05-12-08

ZONDER BOEKEN


Vorig jaar hebben we ons huis verkocht maar we kunnen nog niet in ons nieuwe appartement. Sinds begin augustus trekken we als nomaden van het ene gemeubileerde appartement naar het andere. Onze bezittingen zijn opgeslagen in een container op een industrieterrein buiten Antwerpen. Ook mijn boeken. Voordat ik ze inpakte, heb ik er zeshonderd verkocht. In die geklimatiseerde container liggen mijn resterende tweeduizend boeken.
Alleen het hoogstnoodzakelijke sleep ik met me mee: Het juiste woord, het Groot woordenboek van synoniemen, Schrijfwijzer van Jan Renkema en het Verklarend computerwoordenboek. Het Van Dale groot woordenboek van de Nederlandse taal staat op de harde schijf van mijn laptop.
Het leek me een interessant experiment een tijd zonder boeken te leven. Er zijn zoveel mensen die dat doen. Ik ken mensen die buitenproportioneel gelukkig zijn en toch nooit een boek lezen, laat staan er een in huis hebben. Misschien heeft het een wel met het ander te maken.
Ik heb altijd beweerd dat boeken een elementaire levensbehoefte zijn. Zoals eten, drinken en kleding. Daarom mocht mijn dochter elk boek dat ze begeert, kopen. ‘Wacht maar tot je verjaardag,’ hoor je vaak ouders tegen hun kinderen zeggen als je in een boekhandel bent. Wat een onzin, dacht ik dan. Ze zouden jullie uit de ouderlijke macht moeten ontzetten. ‘Mama, ik heb zo’n honger...’ ‘Wacht maar tot je verjaardag.’
Misschien hebben ze wel gelijk, denk ik nu en zeggen ze dat omdat ze het beste met hun kinderen voorhebben.
Een half jaar zonder boeken dus. Nou ja, met zo min mogelijk boeken. ... Ik schrijf recensies en krijg elke week boeken toegestuurd. Ik nam me voor geen boeken meer te kopen. Waarom zou ik ook? Ik heb al nauwelijks tijd de mij toegezonden boeken te lezen.
En kranten en tijdschriften? Ook alleen het hoogstnoodzakelijke. Hoe vaak overkomt het me niet dat halverwege de week de stapel weekendkranten nog ongelezen naast de sofa ligt?
Het hoogstnoodzakelijk dus... Ik woon al vijftien jaar in België. Ik wil dus op de hoogte blijven. De ene dag koop ik De Morgen, de andere dag De Standaard en in het weekend allebei. Op woensdag komt daar nog Knack bij. Omdat ik Nederlander ben koop ik afwisselend De Volkskrant en NRC/Handelsblad. In het weekend koop ik ze allebei. Weekbladen? Soms Vrij Nederland, dan weer De Groene Amsterdammer. Aangezien ik Duitstalige literatuur recenseer, lees ik ook nog de Frankfurter Algemeine Zeitung, Neue Zürcher Zeitung en Die Zeit.
Ik denk dat ongeveer tachtig procent van de papierbak in ons appartementencomplex door mij gevuld wordt. ‘Denk toch aan de gevolgen voor het regenwoud,’ hoor ik het stemmetje in mijn hoofd zeggen. ‘Ja, maar ik rijd geen auto,’ antwoord ik dan. Zo is het evenwicht weer hersteld.
Natuurlijk hoef ik die kranten en tijdschriften niet te kopen. Ik kan ze ook op internet lezen. Is het onverantwoorde nostalgie dat ik zo’n behoefte heb aan papier?

Van mijn voornemen het een halfjaar zonder boeken te stellen, is weinig terechtgekomen. Om mij heen stapels boeken, kranten en tijdschriften. Er ontstaat zoiets als een bibliotheek. Daar ligt een stapel romans die ik moet recenseren, daarnaast een aantal fotoboeken. In de vensterbank liggen de woordenboeken en naslagwerken. Naast mijn bed liggen tientallen dichtbundels. En de romans die ik niet moet recenseren maar wel wil lezen: In het café van de verloren jeugd van Modiano, De tijd die nodig is van Grøndahl en Neergang van Benjamin Black. In Rotterdam kocht ik onlangs The craft of lyric writing van Sheila Davis. Niet dat ik van plan ben op liedteksten te gaan schrijven maar ik kan nu eenmaal geen boekwinkel verlaten zonder iets te kopen. En: je kunt nooit weten!
Ik maak mezelf wijs dat ik zonder boeken niet kan functioneren; echte boeken, papieren boeken. Digitale boeken zijn aan mij niet besteed. Maar de opmars van het e-book is niet meer te stuiten. Het zal er komen en ik zal er aan wennen. Ik heb ook jarenlang gedacht dat ik niet zonder sigaretten zou kunnen functioneren en ik rook nu al vijf jaar niet meer.
Laten we eerlijk zijn: niet alle boeken verdienen het als papieren boek te worden uitgegeven. Vaak is het de waan van de dag die uitgeverijen doet besluiten iets uit te geven. Maar moet daar papier aan gespendeerd worden? Steven Sterk, handelaar in ‘kwaliteitsramsj’ verbaast zich dat er nog steeds mensen zo geschokt reageren wanneer er boeken in de ramsj terechtkomen: ‘Als er teveel waspoeder geproduceerd is, wordt het toch ook gedumpt.’
Het boek is me te dierbaar om als goedkope handelswaar te dienen. Toch is dat de realiteit. Het boek is een product als alle anderen. In de beeldende kunst is dat bij veel kunstenaars zelfs hun thematiek geworden. Kijk naar Damien Hirst. Dure handelswaar weliswaar, maar toch...
Als je in de wereld van de beeldende kunst nostalgisch omkijkt, wordt je niet serieus genomen. Misschien kunnen wij daar iets van leren. Ik geloof niet dat het boek zal verdwijnen. Het schilderij is ook al vele malen dood verklaard en even zovele malen weer in ere hersteld. Maar om uit je as te kunnen herrijzen moet je eerst sterven.
Ik kan op mijn televisie bijna zestig kanalen ontvangen. Toch kijk ik steeds minder. Af en toe koop ik een dvd van een van mijn favoriet films. De stapel wordt geleidelijk groter. Af en toe speel ik er een af. Soms alleen maar een bepaalde scene. Misschien moet het in de toekomst ook zo met boeken: pulp als e-book en het betere werk als papieren boek. Dan krijg je natuurlijk weer de vraag wie bepaalt of iets kwaliteit heeft. Heel simpel: mensen die er iets van afweten.

17-11-08

BART VAN LOO OVER WILLEM VAN ZADELHOFF




Wie is Willem van Zadelhoff? Het antwoord is eenvoudig. Willem is een van de beste romanciers uit ons taalgebied. Een eenvoudig, maar helaas nog te weinig bekend antwoord. Daarom herhaal ik mijn vraag, en probeer ik die vervolgens urbi et orbi grondig te beantwoorden. Omdat de stad en de wereld er recht op hebben.

Wie is Willem van Zadelhoff? Willem werd in 1958 als zoon van een uitgetreden priester en een stukadoorsdochter in Arnhem geboren. Hij oefende de meest uiteenlopende jobs uit vooraleer hij zich geroepen voelde om de wereld te verblijden met magnifieke romans. Hij was werkzaam in de zwakzinnigenzorg, het bankwezen, de porseleinhandel, het theater, de televisiewereld en schitterde ook korte tijd als portier in een kunstgalerij. Je zou alleen al schrijver worden om dat op de achterflap van je boek te zetten. Willem verliet Arnhem voor Amsterdam en strandde uiteindelijk in Antwerpen waar uitgever Harold Polis bijna van zijn stoel viel toen hij het manuscript van Willems eerste roman onder ogen kreeg.

Op de boekenbeurs van 2006 zat een man samen met zijn dochter te signeren. Vestimentair viel niets op hem aan te merken. De stijlvolle broek en trui zaten hem als gegoten, de schoenen waren subtiel gekozen en glansden. “Die man koopt niet bij de C&A”, dacht ik. Hij droeg ook een uit de kluiten gewassen zwarte bril. Een tikkeltje Rive Gauche. Willem, zo zou ik leren, is altijd tiré à quatre épingles. Dat is evenwel geen bestudeerde houding. Het is spontane perfectie. Een beetje zoals zijn boeken. Ook die hebben verdraaid veel weg van spontane perfectie. Al denk ik dat Willem over zijn boeken langer nadenkt dan over zijn broeken.
Ik zat naast hem te staren naar een stapeltje van mijn boeken. Het typische novembergevoel van de Vlaamse auteur maakte zich van mij meester. Af en toe keek ik bewonderend naar de piekfijn uitgedoste man naast me. Ik kende hem niet, maar las zijn naam op de romans die voor hem lagen. Toen vertelde ik hem dat hij het mooiste pseudoniem uit de Nederlandse literatuur had. Willem van Zadelhoff. Zijn ogen fonkelden, en zijn mond trok zich wat scheef. “Het is mijn echte naam”, sprak hij.
Op die ellendige novemberavond viel een stevige motregen die de dappersten van de Jan Van Rijswijcklaan veegde. Maar wij bleven staan. Boven ons hing de beschermende schaduw van Honoré Balzac. Samen met die van Harold Polis. Bien étonnés de se trouver ensemble. Toch was het zo. De tweede stelde ons aan elkaar voor, en onze gedeelde liefde voor de eerste deed de rest. En Willem, hij vertelde erop los. Eens vertrokken, krijg je er geen speld tussen. Over zijn onvergetelijke ontmoeting met Hugo Claus tussen de prei en de kolen in de Grand Bazar. Over het literaire meesterschap van zijn voorgeslacht. Zo debiteert hij om de haverklap het beroemde vers van zijn overgrootvader (“Hitler en zijn bende / Bracht honger en ellende”). Of over hoe hij op een dag notarieel vastlegde dat hij niet begraven wilde worden in Arnhem. Na zevenenzeventig boze brieven uit het verongelijkte vaderland contacteerde de goedmoedige Willem opnieuw zijn notaris om een en ander te wijzigen. Nu staat gestipuleerd dat hij na crematie vanuit een Spitfire over Arnhem verstrooid zal worden. De minzame auteur voegt er steevast fijntjes aan toe dat gezien het verleden een Spitfire beter is dan een Messerschmitt.

***

Op Zuiderzinnen liep ik Willem enkele weken geleden tegen het lijf. Hij zag er uit als altijd. Of toch niet: hij zweefde een beetje. Hij had net voor een enthousiaste menigte voorgelezen uit Vuur stelen. In zijn gezelschap vertoefde P.F. Thomése. Willem zweefde op me af, omarmde me hartelijk, en zei zoals altijd “Bart, jongen”. In zijn zondagse goedgeluimdheid wou hij me meteen voorstellen aan de heer Thomése. Even de aanzet tot een knipoog, een stuiptrekking van de kaakspieren, een priemende vinger. “Mag ik je Bart Van Loo voorstellen?” Willem strooide me een triomfantelijke blik toe. Zijn gelukzalige glimlach beloofde me een warme introductie. “Bart...” De motor sputterde. Iets bleek hem af te leiden. Er viel een stilte. Desondanks begon hij enkele seconden later zijn zin opnieuw. Willem sprak toen de gedenkwaardige woorden: “Bart kan aangename praatjes houden...” Daar bleef hij definitief steken. Zijn ogen speurden de horizon af. De heer Thomése keek nog even verwachtingsvol naar Willem, vervolgens naar mij, en liet toen zijn blik tot op de straatstenen zakken. Ik vroeg hem dan maar beleefd wat hij goed kon. De ogen van de heer Thomése flakkerden weer op, en hij antwoordde me gezwind: “Ik kan goed dansen”. Daar stonden we dan. Een praatjesmaker, een danser en Willem van Zadelhoff.
Plotseling voegde de heer Thomése de daad bij zijn woorden. Hij zakte met een elegant knikje door de knieën, maakte twee pirouettes en verdween in het niets. Toen pas werd me duidelijk waarom Willem was blijven steken in het midden van een zin. Ik zag het aan zijn neus. Die maakte kleine trekjes alsof de Nederlandse Antwerpenaar iets rook. Dat deed hij ook. Hij rook een verhaal, een anekdote, en daarvoor moest alles wijken. Dat moest eerst even mentaal genoteerd worden. Ik vroeg Willem wat hij rook. Maar dat zei ik tegen zijn rug. In zijn euforie was hij twee Leffes gaan halen en kapte die even later naar binnen alsof het glaasjes water waren. Terwijl hij de lege glazen opzij schoof, vertelde hij me dat de plot voor zijn volgende roman zonet als een weerlicht in zijn hersenpan was ingeslagen. Het langverwachte vervolg op Een stoel en Holle haven. Hij had zijn befaamde architectuurcyclus immers onderbroken voor Vuur stelen, een boek dat als de lokroep van een vrouw was, die hij niet anders kon dan beantwoorden. Net op dezelfde manier had hij het gesprek met de heer Thomése onderbroken. Want zo is Willem, zijn oeuvre wordt elk moment gecreëerd. Veel kan voor hem de aanleiding zijn voor een verhaal of een gedicht, de muze zit bij hem verscholen in kleine dingen: de glinstering van metaal, een anekdotische vondst op internet, mosselschelpen in een gracht. Hij praat graag over zijn schrijfproces, en dan hang je aan zijn lippen. Met plezier ontdekte ik in Vuur stelen enkele passages (ik denk aan de horoscoopscène en het gastoptreden van Michel Piccoli) die hij me een dik jaar geleden tijdens het fitnessen hijgend probeerde te vertellen. Zo gaat dat. Hij vertelt en polst. Ik luister en reageer. En soms provoceert hij een beetje.
Zo ging hij op het einde van die avond plechtig in napoleontische houding staan, boog zich voorover en prevelde enkele opmerkelijke woorden in mijn oor: “Ik ben er zeker van Bart, omdat ik je een beetje ken, dat je Vuur stelen een kloteboek zal vinden.” Dat was natuurlijk om te jennen. Willem houdt van een grap. Zijn grappen zijn goed als ze niet waar zijn. Deze grap is niet waar. Vuur stelen is helemaal geen kloteboek.
En dat zal ik u bewijzen.

