19-03-2008

OVER HET VERDRIET VAN BELGIË


Vijfentwintig jaar geleden woonde ik nog in Nederland. In Amsterdam om precies te zijn. Dat maakt verschil. Ik herinner me geruchten en gissingen in kranten en weekbladen. Het verdriet van België. Claus was ermee bezig, het zou zijn opus magnum worden. Hij zou uitgeschreven zijn, vastzitten. Het werd zo’n beetje Claus’ Boek van violet en dood. Zou het ooit verschijnen? En toen lag het plotseling in de winkels. Ik las het toen niet. Ik was om duistere redenen Claus een beetje uit het oog verloren.
Tien jaar later verhuisde ik naar Antwerpen. Een paar dagen na de verhuizing deed ik inkopen bij de Carrefour in de Lange Lozanastraat. Terwijl ik met mijn karretje van de zuivel- naar de groenteafdeling reed, zag ik plots Hugo Claus staan. Tussen de rekken met kool, prei, uien en aardappels - enigszins ontheemd. Een Romeinse tribuun in de herfst van zijn leven. Ik vroeg me af of hij besefte waar hij was. Even later kwam er een beeldschone vrouw met een boodschappenmandje vol fruit en groente op hem af. Het volgende moment waren ze verdwenen.
Dit voorval was een omen. Nog diezelfde middag begon ik in Het verdriet van België. Ik las het in één ruk uit.
De laatste regel: Wij gaan zien. Wij gaan zien. Toch. Met veel moeite slaagde ik er in uit het boek te klauteren.
Ik dacht dat ik een boek over de oorlog had gelezen. Ik dacht dat ik een boek over België had gelezen. Kortom over België in de oorlog. En over hoe die periode nog steeds van invloed was op de jaren daarna.
Nu besef ik dat ik dat destijds in het boek wilde lezen. Ik hoopte inzicht te krijgen in België, in Vlaanderen. Natuurlijk, het staat er allemaal in. Oorlog, collaboratie... en vrede. Claus tovert ons met zijn taal het ene beeld na het andere voor. Long-shots, medium-shots, dan wordt er plotseling weer ingezoomd. Het is fictie van een superieure soort. Nooit krijg je het idee dat het achter de schrijftafel bedacht is. We krijgen een universum voorgeschoteld, bevolkt met mensen met plannen, met driften, angsten. Hier wordt al lang niet meer in termen van goed en kwaad gedacht. Het schemergebied tussen goed en kwaad is de biotoop van de mens. Daar zijn geen duidelijke grenzen getrokken. Is ook onmogelijk. Banaliteiten stippelen ons pad uit.

Etienne Vermeersch noemde in De Morgen Het Verdriet van België een tijdsdocument. Zo’n omschrijving doet het boek tekort. Het is een boek over Claus. Niet Claus die op 5 april 1929 in Brugge is geboren. Nee, over de kunstenaar Claus die op een heel ander moment, op een heel andere plaats is geboren. Over die geboorte schrijft hij bijna 800 pagina’s lang. Als hij op een ander moment, in een ander land was geboren, had hij dit boek ook geschreven.
Ik houd niet van dikke boeken. Maar soms zijn boeken van nauwelijks honderd pagina’s al te dik. Dit boek is niet te dik.
Nadat ik Het verdriet van België had uitgelezen, begreep ik weer waarom ik als jongen van zestien zo aangegrepen was door De Metsiers. Aangegrepen en ontregeld.
Het Verdriet is de ruggengraat van Claus’ oeuvre. Het geeft de samenhang aan tussen al die soms zo van elkaar verschillende boeken die hij heeft geschreven. Het onverenigbare verenigen. Dat beheerst hij als geen ander.
In het boek zien we niet alleen de schrijver, ook de regisseur en de beeldend kunstenaar kijken om de hoek. Die enorme hoeveelheid grijstinten waar hij ons op vergast. Als Nederlander – vooral gewend aan zwart-wit -begint het je soms te duizelen.
Wij hoorden de saxofoon en de paukeslag. Wij zagen een meeuw die hinkte.
Een witregel terwijl de kamera 180° draait en uitzoomt. Extreem long-shot.
Wij gaan zien. Wij gaan zien. Toch.
Die zin dreunt nog steeds na in mijn hoofd.

eerder gepubliceerd in De Standaard, 14-03-2008

Geen opmerkingen: