10-11-11

MARK CLOOSTERMANS HEEFT EEN MENING

Dit schrijft criticus en moraalridder Mark Cloostermans vandaag op zijn Facebookpagina:

'De Standaard der Letteren publiceert vandaag (en niet voor het eerst) een recensie van Willem van Zadelhoff die ook op de Reactor staat. De Reactor, dat "platform" waar de hooghartige afkeer voor de klassieke media uit haast elke tekst gutst. Het was me al eerder opgevallen en het het had me al eerder gestoord en vandaag moet het er maar eens uit: dit van twee walletjes eten is immoreel.'

ik zou dus van twee walletjes eten... Inderdaad, er staat vandaag een recensie van mij over Wat nu, kleine man? van Hans Fallada in de Standaard der Letteren. Over hetzelfde boek publiceerde ik een paar weken geleden ook een bespreking op De Reactor.

Zoals Cloostermans al aangeeft in zijn reactie verschillen beide media nogal van elkaar. De Standaard der Letteren bedient een breed in boeken en literatuur geïnteresseerd publiek. De recensies zijn korter en dientengevolge ook minder diepgravend dan die van De Reactor. Daar is niets mis mee. Ze hebben beide bestaansrecht. Het is nu eenmaal een feit dat het medialandschap aan verandering onderhevig is. Dingen die vroeger in de krant vanzelfsprekend waren, zijn dat niet meer. Dat heeft natuurlijk veel met marketing en aanverwante zaken te maken. Dat Cloostermans De Reactor een hooghartige afkeer voor de klassieke media aanwrijft verbaast dan ook. Maar ja, ieder leest wat hij wil lezen. Daar is al heel wat behartigenswaardigs over geschreven in de psychologische handboeken.

Maar erger is dat hij beweert dat ik dezelfde recensie tweemaal heb gepubliceerd. Het betreft twee volkomen verschillende recensies. Dat wordt heel snel duidelijk als je de moeite neemt ze te lezen. Cloostermans heeft dit overduidelijk niet gedaan. Dat roep vragen op over zijn eigen recensiepraktijk. Leest hij de boeken die hij bespreekt wel? Ik herinner me een bespreking van zijn hand over de roman Noem het middernacht van Johan De Boose. Dat vond hij geen goed boek en daar was hij meer dan duidelijk in. Hij noemde het een oeverloos, saai en pompeus non-verhaal: 'zo'n boek waar ernstige literatuurliefhebbers een stijve pielemuis van krijgen'.

Maar het meest verontrustend was de laatste alinea van zijn bespreking:

Noem het middernacht is een dichtgewoekerde tuin van zinloze details. Twee weken heb ik geprobeerd dit boek uit te lezen. Op bladzijde 170 ben ik finaal gestrand, Hugo Claus parafraserend: 'Genoeg zeg ik, tegen de roman die tussen geeuw en gruwel staat'.

Cloostermans heeft dus een mening maar tegelijkertijd geeft hij toe dat hij het boek maar voor tweederde heeft gelezen. Dat noem ik immoreel. Mij overkomt het ook regelmatig dat ik een boek niet uitlees. Als ik eerlijk ben moet ik zelfs toegeven dat ik de meeste boeken waar ik in begin niet uitlees. Maar daar schrijf ik dan ook niet over. Dat is fatsoen. Dat behoort tot de deontologie van een recensent.

Dus lees, Cloostermans, voordat je oordeelt. Anders kun je beter je mond houden. Iemand die alleen de koppen leest heeft de krant niet gelezen.

En nog iets anders: ik schrijf bij voorkeur recensie over boeken waar ik enthousiast over ben. Wat nu, kleine man? is zo'n boek. Ik ken het niet voor niets 5 sterren toe. En ik zal van elk medium gebruik maken om mijn enthousiasme over dit boek uit te venten. Daar is helemaal niets mis mee. En immoreel is het al helemaal niet.