Zeven redenen waarom u Vuur stelen moet lezen.
1. Omdat het boek een prachtige openingszin toevoegt aan de Nederlandse letteren: “Zou het anders gelopen zijn als ik toen een vezelrijk dieet gevolgd had?”
2. Omdat deze roman een originele variatie is op het eeuwenoude Prometheusthema. Promotheus stal het vuur der kennis van de goden, gaf het aan de mensen en wekte de toorn van de goden. Prometheus is onweerstaanbaar, hij kijkt niet om, hij kijkt vooruit. Net als de jonge Bob Moreno in het boek. Vuur stelen is een roman over de tomeloze amibitie waarmee roekeloze provincialen de hoofdstad betreden. Wanneer de andere held Hugo Maris wijzend naar Carré en co uitroept dat “er een dag komt dat (hij) in al die gebouwen kind aan huis is” dan is dat onmiskenbaar een echo van “en nu gaat het tussen jou en mij”, de beroemde kreet die Balzacs Eugène de Rastignac op het einde van Le Père Goriot tot Parijs schreeuwt. De auteur kent zijn klassiekers. In Vuur stelen krijgt die kreet een dubbele gelaagdheid omdat Hugo Maris zijn woorden in één adem roept tot het verzorgingstehuis waar zijn grootvader verzorgd wordt. Het onvermijdelijke verval zit bij van Zadelhoff in de verschroeiende ambitie meteen ingebouwd.
3. Omdat de auteur in deze roman niet alleen Prometheus knap tot leven roept, maar vooral omdat hij de visie van zijn tegenhanger Epimetheus in de verf zet, de man die in tegenstelling tot Prometheus achterom kijkt. Ondanks de verbijsterende ontknoping is Vuur stelen een herkenbare roman over verloren illusies en bewaarde herinneringen. Hoofdpersonage Bob Moreno keert na jaren terug naar Amsterdam. Hij leest de stad als een boek. Een gevel of een geluid is voldoende om in zijn vervlogen jeugd te duiken. De weemoedige precisie waarmee de held via topografische details het verleden reconstrueert herinnert aan de romans van Patrick Modiano. De woorden “herinnering” en “herinneren” komen welgeteld 29 keren voor in de roman. Van Zadelhoff jongleert meticuleus en ingenieus met heden, verleden en toekomst.
4. Omdat van Zadelhoff de grote Philippe-Claudel-truuk met verve uitvoert. Vanaf de eerste bladzijde hangt er een groot geheim boven dit verhaal. Links en rechts strooit de auteur subtiele aanwijzingen, maar de lezer moet wachten tot de laatste bladzijden vooraleer de sluier wordt opgelicht. U zult dit boek dan ook als een hunkerende maagd uitlezen.
5. Omdat dit boek niet alleen een aangrijpende familieroman is, maar tegelijk ook een knap beeld schetst van de jaren ’70-’80 toen het theater naar de arbeiders wou gaan om ze wakker te schudden. In Vuur stelen lees je hoe hun goedbedoelde discours uitloopt op een jammerlijke mislukking.
6. Omdat deze roman op een erg prettige manier de zogenaamd hogere en lagere cultuur in elkaar laat overlopen. Donna Summer en Ben Cramer kruisen Strindberg en Aeschylus... en ergens daartussen tref je Willem van Zadelhoff. Uitspraken van zowel de Dikke en de Dunne als Tsjechov verweeft hij moeiteloos met de woorden van Bob Moreno. Geen paniek, lieve literatuurvrienden, dit is geen postmoderne blufoefening. Van Zadelhoff trekt geen vette erudiete lijnen, neen, hij trekt fijnmazige stippellijnen, en het is aan de lezer om die al dan niet met elkaar te verbinden.
7. Omdat Van Zadelhoffs gekende sobere, bijwijlen elliptische proza hier in zijn totnogtoe meest geslaagde en uitgepuurde vorm verschijnt. Willem vijlt en schaaft tot de essentie overblijft en de suggestie regeert. Dankzij herhalingen scherpt hij bepaalde stippellijnen aan die uitgroeien tot bekoorlijke en omineuze leitmotieven. Bob Moreno studeert in het boek af als dramaturg met een scriptie over theater. Zijn bevindingen zijn een mooie samenvatting van de poëtica van Willem van Zadelhoff, op voorwaarde dat je het woord “theater” uit de scriptie vervangt door “literatuur: “Het ging over spel en werkelijkheid, over de kracht van literatuur. Over de kracht van het suggereren. Want daar lag volgens hem de kracht van literatuur. In de suggestie. Juist dan kwam je tot de kern.” Fictie, werkelijkheid, suggestie. Van Zadelhoff op een rijtje.

Beste Willem, Vuur stelen is helemaal geen kloteboek.

Literair-kritisch Vlaanderen wil ik nog een vette kluif toegooien. De gedichten “Hoe het rook”, “Het rood van de neus” en “Bijl” uit zijn mooie poëziedebuut Tijd en landen (2008) leggen duidelijk de vinger op enkele belangrijke thema’s uit Vuur stelen. Stilaan ontstaat er een van Zadelhoff-universum. Iemand moet zich daar eens in vastbijten. En ook dit verdient misschien enige aandacht: Bob Moreno heeft dezelfde geboortedatum als Willem van Zadelhoff. Wat voor Rabelais’ af te kluiven been gold, geldt ook voor van Zadelhoff: “Il faut briser l’os et sucer la substantificque moelle”. Ik kijk uit naar de recensies.

Ik kijk ook uit naar het prijzencircus. Het is godbetert de tweede keer op een paar maanden tijd dat ik samen met Marc Reugebrink gevraagd wordt een rede uit te spreken. Als Marc erbij is, klieft er onvermijdelijk een gouden uil door de lucht. Mocht juryvoorzitter Guy Mortier dit jaar alsnog één boek lezen, laat het dan asjeblief Vuur stelen van Willem van Zadelhoff zijn.


Uitgebreide versie van het eerder in DE STANDAARD der letteren van 7 november 2008 gepubliceerde artikel

26-10-08

DE BOEKENBEURS, YES, DE BOEKENBEURS........


Donderdagavond gaat de Boekenbeurs weer open.Op het affiche dansen allerhande vrolijk gekleurde figuurtjes die in een boek van Annie M.G. Schmidt niet zouden misstaan. Staat het kinderboek dit jaar centraal? Nee, leert ons de site. "Ontwerper
Mark Borgions (Handmade Monsters) creëerde een bonte wereld van boekenminnende figuurtjes die het boeken lezen niet kunnen laten. De boekenfiguurtjes refereren naar de veelheid van boekengenres en -thema's die mensen kunnen boeien en die op de Boekenbeurs aan bod komen." Zo, dat weten we ook weer.
Toch is de Boekenbeurs zo'n gelegenheid waar ik van alles wil behalve boeken kopen. Drommen mensen strompelen met lusteloze blikken langs de stands met boeken. Zijn dat de vrolijke boekenminnende figuurtjes waar meneer Borgion aan dacht toen hij zijn affiche ontwierp? Voor zich uit mompelend schuifelt men door de gangen. Af en toe is er wat emotie zichtbaar op hun wasachtige gezichten. Dan hebben ze een bekende Vlaming waargenomen die achter een tafel met boeken zit. Nee, vrolijk word je er niet van.
Toch zal ik ook dit jaar weer aanwezig zijn. Samen met collega schrijvers zitten we achter een tafel met onze boeken. We wachten op de schaarse literatuurminnaar die ons boek koopt en vraagt het te signeren. We praten wat met elkaar, drinken wat en gaan een uur later weer bezweet en met lichte hoofdpijn huiswaarts.

SIGNEERSESSIES:
zaterdag 1 november 15.00-17.00 uur, donderdag 6 november 20.00-21.00 uur & zondag 9 november 14.30-16.00

zondag 9 november: DICHTERS AAN DE MACHT 14.00 - 14.25 PETER HOLVOET-HANSSEN & WILLEM VAN ZADELHOFF

02-09-08

FRAGMENT uit VUUR STELEN (vanaf 1 oktober in de boekhandel)


Bart Van Loo, Willem van Zadelhoff, Wilma Bertheux, Marc Reugebrink en Kris Lauwerys tijdens de boekpresentatie van "Vuur stelen"

En nu roken ze. Sigaretten uit een pakje dat Bob nooit eerder heeft gezien.
‘Sekap. Uit Griekenland.’
Meegebracht van vakantie. Het is het laatste pakje. Zo verlengt Maria haar vakantie nog wat.
Ze zitten in de woonkamer met zicht op de kerk.
‘Hugo Maris rookt ook,’ zegt Bob.
‘Hugo Maris?’
‘Je kent Hugo Maris toch?’
‘Van de televisie.’
‘Ik zag hem vandaag, rond een uur of twaalf. Hij stond op het terras van het Amstel Hotel en rookte een sigaret.’
‘Wat deed je in het Amstel Hotel?’
‘Ik zat in een rondvaartboot. Toen we het Amstel Hotel passeerden, zag ik Hugo Maris een sigaret roken. Het kan ook een sigaar geweest zijn. Dat is van zo’n afstand moeilijk te zien.’
‘Het was Hugo Maris?’
‘Hugo Maris herken ik uit duizenden. Zelfs op honderd meter afstand.’
‘Ja, iedereen kent Hugo Maris. Zelfs kinderen,’ zegt Maria voorzichtig.
Ja, ja,’ prevelt Bob. Hij bekijkt zijn handen. Ze trillen licht. Het gaat zo snel, denkt hij. Ik moet oppassen dat ik het overzicht niet verlies. Ik moet tot rust komen. Tellen helpt niet meer. Mijn kamer, mijn eigen kamer op de eerste verdieping. Als ik zeg dat ik moe ben... het is een drukke dag geweest... veel gebeurd vandaag, veel indrukken... nieuwe indrukken... de drukte hier in de stad... Dat kan ik allemaal zeggen zonder dat ik de waarheid geweld aandoe...
Hij komt overeind uit de bank, wankelt even.

VUUR STELEN

De bekende televisiepersoonlijkheid Hugo Maris staat op het terras van het Amsterdamse Amstel Hotel en rookt een sigaret. In een rondvaartboot die op dat moment passeert, zit zijn oude vriend Bob Moreno die na jarenlange afwezigheid weer terug is in de stad. Als hij Hugo ziet staan, rijpt er een plan in zijn hoofd, een oud plan dat hij begin jaren negentig had willen uitvoeren. Toen was het Hugo die een spaak in het wiel stak. Bob koestert geen wrok maar dit keer zal hij zich door niets en niemand laten tegenhouden.

In Vuur stelen laat Willem van Zadelhoff ons kennismaken met een volkomen ander aspect van zijn schrijversschap. Geen stoelen of architecten ditmaal. Hij neemt ons mee naar de wereld van het theater. We maken kennis met een gedemocratiseerde toneelschool eind jaren zeventig, een volgeling van Brecht met een rode clownsneus, meisjes uit de provincie die in soldatenjasjes door Amsterdam fietsen, dromerige jongens die denken dat ze kunnen zweven... en mannen van tegen de vijftig die begrijpen dat omkijken geen zin meer heeft.

Vuur stelen is een tragikomische vertelling over hoop en tegen beter weten in doorgaan op de ingeslagen weg.

20-08-08

VUUR STELEN vanaf 1 oktober in de boekhandel























19 augustus 2008: Willem van Zadelhoff overhandigt de gecorrigeerde proef van zijn nieuwe roman VUUR STELEN aan redactrice Katrien De Loose.

27-07-08

ALTIJD VIJFTIEN OF HOE DE TWEEDE WERELDOORLOG ZIJN INVLOED DEED GELDEN

‘U bent erg oud voor een debutant, hè?’
Ik ben vijfenveertig, heb mijn eerste roman gepubliceerd en zit tussen andere debutanten, waarvan de oudste minstens twintig jaar jonger is dan ik, op een podium in een Brussels paleis. Het Groot Beschrijf. Jonge honden in de literatuur, of jonge Turken; zoiets is het thema. En plotseling richt de opgewonden Studio Brusselpresentator die het gesprek modereert zich tot mij en zegt met overslaande stem: ‘U bent erg oud voor een debutant, hè?’

Een paar jaar eerder. Het Andere Boek, 1998 of 1999. In ieder geval in de Stadsfeestzaal aan de Meir. Voor de brand, toen het daar nog rook naar kaarsstompjes en oude toiletjuffrouwen. Een eenzame man tussen andere eenzame mannen en vrouwen zat achter zijn kraampje. Tijdschriftjes, boekjes en objecten die het midden hielden tussen tijdschriftjes en boekjes. Op een stuk karton in het midden van de tafel stond met plakletters: Kruispunt.
Ja, dat was hetzelfde als Kruispunt-Sumier, zei hij.
Daarin had ik lang geleden een gedicht gepubliceerd. Mijn echte debuut. Ik had mijn exemplaar met het oud papier weggedaan. Ik herinner me nog de houtsnede op de voorkant. Zwart-wit in een stijl die toen al gedateerd aandeed.
In zijn garage had hij nog stapels oude nummers liggen. Wanneer was het ongeveer geweest?
Ik was vijftien. Dus ergens in 1973.
Een week later ontvang ik per post Kruispunt-Sumier nr 47, september 1973. Vlaams-Nederlands Driemaandelijks Tijdschrift. Op het omslag inderdaad een houtsnede. Van een kunstenaar uit Gent die de prijs van De Vette Os behaald had en zich ‘een rashond met papieren’ voelde.
In de lijst van medewerkers staat als laatste mijn naam: Zadelhoff (Ned). Ik had het voorvoegsel van weggelaten omdat ik dat vijfendertig jaar geleden niet artistiek vond.
De pagina’s zijn niet genummerd, mijn gedicht staat op de middelste pagina, links van de nietjes.
‘Want’ luidt de titel.
Ik begin te lezen. Ik doe het zoals je een wond bekijkt nadat je eindelijk het verband hebt durven wegnemen.

Want nu de tedere romantici dolen op het slagveld...

Dat gaat nog. Er wordt een beeld opgeroepen. Ik lees verder, steeds op mijn hoede:

(...) de blikopener het delirium vergezeld...
de kubisten een duel in de soep gadeslaan...
sonnetten achter een raam liggen te schimmelen...

Dat zijn de regels die me wel bevallen.
Het einde is ronduit klote:

... openen wij fictieus onze rappe monden,
monden, monden, monden, monden, monden en laten
lam onze gespierde armen langs het lijf hangen,
tot ziens, bye bye, au revoir.


Ik herinner me nu ook dat ik er al vrij snel na publicatie mee in mijn maag zat. Het was een einde dat net zo goed weggelaten had kunnen worden, een einde dat acteerde dat het een einde was. Een gedicht bepaalt zelf wanneer het afgelopen is. Dat wist ik toen nog niet. En wat bedoelde ik in godsnaam met ‘fictieus’?
Maar ondanks alles is dit gedicht een vertrekpunt; hier begint een reis die nog steeds niet afgelopen is. Daarom is het me dierbaar. Jarenlang heb ik het als een onecht kind genegeerd. Pas een jaar of tien geleden durfde ik dit obscure fossiel uit 1972 te erkennen. Het vertelt over mijn voorkeuren van toen, over de richting die ik dacht te moeten gaan. En over de klanken en kleuren die me toen bevielen. Kortom, over wie ik was.
‘Want’ is ontstaan vanuit een beeld. Mijn gedichten ontstaan nog steeds vanuit beelden. Alleen begreep ik toen nog niet dat je niet op die beelden hoeft te wachten. Je kunt ze oproepen.

Ook herinneringen waarvan je denkt dat je ze bent vergeten, kun je oproepen. Ik bekijk een foto die is genomen toen ik een jaar of vijftien was. Ik zie een jongen met halflang haar dat niet echt wil groeien, de weke mond van een dromer, een pilotenbril met licht getinte glazen die zijn ogen verhullen. Beetje bij beetje herinner ik me de omstandigheden waarin ik ‘Want’ heb geschreven, herinner me de gebeurtenissen die aan het schrijven vooraf gingen. Bepalende gebeurtenissen, zoals zal blijken.
Een aantal leerlingen uit de hoogste klassen hadden in het geheim een Lenteviering georganiseerd. We zaten in onze klassen, het liep tegen twaalven, het was bijna pauze. Plotseling werden we opgeschrikt door geschreeuw. Het kwam uit de intercom. De klassen stroomden leeg. Op het podium in de aula stond Johnny the Selfkicker en scandeerde zijn gedicht ‘Een magistrale stralende zon’. Toen hij briesend en schuimbekkend zijn voordracht had beëindigd, beklom Simon Vinkenoog het podium. Hijgend, fluisterend, zingzeggend declameerde hij zijn poëzie. Ik ving woorden op als desintegratie, vrijheid, liefde, veel liefde en bewustzijn. Hun onderlinge samenhang bleef onduidelijk. Dat stoorde me niet. Hoe vaak had ik dat niet in de les? Maar dit was anders; ik luisterde naar klanken. De betekenis van de woorden leek pas op de tweede plaats te komen.
Toen de viering voorbij was, trok een grote groep leerlingen zich terug in de ‘beatkelder’, de voormalige kapel van de school. En daar rookte ik – uit de luidsprekers klonk een liedje over een mooie vrouw die mooie bloemen in een mooie vaas doet – voor het eerst in mijn leven hasj.
Een glas-in-loodraam filterde het zonlicht; veelkleurige stroken licht op de vloer. Mijn mond voelde droog aan; het verschil tussen vaste aarde onder de voeten hebben en zweven vervaagde langzaam. Ik zag beelden voor mijn geestesoog oprijzen die ik nooit eerder had gezien. Woorden dienden zich aan, een constante stroom.
Toen ik een uur later over de Huyghenslaan naar huis fietste, dacht ik dat het dichterschap een lichamelijke toestand was en dat iedereen die mij zag fietsen dat aan mij zag.
Ik kwam thuis, passeerde de keuken – ‘Jongen, wat heb je ’n rode ogen.’ ‘Mama, ik moet een gedicht opschrijven!’ – rende de trap op, smeet de deur van mijn kamer achter me dicht en schreef dat gedicht op. Ik schreef het in één ruk en toen ik het laatste woord op papier had gezet, was ik afgepeigerd, buiten adem. Dat het in een ruk geschreven is, merk je als je de tekst leest. Ruimte voor een adempauze ontbreekt.
Maar een gedicht bestaat pas echt als het gepubliceerd is, realiseerde ik me de volgende dag. In een literair tijdschrift bij voorkeur.
Ik fietste naar de bibliotheek en installeerde me in de leeszaal met een stapel literaire tijdschriften: De Gids, Hollands Maandblad, Maatstaf, Tirade en Soma (of was dat toen al omgedoopt tot De Revisor?). Ik bladerde, las hier en daar een flard van een gedicht, bekeek wie er in de redactie zat en begreep dat mijn gedicht een zeer kleine kans maakte om in een van deze toonaangevende tijdschriften te worden geplaatst. Er lagen nog meer literaire tijdschriften in de rekken. Ze zagen er minder fris en toonaangevend uit. Een aantal was gestencild, maar ik herinnerde me dat Blurb, het tijdschrift van de Vijftigers, ook gestencild was geweest. De meeste hadden een redactieadres ergens ver weg in de provincie. De redactie van Kruispunt-Sumier week hier niet van af. Bijdragen konden worden gestuurd naar een adres in Assen in Drente. Maar er was ook een Vlaams redactieadres in Brugge. Dat was al met al iets internationaler. Bovendien leek de onvolkomenheid van mijn gedicht volkomen in balans met de onvolkomenheid van het tijdschrift. Het zou me tegenvallen als ze het niet plaatsten.
Nog geen week later ontving ik post uit Assen. Een persoonlijke brief van redacteur Piet van Steenbergen die me berichtte dat hij mijn gedicht ‘Want’ wilde plaatsen. Terloops vroeg hij zich af of mijn dichterschap onder invloed van Simon Vinkenoog stond. Was het echt zo overduidelijk?

Een jaar later werd het gepubliceerd. Ik was inmiddels vijftien. Trillend van opwinding liep ik met het presentexemplaar de trap op. Ik scheurde de envelop open, met ingehouden adem zocht ik de pagina waar mijn gedicht stond. Daar stond mijn naam. Ik las de tekst. Was het goed, was het slecht? Het deed er niet toe. Ik werd overweldigd door een tot dan toe onbekend gevoel. Het had te maken met wat ik gevoeld had toen ik een jaar eerder voor het eerst van mijn leven hasj had gerookt. Alleen hoefde ik er die middag geen joint voor te roken.



NASCHRIFT

Enkele weken nadat ik deze tekst had geschreven, stuitte ik op een Franstalige bundel essays uit 1997: LEURS OCCUPATIONS, L’impact de la Seconde Guerre mondiale sur la littérature en Belgique. Vooral de bijdrage L’INFLUENCE DE LA DEUXIEME GUERRE MONDIALE DANS LA THEMATIQUE LITTERAIRE DE LA GAUCHE FLAMANDE van Laurence Mettewie had mijn belangstelling. Op pagina 232 las ik:

“Cette critique des sociétés occidentales se déploie dans le poème “Want” (car) de Wim Zadelhoff (Kruispunt, nr. 47, septembre 1973), ou il décrit notre monde régi par m’argent, la mécanique et les guerres “légales” qui autorisent les balles à décimer les corps, lesquels déjà se dissolvent chimiquement.”

Dat ging dus over mijn debuut - dat obscure fossiel. Ik voelde me bedrogen. De mantel der tijd had niets bedekt, helemaal niets.
Ik googelde wat en kwam er achter dat Laurence Mettewie inmiddels hoogleraar aan de universiteit van Namen was. Ze heeft zich gespecialiseerd in meertaligheid. Naast haar foto op de website van de Facultés universitaires Notre-dame de la paix stond haar mailadres vermeld. Diezelfde avond schreef ik haar.
De volgende ochtend vond ik haar antwoord in mijn mailbox.
Ze was geschokt weer geconfronteerd te worden met dit werk uit een vorig leven en dan nog wel door een van de auteurs die ze ooit gelezen had. ‘Het zijn heel emotionele flarden uit het verleden die nu weer op me afkomen.’
Als student had ze zich verdiept in literaire tijdschriften en politiek of maatschappelijk engagement. Daarom had ze zich maandenlang verdiept in oude jaargangen van het tijdschrift Kruispunt. Schoenendoos na schoenendoos had ze gevuld met fiches - per auteur, genre, thematiek, onderwerpen...
‘De literaire kwaliteit was wisselend, maar de overtuiging, de kracht waarmee die teksten waren geschreven, de pijn en wanhoop in het hart, met die scherpte van een wakkere ziel of met de vonk van de strijd...’
Was ik destijds een wakkere ziel? En hoe zat het met mijn vonk van de strijd? Nee, met mijn gedicht had dat allemaal niets te maken. Ik had de juiste toon van de tijdsgeest even te pakken gehad. Meer was het niet geweest. En als er al een vonk was geweest dan was die al vrij snel weer gedoofd. Een politieke clown met veel zelfmedelijden was ik geweest. En ik was niet de enige. Soms leek het of ik in een spiegel keek als ik door de straten liep. En ik was zo jong in de tijd dat de tedere romantici nog doolden op het slagveld... Ik voelde me geen slachtoffer van een oorlog. Wel van het leven.

Vorige week ontving ik per post kopieën van haar artikel. Onder de titel DE LITERAIRE THEMATIEK VAN LINKS VLAANDEREN was het ook nog gepubliceerd in een Nederlandstalige bundel: HUN KLEINE OORLOG. DE INVLOED VAN DE TWEEDE WERELDOORLOG OP HET LITERAIRE LEVEN IN BELGIË
Ik denk aan de laatste alinea van De avonden van Gerard Reve: ‘Het is gezien... Het is niet onopgemerkt gebleven.’

