jaren terug) het liefst achter zich laten, maar ook zij wordt ingehaald door het verleden. Robert ziet een zo direct verband tussen zijn persoonlijke ondergang en zijn als het ware erfelijk bepaalde voorliefde voor het modernisme, dat hij naar Berlijn afreist om Karoline ertoe te bewegen haar proefschrift te herschrijven: “Ze zal in haar Gerrit und Frederik Kats und ihre Bedeutung zur Entwicklung des Freischwingers duidelijk moeten maken dat het een boek over fantasten is, niet over dromers, nee, over gevaarlijke fantasten, die als het erop aankomt over lijken gaan.”
Hij probeert Karoline ervan te overtuigen dat de tweedelige structuur van haar boek ontoereikend is: “Het eerste deel behandelt de periode voor de oorlog, het tweede deel de periode na de oorlog. Je slotconclusie komt veel te vroeg. Er moet nog een derde deel geschreven worden.” De parallel met de romantrilogie Holle haven, waarvan Ga niet weg het sluitstuk vormt, is duidelijk: het hierboven genoemde eerste deel Een stoel handelde over het interbellum, Holle haven (2006) over de Tweede Wereldoorlog. De familie Kats, Karoline Kwatta en Bernhard Mörtenböck kwamen ook in die eerdere delen al voor, en er lopen dan ook talloze lijnen tussen de drie romans. Zo stelt Robert net als zijn grootvader zijn relatie op de proef met een modern huis als inzet, en vertoont zijn Pygmalion-houding ten opzichte van Dilhan overeenkomsten met het huwelijk van zijn ouders. Toch lijkt het al te eenvoudig om de trilogie te lezen als een pleidooi voor de afwijzing van het modernisme waar Robert uiteindelijk toe komt. Ten eerste is hij als verteller te onbetrouwbaar om zijn interpretatie zonder meer over te nemen, ten tweede is Van Zadelhoff zelf bepaald niet vervreemd van de modernistische erfenis. Het traditionele stramien van de romantrilogie – drie boekdelen, drie generaties – wordt gecompliceerd door een subtiel spel met tijdsniveaus, vertelstandpunten, feit en fictie. “Een verhaal, een samenhang lijkt te ontbreken”, bedenkt Karoline ergens, maar dat leidt eerder tot een voortdurende zoektocht naar samenhang dan tot een postmoderne woekering van verhalen en beelden. Van Zadelhoffs stijl is sober en glashelder, en spiegelt in die zin de architectuur waarover hij schrijft, maar komt allerminst karig over. Hij slaagt er integendeel feilloos in telkens het juiste detail op de meest precieze manier uit te lichten. Zo ontstaat een coherent netwerk van motieven: terugkerende zintuiglijke indrukken en voorwerpen (een ring, een hoofddoekje), maar ook een breed gamma aan culturele verwijzingen, van de historicus Huizinga tot de sixties-meidengroep Reparata and the Delrons. Van Zadelhoff geeft een uitermate breed complex aan thema’s gestalte in een beknopte roman, zonder daarbij in te boeten aan scherpte of nuance. Ideeën over geschiedenis, kunst en familie, maar bijvoorbeeld ook over het onderwijs en de islam, worden op een onnadrukkelijke, maar nooit wazige manier met elkaar in verband gebracht. Ook de relaties tussen de trilogie en Van Zadelhoffs overige werk intrigeren: zo duikt Frederik Kats op in de roman Vuur stelen (2008) en bevat zijn bundel Tijd en landen (2008) gedichten met titels als ‘Architect (op modernistische wijze)’ of ‘Veel licht en lucht’.
Ga niet weg is dan ook veel meer dan een obligate afsluiting van wat in Een stoel en Holle haven werd begonnen, al krijgen vooral de slotbladzijden een extra resonantie voor wie de eerdere boeken kent. Willem van Zadelhoff heeft de afgelopen zeven jaar een van de boeiendste oeuvres in de actuele Nederlandstalige literatuur neergezet. Ga niet weg rondt een eerste fase daarvan af en doet verlangen naar wat komen gaat.

WILLEM VAN ZADELHOFF, Ga niet weg, Meulenhoff|Manteau,
Antwerpen, 2010, 201 p.
WILLEM VAN ZADELHOFF, Holle haven, Meulenhoff|Manteau,
Antwerpen, 2006, 160 p.
WILLEM VAN ZADELHOFF, Een stoel, Meulenhoff|Manteau,
Antwerpen, 2003, 141 p.

Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel 2011/2.

12-05-11

ELS DOTTERMANS SPEELT CLAUS

Een bruid toont ons de wereld door de ogen van een kind, een boos kind dat niet dichterbij durft te komen. En juist die afstand maakt het drama zo schrijnend. Maakt ons tot voyeurs en daardoor het drama zowel briljant als tenenkrommend! Een bruid is een invuloefening. Aan de acteurs hoe dat te doen. Alles is mogelijk: van kleurpotlood tot etsnaald.
De ingrediënten: vader en moeder Pattini, hun dochter en hun zoon. Een tot de marginaliteit vervallen gezin. En dan is er nog nicht Hilda. Zij is de buitenwereld, op haar vestigen de ouders alle hoop. Misschien dat ze haar kunnen koppelen aan de zoon. Dat zou een zorg minder zijn. Maar de band tussen broer en zus is erg hecht, op het incestueuze af.
Els Dottermans, die de moeder speelt, kan veel, zo niet alles, maar is gelukkig geen virtuoos. Virtuozen blijven steken in hun techniek. Nee, Dottermans is de rol die ze speelt. Dat het haar moeite of inspanning kost, zie je niet. Met dat soort futiliteiten valt ze haar publiek niet lastig. Yves Desmet noemde deze voorstelling in De Morgen ‘de grote Els Dottermans-show’. Hij voegde eraan toe dat het niet denigrerend bedoeld was, maar toch. Zo’n opmerking suggereert dat het Dottermans vooral om Dottermans te doen is. Maar Dottermans heb ik nauwelijks gezien in deze voorstelling. Wel Madeleine Pattini.

Terwijl in de verte het gekras van de etsnaald klinkt en iedereen zich letterlijk meer en meer blootgeeft, verschanst de getergde moeder zich in haar pelsjas en wordt ze naakter en naakter. Haar geschreeuw, gekrijs verstomt langzaam. Wat een onbeschrijfelijk verdriet wordt daar zichtbaar. Daar staat niet langer een mens. Daar staat een weerloos dier, naakt en stamelend. Oorverdovend stamelend. De pels is haar vacht geworden. Er is niet meer nodig dan een nauwelijks zichtbaar trekken van haar mond om het publiek doodstil te krijgen.
En Claus keek toe. Een foto van hem stond op de vloer tegen de achterwand, half verscholen achter lege schilderijlijsten. Met die donkere bril zag hij eruit als een personage uit een stuk van Samuel Beckett. Was hij het niet die zei: ‘Try, fail! Try again, fail better?’ Want dat is acteren: proberen, falen ... elke avond opnieuw ... beter en beter.

geschreven voor REKTO:VERSO, Nr. 47 / mei - juni 2011 / Dossier: Ambacht

foto: © Phile Deprez