Verscheen eerder in Deus ex Machina nr. 125 mei 2008

30-04-08

EEN ONTMOETING MET INGO SCHULZE


Am Tag, als Conny Kramer starb. Die schlager uit 1971 houdt me al een aantal dagen bezig. Het begon met een jointje, maar het ging van kwaad tot erger. Met uiteindelijk de dood tot gevolg. Ingo Schulze’s refereert aan dit liedje van Juliane Werding in zijn nieuwe boek Nul-zes, dertien verhalen in de oude trant. Ik kende het niet en heb het gedownload. Nu krijg ik het niet meer uit mijn kop.
‘Die Duitse schlager is wat mij betreft de soundtrack van het boek,’ zeg ik.
‘Een West-Duitse schlager,’ benadrukt Schulze. Dat maakt verschil. Nog steeds. Bijna twintig jaar na de Val van de Muur.
We staan in de lobby van een Gents Hotel. Schulze moet nog inchecken. Hij is hier vanwege de opening van de Literaire Lente.
‘Wat is dat toch met schlagers?’ vraag ik hem.
Op weg naar de lift citeert Schulze de Duitse dichter Gottfried Benn: ‘Een goede schlager vertelt ons al het er op aankomt meer over 1950 als 500 pagina’s cultuurcrisis.’
Later in zijn hotelkamer komt hij er op terug. In het verhaal Nog een verhaal beschrijft hij een treinreis van Boedapest naar Wenen. Een stationsdrama noemt hij het. Hij verwijst in het verhaal naar een verhaal van de Hongaarse auteur Péter Esterhazy die ook een treinreis van Boedapest naar Wenen beschrijft. En Esterhazy verwijst op zijn beurt weer naar een verhaal van Imre Kertész waarin eenzelfde treinreis voorkomt. In het verhaal van Kertész komt een of ander oratorium voor. Zoiets vond Schulze niet bij zijn tekst passen. Die schlager van Juliane Werding beviel hem beter.
Deze drie verhalen zijn onlangs samen in een band verschenen bij zijn Duitse uitgever Berlin Verlag. Een cadeautje van mijn uitgever noemt hij het zelf.
Nu is er de vertaling van zijn meest recente boek: Nul-zes. Een verhalenbundel. De Duitse titel luidt Handy. Het Duitse woord voor een gsm.
‘Ik heb me verwonderd dat die titel nog niet door iemand anders geclaimd was. Enerzijds kan een gsm je leven redden, anderzijds is zo’n ding in staat de laatste resten intimiteit te verstoren. De ambivalentie van de techniek.
Ik was in februari in Egypte. Terwijl ik aan de voet van een piramide stond ging mijn gsm over. Op de display stond een Duits nummer. Het was een man die zwaar dialect sprak. Verkeerd verbonden, zei ik. Mijn naam is Schulze en ik sta aan de voet van een piramide in Egypte.’
Uw bent begonnen met verhalen. In 1995 debuteert u met 33 ogenblikken van geluk en een paar jaar later volgt Simpele Story’s, uw doorbraak. Daarna werkt u acht jaar aan de grote Wende-roman Nieuwe levens.
‘Na Simpe story’s wilde ik geen korte verhalen meer schrijven. Ik had behoefte aan iets groters te werken, aan een roman. Toch kwamen er nog een paar ideeën voor verhalen. Bovendien kon ik de eerste tijd nog niet uit de voeten met de roman. De eerste zes verhalen uit Nul-zes zijn geschreven in de periode 98/99. De andere verhalen zijn vanaf 2006 geschreven.’
Het lijkt alsof in die laatste verhalen plotseling meer licht aanwezig is.
‘Dat heb ik vaker gehoord. Gedurende de tijd dat ik aan Nieuwe levens werkte, zo’n acht jaar, is Duitsland en de wereld erg veranderd. Ik denk dan niet alleen aan 9/11. Je had ook de internetcrash in 2000. In ‘98 kreeg Duitsland een roodgroene regering. Dat heeft de samenleving erg gepolariseerd.’
Toch hangt ook over de recente verhalen nog steeds de schaduw van de DDR. De personages doen soms denken aan mensen van wie men hun religie heeft afgenomen.
‘Dat klopt. Hoewel ik in plaats van religie liever wil spreken van een fundamenteel vertrouwen dat plotseling niet meer aanwezig is. In het verhaal Verwarring op oudejaarsavond komt een succesvol zakenman voor. Hij heeft een vriendin en een kind maar denkt na tien jaar nog steeds aan zijn grote liefde Julia. Je zou kunnen zeggen dat zij symbool staat voor de tijd voor de Val van de Muur.’
Uiteindelijk kiest de man nadat hij zijn grote liefde op oudejaarsavond weer heeft ontmoet toch voor de vrouw bij wie hij een kind heeft.
‘Zij was misschien de laatste streng die hem nog met het oude leven verbond. Als hij haar na tien jaar weer ontmoet, begrijpt hij dat dat leven voorgoed tot het verleden behoort. Tegelijkertijd realiseert hij zich hoe probleemloos hij zich heeft aangepast aan de nieuwe tijd. De ontspannen manier waarop hij zaken doet, beangstigt hem. Hij lijkt op de ruiter die over het bevroren Bodenmeer rijdt. Als hij zich realiseert dat het ijs onder hem vliesdun is, wordt het plotseling gevaarlijk, begint het te kraken.’
In de vroege verhalen uit de bundel lijken de dingen een grotere rol te spelen?
‘Kort na de Val van de Muur was dat ook zo. In ieder geval ging iedereen er materieel op vooruit. De grote thema’s die nu spelen zoals armoede waren nog niet aanwezig. In de DDR was geld niet zo belangrijk. De beroepskeuze had niets met geld te maken. Het huis waarin je woonde evenmin. Bij bepaalde kledingstukken ging het er niet om hoe je ze betaalde, nee, hoe kom ik er aan.
In de DDR was het woord erg belangrijk.
‘Alles wat je zei of schreef als scholier, student of als journalist was ongewoon belangrijk. Elk woord kon ongehoorde gevolgen hebben. Na 1989 was dat van de een op de andere dag veranderd. Het ging er bijvoorbeeld niet meer om wat je in een krant schreef maar hoe je hem zo goed mogelijk verkocht. In de DDR hebben de woorden jarenlang de getallen afgedekt. Nu draait het alleen nog maar om productie.
Ik ben blij dat de DDR tot het verleden behoort en ik hoop dat ik daar op mijn manier ook toe heb bijgedragen. Toch betekent dat niet dat ik kritiekloos tegenover het nieuwe Duitsland sta. Bij de eerste verkiezingen werd een regering gekozen die ik onmogelijk de mijne kon noemen. Pas toen in 1998 de roodgroene coalitie aan de macht kwam, gebeurde dat. Even later begon de Kosovo-oorlog. Dat bracht veel onzekerheid met zich mee. Het zorgde in mijn geval voor een depolitisering. Misschien is het niet helemaal toevallig dat de eerste verhalen uit de bundel in die tijd spelen.’
De Oost-Duitse identiteit. Bestaat die nog?
‘Het vreemde is dat die identiteit pas ontstaan is op het moment dat we kennis maakten met het andere Duitsland. Voor 1989 voelde we ons Duitser. We waren natuurlijk anders gesocialiseerd. Ik heb bijvoorbeeld een paar maanden geleden vastgesteld dat ik pas toen ik achtentwintig was voor het eerst echt over geld heb nagedacht. Daarvoor interesseerde het me gewoon niet. Het was handig als je het had maar meer ook niet.
Voor 1989 zat iedereen in mijn vriendenkring politiek op één lijn. Nu zijn er grote verschillen. Natuurlijk, iedereen heeft recht op eigen ideeën, maar wij waren daar niet aan gewend. Zoiets kost tijd. Dat is ook iets wat ik in Nul-zes probeer te laten zien.
We moeten ook niet vergeten dat grote groepen voormalige Oost-Duitsers zich na ’89 overbodig voelden. Wat zij tot dan toe hadden gedaan bleek plotseling nutteloos te zijn. Dat knakte het zelfvertrouwen.
Volgend jaar is het twintig jaar geleden dat de Muur viel. Waar was u toen het gebeurde?
‘9 november 1989 was een van de zeldzame dagen dat ik vroeg naar bed ben gegaan. Toen ik ’s ochtends wakker werd, was de Muur verdwenen. Voor mij is 9 oktober veel belangrijker. Ik woonde destijds in Altenberg, in de buurt van Leipzig. Twee dagen eerder was gevierd dat de DDR veertig jaar bestond.
Ik herinner me de grote demonstratie in Leipzig. Tegen mijn toenmalige vriendin had ik gezegd dat ik naar de bibliotheek moest. Ik was toch wel bang. Tienduizenden mensen in de straten. Tegenover ons de politie. Ik kende dit soort beelden alleen van films. De stemming was goed. Misschien ook door het weer. Het was een warme herfst. Er heerste euforie. We hadden het gevoel dat we de wereld konden veranderen. Zonder dat het was afgesproken, verliep alles geweldloos. Ik ben niet principieel tegen geweld maar ik geloof dat werkelijke veranderingen alleen geweldloos kunnen worden bereikt.
Een maand later viel de Muur...
‘Vergelijk het met een overrijpe vrucht die wel moest vallen.’
Nadat we afscheid hebben genomen, loop ik naar station Dampoort. Ik kijk naar de gevels, naar de etalages. Een winkel met pruiken en haarvet voor kroeshaar. Schoenen van reptielenleer met zeer onheilspellende punten. Beschimmeld pleisterwerk. Uit een open raam klinkt de stem van Bob Marley: Have no fear for atomic energy
 cause none of them can stop the time. Ik passeer een uitdragerij, een slijterij met flessen gedestilleerd waarvan ik al lang vergeten was dat ze ooit hebben bestaan. In de Dampoortstraat in Gent is weinig nodig om je in de late jaren zeventig te wanen. De Muur is nog niet gevallen. Alles is nog duidelijk. Aan de andere kant heerst het communisme. Hier heerst iets wat we voor het gemak vrijheid noemen. De koude Oorlog is al niet meer zo koud als in de jaren zestig, maar toch... Ondanks Bob Marley zit die ellendige West-Duitse schlager nog steeds in mijn kop. Und alle Glocken klangen,
am Tag, als Conny Kramer starb...

Verscheen eerder in De Standaard, 18 april 2008

23-04-08

VANUIT EEN SPITFIRE

In mijn bijdrage aan het boekje Waarom ik niet in Arnhem wonen wil schrijf ik dat ik notarieel heb laten vastleggen dat ik niet in Arnhem begraven wil worden. Daar heb ik veel kritiek op gekregen. Je hebt altijd mensen die niet begrijpen dat overdrijving een literaire stijlfiguur is. Zelfs mijn bloedeigen broer - die overigens ook niet in Arnhem begraven wil worden - begrijpt dit niet.
Laatst was ik nog eens op Moscowa, de Arnhemse begraafplaats. Wat een prachtige plek is dat toch. Als ik eerlijk ben moet ik toegeven dat er in heel Arnhem geen mooiere plek te vinden is. Nou ja, misschien de Weg Langs Het Hazegrietje. Maar wat moet je daar als lijk?
Mild gestemd, reisde ik weer terug naar Antwerpen. Ik begon, terwijl het landschap aan me voorbij raasde, te piekeren. Niet in Arnhem begraven willen worden... overdreef ik niet? Al die lommerrijke plekken op Moscowa, de verweerde stenen op het joodse gedeelte... Was ik misschien te overhaast geweest?
De volgende ochtend belde ik mijn notaris voor een afspraak. Ik had me bedacht.
'Schrap die passage maar,' zei ik toen ik een paar dagen later tegenover hem zat, 'die passage over dat niet in Arnhem begraven willen worden.'
'Vanzelfsprekend,' zei hij. 'Bovendien is Arnhem een prachtige stad. Ik bedoel: prachtig gelegen. Die heuvels, die bossen, die zware bosluchten...'
Even zwegen we. Ik dacht aan de stad waar ik geboren was, ik dacht aan de dierbaren die ik er had achtergelaten, dood en levend. Een zware maar niet onprettige melancholie nam bezit van mij.
'Maar wat wil je dan?' riep mijn notaris plotseling met overslaande stem.
'Wacht,' zei ik, 'Niets overhaasten.' Ik voelde plotseling een weldadige rust over mij neerdalen.
'Ik weet het wel... Ja, ik weet het heel goed...'
'Wat weet je heel goed?' zei mijn notaris. Het klonk bijna smekend.
'Ik wil gecremeerd worden,' zei ik. 'En mijn as moet vanuit een Spitfire over Arnhem verstrooid worden.'
Mijn notaris wilde iets zeggen, maar zijn pogingen deden me denken aan het spartelen van een schaap dat in een sloot is gevallen.
'Vanuit een Spitfire,' klonk het uiteindelijk.
'Ja,' zei ik, 'vanuit een Spitfire. Dat lijkt me gezien het verleden beter dan vanuit een Messerschmitt.'
'Toch waren dat geen slechte vliegtuigen,' probeerde hij nog. 'De ME 410 bijvoorbeeld...'
Ik zweeg en keek hem aan. Hij knikte en begon te schrijven.

16-04-08

OVER BART VAN LOO

Ik wil het over Bart Van Loo hebben. Over het fenomeen Bart Van Loo.
Wat kan deze man onstuimig enthousiast zijn als het de Franse cultuur betreft. Zoals Obelix als baby in een ketel met toverdrank is gevallen, moet de jonge Bart Van Loo op een zeker moment in een borrelende, schuimende ketel Franse cultuur zijn gevallen. Bart Van Loo, de Obelix van de Franse Cultuur. Hoewel de fysieke overeenkomsten met diens vriend Asterix treffender zijn.
Mocht de Franse cultuur ooit dreigen te bezwijken dan zal Bart Van Loo haar terstond reanimeren. Voor mond op mond beademing en hartmassage draait hij zijn hand niet om.
Toen de journalist Don Morrison in een artikel in Time Magazine de Franse cultuur dood verklaarde, schreef Bart een vlammend betoog voor De Morgen. De Franse cultuur is niet dood, schreef hij, nee, zij is springlevend. En die ongemeen rijke cultuur moet als tegengewicht dienen voor onze steeds meer verengelste maatschappij.
Dat is meer dan een opvatting, dat is een roeping.
Als ik Bart Van Loo de Billy Graham van de Franse cultuur noem overdrijf ik niet. Het is sowieso moeilijk te overdrijven als je over hem spreekt.

Ik heb Bart Van Loo leren kennen op de opening van de Boekenbeurs in 2006. Terwijl een eminent Slavist op luide wijze betoogde dat de Russische ziel niet bestond, ontdekten Bart en ik een gezamenlijke voorliefde voor het werk van Balzac en Guy de Maupassant.
Ik zal nooit vergeten hoe wij een paar uur later – het was reeds ver na middernacht – in de stromende regen bij onze fietsen stonden. Nog steeds spraken we - terwijl onze kleren in gestadig tempo doorweekt raakten - over literatuur. Over Franse literatuur. Over Balzac in het bijzonder.
Zoiets schept een band. Bovendien zei hij ook nog eens dat hij mijn boeken heel mooi vindt. Toen heb ik gezegd dat ik zijn boeken ook heel erg mooi vind.
Nu mag ik zelfs op zijn verjaardag komen.

Dezelfde Balzac die ons tot elkaar heeft gebracht, schreef rond 1843 het boekje Les journalistes. Het is onlangs in het Nederlands vertaald.
Balzac probeert in dit werkje op bijna wetenschappelijke wijze journalisten en publicisten te verdelen in soorten en ondersoorten.
Tot welke soort en ondersoort zou Bart behoren? Is hij een windbuil? Een tenor? Een mieroloog of een schrijver met overtuigingen? Ik verdiepte me in de kenmerken van deze ondersoorten maar niets lijkt van toepassing op Bart Van Loo. Misschien de jonge blonde criticus? Misschien... wie weet. Ook die ondersoort deelt Balzac onder in drie variëteiten: de loochenaar, de grappenmaker en de wierookdrager. Een loochenaar is Bart niet. Is hij dan een grappenmaker? Iemand die bijvoorbeeld boeken bespreekt waarvan hij de feiten verdraait. Nee, dat is ook niet van toepassing.
En de wierookdrager is een lofzanger, een zachtaardige jongen zonder gal die van de kritiek een winkel maakt waar volle melk wordt verkocht.
Dat klinkt prachtig maar is ook niet van toepassing op Bart Van Loo.
Nee, als Balzac hem had gekend zou hij zeker nog een andere variëteit hebben bedacht.

Een omschrijving die me beter bevalt, trof ik aan bij Emmanuel Bove in zijn kleine roman Armand. Bove schrijft over de gelijknamige hoofdpersoon: Zijn aandacht was, net als die van kinderen, gericht op alles wat bewoog.

Bart Van Loo heeft oog voor veel, zo niet voor alles. En steeds probeert hij lijnen en verbindingen te zien. Voor hem is de Franse cultuur geen afgebakend terrein. Voor hem kan veel cultuur zijn. Natuurlijk: Balzac, Flaubert en al die andere schrijvers en dichteres. Of de schilders, componisten, zangers en zangeressen. Maar ook Grisettes en courtisanes.
En een kip uit Bresse of een walmend stuk camembert. Vooral als die op de juiste manier geserveerd worden. Bijvoorbeeld door een serveerster die tussen de gerechten door een alinea Proust tot zich neemt. Of nog beter door een serveerster die aandachtig luistert terwijl Bart haar voorleest.

Het tweede deel van zijn Frankrijk-trilogie dat vandaag gepresenteerd wordt, gaat dus over eten en daar is niets banaals aan. En het gaat ook over literatuur.
Bart Van Loo doet dat allemaal heel grondig. Hij slaat de lezer meer dan 250 pagina’s lang om de oren met feiten en weetjes zonder evenwel vervelend of saai te worden. Het blijft allemaal even smakelijk. Hij laat ons onder andere kennismaken met de vooruitstekende buik van Karel de Grote, folkloristische Roemeense yoghurt en interplanetaire gastronomie.
En daar hebben we Balzac ook weer met een zeer toepasselijk citaat.

Men zou mensen met een lege maag altijd moeten wantrouwen: iemand die vast, zal weldra onzin uitkramen.

Maar Balzac verschaft ons ook een recept voor een Balzaciaanse omelet. Die zou ik graag eens voor Bart willen bereiden. Maar daarvoor heb je een porseleinen komfoor op vier poten nodig. Zonder dat is dit gerecht tot mislukken gedoemd, begrijp ik uit de tekst.
Veel uit deze bonte grabbelton deed mij regelmatig instemmend knikken.
Bijvoorbeeld deze uitspraak van Alphonse Allais:

Champignons groeien op vochtige plekken.
Vandaar dat ze de vorm van een paraplu hebben.


Dat is wetenschap en poëzie ineen. Dat is pure schoonheid.
Bart Van Loo maakt ons op elke pagina deelgenoot van zijn verbazing en verbijstering.
Hij zwalkt als een hunkerende maagd door het culinaire en literaire landschap van Frankrijk. Steeds op zoek naar zaken die hem kunnen verbazen en verbijsteren.

Voor de voorzichtige koks onder ons: u kunt met een gerust hart de recepten in dit boek uitproberen. De meeste recepten heeft Bart Van Loo persoonlijk getest. Zo kwam ik hem eens in de Kasteelpleinstraat tegen terwijl hij een gigantische kip met zich meetorste. Die avond wilde hij een recept voor coq au vin uit proberen. Die was de moeite waarde vertelde hij me achteraf.
Zijn groenten haalt hij dan weer uit de moestuin van zijn vader. Dat is kwaliteit. Hoe dat smaakt. Daarover raakt hij niet uitgepraat. Wat deze Kempense hof van Eden niet allemaal voortbrengt: aardappels, artisjokken, courgettes, aubergines, bleekselderij, knolselderij, sluimererwten, prinsessenbonen, bloemkool, groene kool, witte kool, savooiekool, Chinese kool, boerenkool, broccoli, Brussels lof, doperwten, wortels, pastinaken, spinazie, de prei, komkommer, snijbiet, rode biet, bindsla, Romeinse sla, schorseneren...

U heeft gelijk. Overdaad schaadt.
Maar niet bij Bart Van Loo.
Als kok in Frankrijk zou ik de humane versie van La grande bouffe willen noemen. Met Marcello Mastroianni als Guy de Maupassant, Michel Piccoli als Brillat-Savarin en Philippe Noiret als Honoré de Balzac. En Andréa Ferréol mag George Sand spelen.

Toch is het niet alleen maar rozegeur en maneschijn. Er wordt ook wel eens slecht gegeten in de Franse literatuur. Bijvoorbeeld in A vau-l’eau, een novelle van Joris-Karel Huysmans uit zijn naturalistische periode.
Meneer Folantin, de hoofdpersoon, is gedurende de gehele novelle op zoek naar een goedkoop maar behoorlijk restaurant. Dat is geen sinecure maar de wijze waarop Huysmans dit beschrijft doet ons schateren van leedvermaak. Ook in zijn zoektocht naar de liefde ontmoet Folantin veel tegenslag. Ik citeer:

... hij dook de zijgangen in en probeerde een in het donker verdwenen gedaante te onderscheiden; dikke lagen rouge, hun afzichtelijke ouderdom, hun schaamteloze kleren en smerige kamers weerhielden hem niet. Net als in die gore eethuizen, waar hij van honger het slechtste vlees nog verslond, kon hij om zijn seksuele honger te stillen, genoegen nemen met de prakjes van de liefde...

Dit lijkt me een uitstekende overgang naar het volgende project van Bart Van Loo: de Franse erotische literatuur.
Dat boek moet het sluitstuk worden van zijn Frankrijk-trilogie. Ik kan haast niet wachten.
Ook al omdat Bart praktische boeken schrijft. Met Parijs retour in de hand kun je door Frankrijk reizen. Met Als kok in Frankrijk kun je achter het kookvuur gaan staan. Ik ben zo benieuwd wat je met het volgende boek van Bart Van Loo in de hand allemaal kunt doen. En ik ben niet de enige.

Rede uitgesproken op de presentatie van het boek ALS KOK IN FRANKRIJK van Bart Van Loo in het Consulaat-generaal van Frankrijk te Antwerpen, 16 april 2008

19-03-08

OVER HET VERDRIET VAN BELGIË


Vijfentwintig jaar geleden woonde ik nog in Nederland. In Amsterdam om precies te zijn. Dat maakt verschil. Ik herinner me geruchten en gissingen in kranten en weekbladen. Het verdriet van België. Claus was ermee bezig, het zou zijn opus magnum worden. Hij zou uitgeschreven zijn, vastzitten. Het werd zo’n beetje Claus’ Boek van violet en dood. Zou het ooit verschijnen? En toen lag het plotseling in de winkels. Ik las het toen niet. Ik was om duistere redenen Claus een beetje uit het oog verloren.
Tien jaar later verhuisde ik naar Antwerpen. Een paar dagen na de verhuizing deed ik inkopen bij de Carrefour in de Lange Lozanastraat. Terwijl ik met mijn karretje van de zuivel- naar de groenteafdeling reed, zag ik plots Hugo Claus staan. Tussen de rekken met kool, prei, uien en aardappels - enigszins ontheemd. Een Romeinse tribuun in de herfst van zijn leven. Ik vroeg me af of hij besefte waar hij was. Even later kwam er een beeldschone vrouw met een boodschappenmandje vol fruit en groente op hem af. Het volgende moment waren ze verdwenen.
Dit voorval was een omen. Nog diezelfde middag begon ik in Het verdriet van België. Ik las het in één ruk uit.
De laatste regel: Wij gaan zien. Wij gaan zien. Toch. Met veel moeite slaagde ik er in uit het boek te klauteren.
Ik dacht dat ik een boek over de oorlog had gelezen. Ik dacht dat ik een boek over België had gelezen. Kortom over België in de oorlog. En over hoe die periode nog steeds van invloed was op de jaren daarna.
Nu besef ik dat ik dat destijds in het boek wilde lezen. Ik hoopte inzicht te krijgen in België, in Vlaanderen. Natuurlijk, het staat er allemaal in. Oorlog, collaboratie... en vrede. Claus tovert ons met zijn taal het ene beeld na het andere voor. Long-shots, medium-shots, dan wordt er plotseling weer ingezoomd. Het is fictie van een superieure soort. Nooit krijg je het idee dat het achter de schrijftafel bedacht is. We krijgen een universum voorgeschoteld, bevolkt met mensen met plannen, met driften, angsten. Hier wordt al lang niet meer in termen van goed en kwaad gedacht. Het schemergebied tussen goed en kwaad is de biotoop van de mens. Daar zijn geen duidelijke grenzen getrokken. Is ook onmogelijk. Banaliteiten stippelen ons pad uit.

Etienne Vermeersch noemde in De Morgen Het Verdriet van België een tijdsdocument. Zo’n omschrijving doet het boek tekort. Het is een boek over Claus. Niet Claus die op 5 april 1929 in Brugge is geboren. Nee, over de kunstenaar Claus die op een heel ander moment, op een heel andere plaats is geboren. Over die geboorte schrijft hij bijna 800 pagina’s lang. Als hij op een ander moment, in een ander land was geboren, had hij dit boek ook geschreven.
Ik houd niet van dikke boeken. Maar soms zijn boeken van nauwelijks honderd pagina’s al te dik. Dit boek is niet te dik.
Nadat ik Het verdriet van België had uitgelezen, begreep ik weer waarom ik als jongen van zestien zo aangegrepen was door De Metsiers. Aangegrepen en ontregeld.
Het Verdriet is de ruggengraat van Claus’ oeuvre. Het geeft de samenhang aan tussen al die soms zo van elkaar verschillende boeken die hij heeft geschreven. Het onverenigbare verenigen. Dat beheerst hij als geen ander.
In het boek zien we niet alleen de schrijver, ook de regisseur en de beeldend kunstenaar kijken om de hoek. Die enorme hoeveelheid grijstinten waar hij ons op vergast. Als Nederlander – vooral gewend aan zwart-wit -begint het je soms te duizelen.
Wij hoorden de saxofoon en de paukeslag. Wij zagen een meeuw die hinkte.
Een witregel terwijl de kamera 180° draait en uitzoomt. Extreem long-shot.
Wij gaan zien. Wij gaan zien. Toch.
Die zin dreunt nog steeds na in mijn hoofd.

eerder gepubliceerd in De Standaard, 14-03-2008

10-03-08

LET'S HAVE A BALL!


Het Arnhems Lezersbal 2008

Tom Ruijfrok, de hoofdredacteur van de lokale editie van de Gelderlander die de avond zal presenteren, maakte een frisse indruk bij eerste kennismaking. Iemand die er zijn hand niet voor omdraait meerdere malen per dag een douche te nemen. Zo'n type. In een bepaald licht begon hij echt te flonkeren. Later vernam ik dat hij begonnen was als blokfluitleraar. En zoals een baasje op zijn hond gaat lijken, beginnen musici op den duur op hun instrument te lijken. Ja, hij leek op een mooie glanzende blokfluit, zo’n plastic oefenmodel.
Ik was gekomen om geïnterviewd te worden over mijn bijdrage aan de uitgave Waarom ik niet in Arnhem wil wonen. Iedereen die tijdens de Boekenweek meer dan elf euro aan boeken koopt, krijgt dat boekje. Ruijfrok zou het interview doen.
Het eerste publiek schuifelde naar binnen. Veel grijze lokken en boezems als bonbonnières. Er was door de organisatie een programma vol afwisseling in het voorruitzicht gesteld. Medeorganisator Arnold Jansen op de Haar had speciaal voor de gelegenheid een ronkend vers geschreven dat hij met pianobegeleiding declameerde. Vervolgens las Aaf Brandt Corstius enkele van haar columns. Er waren dichters – o.a. de onvolprezen Mustafa Stitou die enkele van zijn prachtige en bijzondere gedichten voorlas. Toen kwam er een Duitse zanger die door de krant Der Tagesspiegel de prins van het Duitse chanson was genoemd. En Tjitske Jansen was er ook. Wat zij doet is geen voorlezen. Ze vertelt haar gedichten, maakt je er deelgenoot van. Erg indrukwekkend.
Toen was het mijn beurt. Dacht ik. Ik stond al klaar om het podium op te springen toen de pratende blokfluit Joost Zwagerman aankondigde die de zieke Adriaan van Dis verving.
Ik bestelde wat te drinken en wachtte af.
Eindelijk was het zover. Samen met July Ligtenberg van Plaatsmaken, die de pocket had uitgeven werd ik aangekondigd. Misschien overdrijf ik nu. Hij noemde onze namen, meer was het niet.
We stonden een beetje lullig bij elkaar op dat podium. Ruijfrok had een grote microfoon waar hij driftig mee heen en weer zwaaide. Hij stelde drie vragen. Hij vroeg of het waar was dat ik notarieel had laten vastleggen dat ik niet in Arnhem begraven wilde worden. Hij vroeg ook nog waarom ik uit Arnhem was weggegaan.
Daar had ik nu net dat stukje voor geschreven. Bovendien was het geluid zo slecht dat ik mijzelf niet hoorde praten. Dat werkt ontregelend. En als je drie woorden had gesproken trok hij de microfoon weer weg. De derde vraag ben ik vergeten. Plotseling draaide hij zich om en zei tegen July Ligtenberg dat hij het boekje had gezien maar dat er wel veel fouten instonden. Vond zij dat ook niet? Op haar gezicht begon zich nu lichte verbijstering af te tekenen. Nou ja, nee, uh... Inderdaad, wat moet je daar op zeggen?
En toen was het afgelopen. Het was net begonnen en het was al weer voorbij.
Ik stapte het podium af. Mensen kwamen op me af en vroegen: Wat is er gebeurd? Jullie waren toch nog niet begonnen? Ik kon hun vragen niet beantwoorden. Ik was alleen maar verbijsterd.
Toen de verbijstering langzaam begon plaats te maken voor een enorme woede ging ik op zoek. Ik begaf me naar de eerste verdieping waar een bar was en een zaaltje waar enkele lokale boekhandelaars boeken verkochten. Daar kon ook gesigneerd worden. Daar had ik inmiddels niet meer zo’n zin in.
De hoofdredacteur zat aan een tafeltje met een vrouw en de dichtende medeorganisator. Ik stapte op hem af.
Dat ik het een schande vond, zei ik. Me helemaal uit Antwerpen te laten komen voor een gesprekje van hoogstens twee minuten. En ik kreeg er bovendien geen cent voor. Allemaal gratis en voor niets. Gebrek aan respect!
De dichtende medeorganisator probeerde zeer krampachtig er niet te zijn. Toen ik hem aankeek – hoopte ik misschien op bijval? - draaide hij snel zijn hoofd weg en concentreerde zich op zijn sigaar. Ik wil hier niets mee te maken hebben, sprak uit zijn hele houding.
De pratende blokfluit keek me wel aan en zei vilein dat het ook geen bijster inspirerend gesprek was geweest. Wederom verbijstering die zich echter aanmerkelijk sneller omzette in woede. Een korte flits: gooi ik de inhoud van mijn bierglas in zijn gezicht? Nee, nee, houd je in, zei ik tot mezelf. Diep ademhalen. En toen maakte ik hem uit voor iets heel lelijks. Dat had ik natuurlijk niet moeten doen. Het was voldoende geweest als ik gezegd had dat ongeïnspireerde antwoorden steeds het gevolg zijn van ongeïnspireerde vragen.
Later begreep ik de laffe houding van de medeorganisator wel. Arnold Jansen op de Haar heeft namelijk een column in De Gelderlander. De kachel moet roken, nietwaar?
Dit heb ik geleerd: ik doe nooit meer iets zonder dat ik er voor betaald wordt. Dat men je niet betaald is op zich al een gebrek aan respect.
En ik weet nu zeker waarom ik niet in Arnhem wil wonen.

zie ook: http://www.blokfluitpagina.nl/

WAAROM IK NIET IN ARNHEM WONEN WIL

Misschien komt het wel door de oorlog. Want Arnhem en de oorlog... Iedereen van mijn generatie is er mee opgegroeid. Ik ben veertien jaar na de slag om Arnhem geboren. Toch heb ik soms het idee dat ik er hoogst persoonlijk bij aanwezig was.
Die oorlog is Arnhem overkomen. Is de schuld van alles. Bij ons thuis ging het daar op elk verjaardagsfeestje over. Voor de oorlog. Na de oorlog. Tijdens de oorlog. Als die oorlog niet dit... als die oorlog niet dat. Die ellendige oorlog.
Je kunt veel van die oorlog zeggen maar hij heeft Arnhem wel op de wereldkaart gezet.

Hitler en zijn bende
Bracht honger en ellende


Dit prachtvers is van de hand van mijn overgrootvader. Hij had het op een stuk karton geschreven en na de bevrijding in de etalage van zijn winkel gezet. Hij had een leverbakkerij op de Klarendalseweg. Fotograaf De Booys heeft er een foto van gemaakt. Die kwam ik tegen in een boek dat een paar jaar geleden is uitgegeven.
In mijn boekenkast staat vijfenveertig centimeter literatuur over Arnhem.
Arnhemse straten geplaveid met herinneringen luidt een van de titels.
Als je dat boek openslaat stijgt er een verschrikkelijke walm op. Donkerbruine nostalgie.
Ik herinner mij, Ik herinner mij, Ik herinner mij... meerdere malen op elke pagina, vet gedrukt bovendien.
Een ander boek heet Arnhem en zijn toekomstige ontwikkeling. Het is uit 1919. Toen konden ze het al niet laten.
Wat is dat toch? Terugkijken of vooruitkijken? Er lijkt geen tussenweg te bestaan.
Voor de rest allemaal boeken over de slag om Arnhem.
Want in de oorlog is Arnhem verwoest.
Na de oorlog is wat er nog overeind stond verwoest.
Dat proces is onomkeerbaar en niet te stoppen. Het duurt voort tot vandaag.
Maar ook datgene wat nog wel overeind staat is niet meer wat het was. Dat heeft natuurlijk vooral met mij te maken. Ik pleit geen onschuld.

Zevenentwintig jaar geleden ben ik hier weggegaan. Heel stilletjes ben ik op een decemberochtend in 1981 weggeslopen.
Ik heb me nooit Arnhemmer gevoeld. Ja, toen ik er woonde, toen ik ingeschreven stond bij de burgerlijke stand. Maar jezelf Arnhemmer noemen als je er niet meer woont... Alsof Arnhemmer zijn een doel op zich is.
Maar misschien vergis ik me. Toen een boek van mij vorig jaar genomineerd werd voor een literaire prijs werd ik in een lokale krant plotseling een Arnhemse schrijver genoemd.
Maar in een Vlaamse krant werd ik dan weer een Nederlands-Vlaamse schrijver genoemd.
Arnhem. Paradijs voor aannemers, projectontwikkelaars en megalomane politici. Kantoortorens doorklieven als stijve pikken de wolken. Arnhem hoofdstad van... ja, van wat eigenlijk. Al lang niet meer van Gelderland moeten ze ergens hebben gedacht.
Maar Arnhem is geen metropool. Arnhem is een pleisterplaats waar je je paarden ververst. Terwijl dat gebeurt, eet je iets, drink je wat. En dan gaat de reis weer verder.
Ik las onlangs een gedicht van Bertold Brecht. Een heel toepasselijk gedicht. Radwechsel heet het.

Het verwisselen van een wiel

Ik zit in de berm van de weg
de chauffeur verwisselt het wiel
ik ben niet graag waar ik vandaan kom
ik ben niet graag waar ik naar toe ga
waarom bekijk ik het wisselen van het wiel
met ongeduld?


Zoiets... Misschien...
Arnhem...
Arnhem is een ongeneeslijke ziekte. Je kunt er heel oud mee worden.
Je mag het ook vergelijken met katholiek zijn. Je kunt er afstand van nemen maar je raakt er nooit los van. Het gaat in je kleren zitten. Je krijgt het er nooit meer uitgewassen.
Laatst hoorde ik op de Belgische radio gregoriaans zingen. Heel even dacht ik dat ze in het Arnhems zongen.

UITGESPROKEN BIJ DE PRESENTATIE VAN DE UITGAVE WAAROM IK NIET IN ARNHEM WONEN WIL

06-03-08

SCHAAMTELOZE FOTO’S



I.
I took this of mother. She raised us children good “Catholics” – and was a good Catholic when she died, staat er in een mooi rond handschrift achter op de foto. Op de voorzijde zien we mijn oudtante Elisabeth. Ze was al dood toen ik werd geboren en op de foto is ze dat ook. Morsdood.
Geplisseerd satijn omsluit haar aan alle kanten, een crucifix staat tegen de zijkant van de kist geleund en schuin boven haar hoofd zweeft een onbestemd bloemstuk waarin wat verdwaalde anjers schuil gaan. Ik moet een jaar of tien geweest zijn toen ik de foto voor het eerst zag. Hij integreerde mij mateloos. Vooral het grauwe uitdrukkingsloze gezicht van de dode en haar vingers die een rozenkrans omklemmen, maakten indruk op mij. Zij was de eerste dode die ik zag, weliswaar op papier en in zwart-wit, maar toch.
Een foto van een dode, van iemand die het tijdige voor het eeuwige heeft verwisseld, die op reis is gegaan naar de eeuwige jachtvelden zoals het in de boeken van Karl May wordt genoemd. Één blik op de foto van tante Elisabeth was toen genoeg om mij in de wereld van Old Shatterhand en Winnetou te katapulteren. Dat had natuurlijk alles te maken met dat tante Elisabeth rond 1913 met haar minnaar naar Amerika was gevlucht. De man had de kas van de scheepswerf waar hij als boekhouder werkte, geplunderd. Vandaar. Ze kwamen uiteindelijk in Sioux City terecht. Daar bezweek tante Elisabeth in 1942 aan de complicaties van een galblaasoperatie. Sioux City. Niet lang daarvoor had ik Old Shatterhand verslaat Sioux gelezen. In Sioux City was het in de jaren veertig blijkbaar vrij gewoon iemand in zijn kist te fotograferen.
Neef Arnold had niets met Old Shatterhand te maken. Je zou hoogstens kunnen zeggen dat hij zijn fotocamera’s bediende zoals Old Shatterhand zijn repeteergeweer, de Henry-buks. Daarmee hield elke overeenkomst op. Neef Arnold was de man die voordat de herdenkingsdienst begon ongevraagd foto’s maakte van de kist van mijn schoonvader.
‘Schei daar mee uit, houd daar mee op,’ werd er gesist. Hij liet zich door niets en niemand tegenhouden. Sinne en wille kinne folle tille, luidt het Friese spreekwoord. Waar een wil is, is een weg. Hij was niet voor niets met zijn statief en twee synchroon werkende camera’s vanuit het verre Leeuwarden gekomen om de plechtigheid bij te wonen.
‘Laat mij begaan, anders zullen jullie er later spijt van hebben,’ zei hij. Klik, klik, klik... ‘Het zal een mooie herinnering zijn.’ Klik, klik, klik. En toen weer terug naar Friesland.
Wij hebben de foto’s nooit gezien. Vrij kort na de begrafenis werd hij tijdens een zeiltocht op de Palsepoel tussen Heeg en Oudega getroffen door een infarct. Hij sloeg overboord en verdronk. Je hoeft niet bijgelovig te zijn om een verband tussen deze twee gebeurtenissen te vermoeden.
Neef Arnold was een uitzondering. Lijken en lijkkisten zijn geen favoriet onderwerp bij amateurfotografen. Dat is vreemd, want wat is er op tegen je dierbare vast te leggen op het moment dat hij het tijdelijke voor het eeuwige verwisselt? Je houdt er een leuke herinnering aan over. Neef Arnold begreep dat maar hij was een roepende in de woestijn. En niemand heeft zijn begrafenis met twee synchroon werkende camera’s voor het nageslacht vastgelegd.
Vroeger werd van iedereen die iets voorstelde een dodenmasker gemaakt. De universiteit van Princeton bezit een mooie collectie. Dante is er vertegenwoordigd, Beethoven, Napoleon en de obscure dichter Ridgely Torrence (What saw I then, what heard? Multitudes, multitudes, under the moon they stirred!). De nu vergeten wijsgeer Antoon Vloemans ontleende er filosofische inzichten aan: "Het leven is blijkbaar een langdurige kramp, want alleen aan dodenmaskers kan men zien wat innerlijke vrede is."
Dodenmaskers dus, maar ook tekeningen en later de fotografie. Nadat Marcel Proust was gestorven, was het helemaal een dolle boel. In de Proust-biografie van Ghislain de Diesbach lezen we: ‘De schilder Helleu komt om een ets van zijn gezicht te maken. Dunoyer de Segonzac maakt een profielschets in houtskool en Man Ray maakt een foto.’


II.
Vroeger was er behoefte het einde van een leven vast te leggen. Tegenwoordig beperkt men zich tot het begin. We moeten niet veel van de dood hebben. Begraven of cremeren en dan wegwezen.
De geboorte daarentegen… Als zich ergens nieuw leven aandient, zijn ze niet meer te houden. Het begint steeds vroeger. Mannen en vrouwen lopen rond met in hun portemonnee een afdruk van de echo van hun ongeboren kind. Ik heb er al menigeen onder mijn neus gedrukt gekregen. Zo’n slecht afgedrukte trapeziumvormige onderwaterfoto in zwart-wit. ‘Kijk eens, dat is ie dan,’ zeggen ze terwijl de wijsvinger op een ondefinieerbare witte vlok priemt. Of : ‘Wat vind je van m’n dochter.’ Want ze weten tegenwoordig heel snel of het een jongen of een meisje is. Dan beginnen ze te timmeren en te zagen. Een ridderkamer – het bed compleet met kantelen en een ophaalbrug - voor het nog ongeboren jongetje. En voor de meisjes een prinsessenkamer met de bijbehorende parafernalia.
Een naam weten ze dan ook al. Vaak is het er een die getuigt van goede smaak of van verstolen dromen. Of van durf. Als het maar niet aan vroeger herinnert. Niet aan de doden of de dood. Toen mijn vrouw in een Antwerps ziekenhuis beviel van onze dochter, lag in de kamer naast haar mevrouw Vanderslagmulders. Op de deur was met feestelijke linten de geboortekaart bevestigd en daarop stond te lezen dat de trotse ouders lieten weten dat er een tweeling was geboren: Shawn en Shanty.
Shawn en Shanty Vanderslagmulders; in Vlaanderen is Kamagurka nooit ver weg.
Geklik en gezoem. Terwijl de trotse vader de videocamera bedient, loopt een tante of grootvader onrustig rond met de digitale camera. Elke fase van het geboorteproces wordt vastgelegd. Het begint in de verloskamer? Ik kan er van meepraten. ‘Heeft u een camera waarmee we de geboorte kunnen vastleggen?’vroeg een verpleegster. Nee, ik had geen camera. Nog geen halfuur later begon het opnieuw. Een andere verpleegster die de baby overnam van de gynaecoloog, bood aan een foto te maken terwijl ik de navelstreng doorknipte. Maar ik wilde de navelstreng helemaal niet doorknippen. Daar was zij toch voor opgeleid? En wat betreft dat fototoestel, nee, dat had ik niet bij me.
Nadat een kennis van ons, de mimespeelster Ingrid K., bevallen was van een gezonde zoon van ruim zes pond en tweeënvijftig centimeter lang, ontvingen wij een geboortekaart. Het was een grote kaart, A5formaat. Aan de ene kant de gegevens en het adres waar de geboortelijst zich bevond. Op andere kant stonden contactafdrukken. In kleur! Beeldje voor beeldje werd hier de geboorte gedocumenteerd. Dat het een zware bevalling was geweest, zag je aan de moeder. Die zag er uit alsof ze twee weken onafgebroken aan de zwier was geweest. Met de baby was het al niet veel beter gesteld: een bloederig en slijmerig wezentje waaraan weinig menselijks te bespeuren viel.
‘Waarom verstuur iemand zoiets?’ zei mijn vrouw toen ze na een lange en ijzingwekkende stilte de kaart aan mij teruggaf.
‘Ik weet het niet...’ zei ik. Ik wist het werkelijk niet. Of: ik wilde het niet weten. Hoeveel schaamteloosheid kan een mens verdragen?
Toen ik in 1958 werd geboren was de babykrul nog wijdverspreid. De haren van de baby werden natgemaakt, naar het midden gekamd en in een rol gelegd. Vervolgens werd de baby op een schapenvachtje gelegd en door een beroepsfotograaf gefotografeerd. Iedereen in onze familie deed dat. Later kwam je de ingelijste foto’s weer tegen op het buffet of op de schouw van de familieleden.
Mijn moeder was faliekant tegen de babykrul. De babykrul deugde niet, was ordinair. Zij hoopte zich door in mijn babyhaar geen babykrul te draaien van haar familie te onderscheiden. Ook werd ik niet op een schapenvacht bij een fotograaf gelegd. Mijn vader fotografeerde zelf. Hij had een Box-Tengor van Zeiss-Ikon met Goerz Frontar objectief. Daar gingen rolfilms in en het gaf mooie grote 6 x 11 negatieven.
Ik was al lang en breed gewassen en aangekleed toen vader begon te fotograferen. Er was een duidelijke taakverdeling. Vader fotografeerde en moeder plakte de foto’s in het babyboek. Een vierkant in roodbruin linnen gebonden album. Verlucht met illustraties van Rie Cramer. Een evergreen, want toen mijn dochter veertig jaar later geboren werd, kregen we van een overbuurvrouw precies hetzelfde album.
Mijn exemplaar ligt voor me. BABY’S BOEK staat er op. Op de titelpagina is het envelopje met het geboortekaartje geplakt. Met grote vreugde en dankbaarheid... etc. etc. Op de volgende pagina een kwak opgedroogde lijm waarin wat haartjes kleven. Baby’s eerste haartjes. Dat zijn ze dus, de haartjes waarin nooit een babykrul werd gedraaid.
Een foto ben ik nog niet tegengekomen. Ook niet op de volgende pagina. Wel weet ik inmiddels wanneer ik voor het eerst gelachen heb en wanneer de eerste tranen kwamen. Later is er nog met een andere kleur ballpoint bijgeschreven dat ik op 17-8’58 mijn eerste twee tandjes kreeg. Ik sla nog een bladzij om. Weer geen foto. Wel een tekening van een engel met een baby in haar armen. Inderdaad, van Rie Cramer. Op de tegenoverliggende pagina heeft mijn moeder de feitelijke gegevens van mijn geboorte geschreven: uur, datum, gewicht en lengte.
Dan eindelijk de eerste foto: mijn moeder met de baby. Er onder staat de datum: 16 februari 1958. Precies twee weken na mijn geboorte maakte mijn vader de eerste foto van zijn zoon! ‘Dit waren de eerste foto’s,’ staat er ten overvloede onder en dat mijn gewicht iets was teruggelopen.
Mijn vader had in de familie de reputatie van goed fotograaf. Waarschijnlijk had dat vooral te maken met de manier waarop hij fotografeerde. De eindeloze voorbereidingen die aan het afdrukken vooraf gingen, waren legendarisch. Als ik de foto’s na al die jaren terugzie, moet ik concluderen dat het resultaat nogal mager is. Slecht belicht en gekadreerd. Veel foto’s zijn genomen juist op het moment dat iemand gaapt of zijn ogen sluit. ‘Jammer dat hij net zijn handjes voor zijn gezichtje houdt’ luidt het onderschrift bij een van de foto’s. Zo kun je het ook bekijken. Jammer... Want het moment dat ik naast mijn twee nichtjes op tafel lag, was voorgoed voorbij toen mijn vader weken later de afdrukken bij de fotowinkel ophaalde. Het zou nooit meer terugkomen en alles wat er restte was deze foto waarop ik met mijn twee handjes mijn gezicht afdek.
Ik blader verder. Vooral de teksten worden nu interessant. Mijn moeder verwoord niet langer haar verwondering en vreugde over het nieuwe leven. Ze verwoordt nu de gedachten van de baby. Op een schemerige, scheve foto waarop ik in mijn kinderstoel naast een kerstboom zit, staat geschreven: ‘O, wat is die boom toch mooi. Kon ik er maar even aan graaien.’ Misschien waren het werkelijk mijn gedachten. We zullen er nooit achter komen. De foto geeft in ieder geval geen uitsluitsel.
Ik blader door naar de laatste pagina. De teksten beperken zich steeds meer tot plaats en datum. De laatste foto is genomen in februari ’68: een dikke jongen met een ijsmuts op een slee. Het boek moet vol, zal mijn moeder gedacht hebben.
Ik was inmiddels tien jaar en in andere dingen geïnteresseerd. Bijvoorbeeld in die foto van tante Elisabeth in haar lijkkist met achterop die raadselachtige tekst waar ik toen nog niets van begreep.

Eerder gepubliceerd in het jaarboekje 2008 van Uitgeverij Voetnoot: BABY'S BOEK

12-02-08

HET KRUKJE VAN KLEINE PIETJE



7 opmerkingen over Arnhem

1. Kleine Pietje was niet groot. Hoogstens een meter vijftig. Ik kende hem uit het café. Daar dronk hij na zijn werk bier, rookte sigaren en besprak op luide toon de toestand in de wereld. Hij spelde de kranten. Dat merkte je aan de meest krankzinnige details die hij in zijn betogen verwerkte. Maar de “hoge heren” willen niet naar hem luisteren, verzuchtte hij. Hij had niet anders verwacht. ‘Vertel mij wat...’ schalde zijn stem terwijl hij strijdlustig het café rondkeek. En dan zei hij dat hij wist waarover hij sprak, dat hij inzage had gehad in geheime dossiers.

2. In1981 verliet ik Arnhem. Ik nam me voor er nooit meer terug te keren. Ik had gestudeerd aan de docentenopleiding van de Arnhemse Toneelschool. Vier ellendige jaren.
De opleiding was gevestigd in een herenhuis met een prachtige wit gekalkte gevel in de Parkstraat. Van deze grandeur was binnen niets meer te merken. Het leek of men alles wat in de verste verten herinnerde aan de oorspronkelijke bewoners had gesloopt. Niets functioneerde. Alles was verveloos.
Hier dachten ze door middel van rollenspel en straattheater de arbeidersklasse rijp te maken voor de klassenstrijd. De studenten – de meeste kwamen uit Nijmegen en Brabant – spraken een verschrikkelijk Nederlands en waren zonder uitzondering lelijk. Men sprak en gedroeg zich zoals men dacht dat een arbeider sprak en zich gedroeg. Ik was een salonrevolutionair. Mijn kleding deugde niet; te weinig kreuken, te weinig vlekken. Ik kende de theorie maar was verdacht.
Later deed het feminisme haar intrede. Dat ik een salonrevolutionair was, leek niet meer het belangrijkste. Ik kreeg nu andere verwijten naar mijn kop geslingerd. Ik was te rationeel, ik handelde niet vanuit mijn gevoel. Omdat ik een medestudente wilde behagen, werd ik lid van een mannenpraatgroep. Veel hielp het niet; ik bleef een man. De vrouwen hadden inmiddels hun vormeloze corduroybroeken ingeruild voor vormeloze paarse overals. Neuken mocht niet meer. Penetratie was imperialisme. De vrouwen begonnen met elkaar te experimenteren. Ook mijn medestudente.

3. Bij mij in huis woonde Charlotte Q. Ze studeerde aan de kunstacademie. Als ze niet schilderde, las ze boeken van Thomas Bernhard. Ze was zo in de ban van de Oostenrijkse overdrijvingkunstenaar dat ze zich per brief als huwelijkskandidaat aanbood. Hij heeft niet gereageerd.
Het ontbrak haar niet aan aanbidders. Boogiewoogiepianist Jaap Dekker die tegenover ons woonde, stond gedurende enige weken bijna iedere avond op de stoep. Ze werd daar zo nerveus van dat ze steeds aan een van de andere bewoners vroeg om bij zijn bezoeken aanwezig te zijn. Ik herinner mij vooral de flauwe woordgrappen waarmee de pianovirtuoos het steeds stokkende gesprek gaande probeerde te houden.
Kleine Pietje schreef gedichten voor haar. Meestal met potlood neergekrabbeld op de achterzijde van een sigarendoos. Als ze niet reageerde op zijn aanbellen – en dat deed ze bijna nooit – schoof hij ze in de brievenbus. Een paar keer heb ik zo’n doos gevonden. Maar hij bezorgde haar niet alleen gedichten. Een keer stond hij voor de deur met een doos Rembrandt olieverf van Talens. Niet zo’n kleine doos met 12 tubes, nee, in deze doos zaten er minstens 24.
Na haar eindexamen is Charlotte Q. verhuisd naar Parijs. Daar is ze getrouwd met een gevluchte Iraniër die als planner bij de RATP werkte.

4. Het Arnhem van nu is gebouwd op de resten van mijn Arnhem. Mijn Arnhem bestaat niet meer, heeft wellicht nooit bestaan.
In Arnhem was ik jong. Alle mogelijkheden stonden nog open. Er kon voortdurend van alles gebeuren, maar er gebeurde niets. Toen dat tot mij doordrong vertrok ik.
Arnhem, stad van mijn jeugd, stad van Kleine Pietje. Arnhem, stad van de doden. Nu kom ik alleen nog op Moscowa; daar liggen mijn ouders in een familiegraf. Er is plaats voor drie. Ik kan er dus nog bij. Ze mogen me overal begraven of verstrooien als het maar niet in Arnhem is. Dat heb ik bij een notaris laten vastleggen.

5. Eind jaren tachtig leerde ik Vince van G. kennen. We hadden tegelijkertijd in Arnhem gewoond en gestudeerd maar elkaar nooit ontmoet. Inmiddels woonde hij in de Spaanse stad Murcia en maakte in een kleine kamer met uitzicht op de oude stad schilderijen. In die kamer vertelde hij me op een avond dat hij tijdens zijn middelbare schooltijd een vakantiebaantje had in de afwaskeuken van het Gemeente Ziekenhuis. Een van zijn collega’s was Kleine Pietje. Wat hem het meest was bijgebleven, was het krukje van kleine Pietje. Dat was speciaal voor hem aangeschaft door de directie en daar stond hij op als hij aan het afwassen was. Niemand anders mocht dat krukje gebruiken.

6. Op een regenachtige dag in 1983 nam ik de trein naar Arnhem. Het was de eerste keer sinds mijn vertrek twee jaar eerder. Ik wilde mijn ouders bezoeken maar in plaats van op het Stationsplein de bus naar Vredenburg te nemen, besloot ik eerst een wandeling door de binnenstad te maken. Ik stak het Willemsplein over en liep richting Riche. Ik zag veel mensen die ik van gezicht kende. Ik knikte maar niemand beantwoordde mijn groet.
Ik sloeg rechtsaf de Jansstraat in. Ter hoogte van de Pauwstraat werd ik opgeschrikt door een luide stem.
‘Hé!’
Ik bleef stilstaan en keek om me heen. Aan de overkant van de straat voor sigarenmagazijn De Oude Tijd stond Kleine Pietje. Vriendelijk glimlachend, sigaar in de mond, stak hij de straat over.
‘Zo, kosmopoliet, weer eens een dagje in de provincie,’ schalde zijn doordringende Arnhemse stem terwijl hij mij een hand gaf.
Mensen waren blijven stilstaan en keken naar ons. Vaak heb ik me erg ongemakkelijk gevoeld als Kleine Pietje in een overvol cafés het woord tot me richtte. Die keer, in de Jansstraat, was hij me plotseling erg dierbaar. Ik genoot met volle teugen van elk woord in zijn oorverdovende monoloog.

7. Ook ik ben Kleine Pietje. Arnhem is mijn krukje.


verscheen eerder in Waarom ik niet in Arnhem woon, Stichting PlaatsMaken, Arnhem, 2008

04-02-08

FENOMENALE FEMINATEEK


Louis Paul Boon is een van de grootste - zo niet de grootste - schrijvers van de twintigste eeuw. Dat kunnen we overal lezen. Niemand spreekt dat tegen. Niemand durft dat tegen te spreken. Ook CD & V politici doen dat niet zo snel.
In 2004 verscheen bij uitgeverij Meulenhoff/Manteau De Fenomenale Feminateek. Een collectie foto’s van vrouwelijk naakt die Louis Paul Boon bij leven bijeenbracht en categoriseerde. In juni zou de Fenomenale Feminateek in het Antwerps fotomuseum te zien zijn. Verbeter: in het Provinciaal Fotomuseum.

En die tentoonstelling is nu afgelast. Door Ludo Helsen, de gedeputeerde van Cultuur. En waarom?
"Het artistieke gehalte van de collectie is te laag. Vaak zijn de foto's maar wat krantenknipsels of zo. Ik heb thuis nog een verzameling plaatjes van sjotters en wielrenners en die toon ik ook niet in het Fotomuseum," zegt het orakel van Laakdal.
Nou is niemand geïnteresseerd in Helsens collectie kranteknipsels van sjotters en wielrenners. Maar dit terzijde. Verbazingwekkend is dat Helsen hier een oordeel geeft over de artistieke waarde van een tentoonstelling. Dat is nu precies wat een bestuurder niet moet doen, niet mag doen! Nu heeft hij formeel het gelijk aan zijn zijde als hij beweerd dat hij het recht heeft zijn veto uit te spreken. Ja, formeel. Maar het is een ongeschreven wet dat curatoren en museumdirecties zich daarover uitspreken. Dat zijn meestal mensen die er voor gestudeerd hebben, die een op ervaring en kennis gebaseerde visie hebben. Een gedeputeerde moet zich bezig houden met het goedkeuren van een overkoepelend beleidsplan van een culturele instelling. Natuurlijk zijn dat ongeschreven wetten. Maar ook bewindslieden die ongeschreven wetten met voeten treden minachten de democratische beginselen.
Helsen is ook verwonderd over de term 'annulatie'. 'Oei, ik wist niet dat de tentoonstelling al was aangekondigd. Het is natuurlijk jammer dat dit gebeurt voor de bevoegde overheid haar goedkeuring heeft gegeven aan de programma's van de provinciale musea.”
Wat moeten we hier van denken? Heeft hij er eerst overheen gelezen? Is hij pas later door iemand anders op de eventuele bezwaren tegen deze tentoonstelling gewezen? Is er sprake van een politiek ruilhandeltje? Er zijn geruchten dat de bezwaren uit de hoek van Vlaams Belang komen. Daarover heeft niemand zich nog durven uitspreken. Dat is jammer, maar begrijpelijk want zoiets vraagt moed.
'Ik had zelfs groen licht gegeven op voorwaarde dat ik betrokken zou worden bij de opbouw van de expositie. Want u weet ook dat Boon soms in een bepaalde richting ging die vandaag wenkbrauwen zou doen fronsen.” Wat moeten we daar van denken, wat suggereert Helsen hiermee? Dit lijkt bijna op karaktermoord. Dertig jaar na het overlijden van Boon! 
En wat bedoelt hij met betrokken? Bepalen hoe hoog de foto’s komen te hangen? De kleur van de kaders bepalen? Welke schuimwijn er bij de vernissage wordt geschonken?

Ik denk aan wat Gerard Reve in een interview met Vrij Nederland uit 1996 over Boon zei. Reve - weet u nog? - werd in 2001 de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend. Hij mocht hem echter niet uit handen van de koning mocht ontvangen. Zijn vriend werd op dat moment verdacht van pedofiele praktijken. Let wel: verdacht. Nog niet veroordeeld! Toch was dat voldoende voor de minister van cultuur om tot deze beslissing te komen.
Genoeg. Ik laat Reve aan het woord over Boon: “Een kleine kromgewerkte man. Ontzettend geil, maar niet onkuis. Er kwam een meisje in zo'n wit rokje van De Bijenkorf wat eten brengen. Boon maakte haar de complimenten en zei met van die gloeiende ogen heel eerlijk wat hij van haar vond en van haar begeerlijkheid. En dat meisje bloosde en was verlegen, maar ze was niet gekwetst of beledigd. Hij zei alles wat hij van haar wilde als het zou kunnen, en er was geen onkuis woord. Dat was iets heel zuivers in die man. Boon zag seksualiteit als een noodlot, niet als iets smerigs.”
Dat zijn gedachten van iemand die weet waarover hij het heeft. Zoiets zul je niet snel uit de mond van een politicus horen. Moeten ze ook niet proberen. Daar zijn andere mensen voor: kunstenaars, schrijvers, curatoren... Ieder zijn vak.
Politici zijn bange mensen. Maar waar zijn ze toch zo bang voor? Wanneer staat er eens eentje op die laat zien over de nodige moed te beschikken?

VILLA HELLENBOSCH, VOLLEZELE


Maandag 19 november 2007. Het verkeer raast voorbij over de N 272. Voor me in de greppel liggen mosselschelpen. Ik bevind me in het Pajottenland, meer dan honderd kilometer van de zee verwijderd. En daar ligt Marcel Broodthaers in het gras. Breugheliaanse vergezichten waren me beloofd. En dan dit.
Ik vervolg mijn wandeling. De Kongoberg is mijn doel. Alleen al vanwege de naam. En natuurlijk omdat het een berg is. Een berg stelt vergezichten in het vooruitzicht. De berg dankt zijn naam aan de mijnwerkers die hier vroeger in armzalige hutten woonden. Met de legendarische treinlijn 123, de fossemannentrein, gingen ze werken in de Waalse mijnen. Als ze terugkeerden met hun zwarte gezichten werden ze spottend Congolezen genoemd.

Twee volle weken mag ik in Villa Hellebosch werken. Ik kan me veertien dagen onafgebroken aan mijn roman Vuur stelen wijden. Dat schept verplichtingen. Ik zal geen uitvluchten meer kunnen verzinnen. Hier ben ik alleen met mijn laptop. Er wordt voor me gezorgd en verder laten ze me met rust.
Maar deze middag besteed ik nog om te acclimatiseren. Ik heb gelijk na aankomst de werktafel ingericht. Mijn documentatie ligt op nette stapels naast de laptop. Ik heb mijn emailaccount ingesteld. Nagekeken of alles functioneert. Nu eerst een wandeling door de omgeving.
Ik werp een blik op de wandelkaart en steek de weg over die Ninove met Enghien verbindt. De taalgrens is hier zeer nabij. Om die reden heb ik ook Arm Wallonië van Pascal Verbeken in mijn rugzak gestoken.
Ik loop in de richting van de kerk. Op het Oudstrijdersplein bevindt zich het Museum van het Belgisch trekpaard. Schuin er tegenover staat een standbeeld van een paard. Het onderschrift leert me dat het hier het bekendste trekpaard van Vlaanderen betreft: Brillant. Even later een bord waarop de Kongoberg staat aangegeven.
Ik loop door de velden. Volgens een bord is dit een stiltewandeling. Het is rustig maar niet stil. Af en toe wordt ik ingehaald door auto’s die met flinke snelheid over de smalle landelijke weg rijden en me noodzaken de berm in te vluchten.
Boven op de Kongoberg die honderd meter hoog is, is het wel stil. De mijnen in Wallonië zijn dicht. De hutten van de mijnwerkers zijn verdwenen.
Ik sla het bospad in dat me terug zal voeren naar Hellebosch. Mijn werktafel wacht. Ik versnel mijn pas. Genoeg gelanterfant.
Ik overdenk de mogelijkheid dat ik straks achter mijn laptop ga zitten en zich niets aandient. Dat is mogelijk. Alleen al de gedachte hieraan kan verlammend werken.

2 december 2007. Mijn koffer staat in de hal. Ik heb mijn bestanden op de externe harde schijf gezet. Ik ben tevreden. Mijn angst is ongegrond gebleken. Ik heb meer dan zestig pagina’s geschreven. Mijn boek is nog niet af, maar het fundament ligt er.
Ik loop nog een laatste keer door de kamers, bekijk de tekeningen van Ensor, loop de gang op met de foto’s van de collega’s die me hier voorgingen. Ik ga naar buiten. De waakhond die bang voor mensen is, wacht op me en volgt me op een afstand van een meter of twintig. Ik ga de stal binnen. Daar staat King, de zwarte pony, die me zo aan Saartje, de zwarte poes van mijn dochter, doet denken. Nog een laatste keer kijk ik naar zijn ondeugende ogen. Hij doet ondanks zijn formaat zijn naam eer aan; in deze stal is hij de heerser. Dat begrijpen de andere twee paarden ook.
Buiten is het beginnen te regenen. Ik hoor het tikken op het dak van de stal. Dan het geluid van een auto. Het is tijd. Ze komen me halen. Morgen begint het echte leven weer.