07-09-11

WIJ WAARSCHUWEN CHINA VOOR DE LAATSTE MAAL


In China hebben ze een boekenbeurs gehouden. Een hele grote naar het schijnt. En Nederlands was gastland. Nu lopen in dat land een heleboel zaken niet helemaal zoals ze zouden moeten lopen. Beter gezegd: zoals wij vinden dat ze zouden moeten lopen. Vrijheid van meningsuiting is daar bijvoorbeeld niet zo vanzelfsprekend. Denk maar aan wat ze met Ai Weiwei gedaan hebben en nog steeds doen.
Maar China is tegelijkertijd ook een enorme groeimarkt. Dus werd er gretig ingegaan op deze uitnodiging. Daar is op zich helemaal niets mis mee. De kachel moet branden ook bij uitgevers en schrijvers. Bertolt Brecht schreef het al in zijn Dreigroschenoper: ‘Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral’.
Met die ‘Moral’ is het nogal vreemd gesteld. Toen eenmaal duidelijk was wie er allemaal in de delegatie zat die Nederland in China zou gaan vertegenwoordigen begon het gedonder. Amnesty wilde dat de leden van de delegatie allemaal een speldje droegen. Weer anderen vonden dat ze helemaal niet moesten gaan. Nog weer anderen dat ze wel moesten gaan maar wel de Chinese hoogwaardigheidsbekleders duidelijk en onverschrokken in hun gezicht zeggen dat ze het niet eens waren met hun beleid. Enfin, iedereen begon door elkaar te roepen. Er werden intelligente argumenten aangevoerd waarom je dit wel en dat juist niet moest doen. We hoorden en lazen natuurlijk ook erg veel domme dingen. Dat kan ook niet anders. Iedereen voelde zich aangevallen en schoot gelijk in de verdediging. Één ding was al vanaf het begin duidelijk: geen enkele Chinese dissident schoot er ook maar iets mee op. Het was zoals wel vaker een typische Nederlandse ideeënstrijd.
‘Wij waarschuwen China voor de laatste maal’ kopte De Telegraaf eind jaren dertig op de voorpagina. Veel is er blijkbaar niet veranderd in Nederland.
Ik moest denken aan Karel van het Reve. In 1967 en 1968 was hij correspondent voor Het Parool in Moskou. Hij schafte zich een bontmuts aan en ging als Rus onder de Russen onopvallend over straat. Hij droeg bijvoorbeeld geen speldjes van Amnesty. Maar dronk wel thee met dissidenten als Andrej Amalrik, Pavel Litvinov en Andrej Sacharov in schemerige achterkamertjes en smokkelde hun manuscripten het land uit. Het werk van Sacharov is dankzij Van het Reve trouwens in het Westen bekend geworden. Kijk, aan zo iemand hadden ze nog eens wat. Achteraf bekeken is het eigenlijk helemaal niet verwonderlijk dat J.M.A. Biesheuvel korte tijd gedacht heeft dat Karel God was.

25-08-11

GEZWETS UIT EEN HONINGPOT


http://www.blogger.com/img/blank.gif
Op zijn blog De Honingpot wijdt Marc Kregting een bespreking aan de uitgave Beste Buren van Uitgeverij Luster. Hij wijdde ook enkele woorden aan mijn bijdrage Het geratel van de rolluiken:

"Ik heb me bij het doornemen van Beste buren menigmaal in de ogen gewreven dat een keur uit de artistieke wereld doodleuk voorbijgaat aan het basale onderscheid van taal. (….) Ja, Willem van Zadelhoff rakelt het taalfacet op, maar schijnbaar om nominaties die hij wel en niet misliep op te voeren. Dit is extra treurig door de presentatie van de auteurs, niet op grond van wat ze hebben gedaan maar volgens het ingeburgerde hyperventilatieschema van welke prijzen ze gewonnen hebben. In dit geval dus een herhaling, die wellicht de grondslag van dit boek is."

Dit is wel erg kort door de bocht. Die man kan niet lezen, zou je als verzachtende omstandigheid kunnen aanvoeren. Maar Marc Kregting kan juist erg goed lezen. Op onvolprezen wijze heeft hij destijds mijn eerste roman geredigeerd. God, wat kan die man goed lezen, dacht ik vaak als ik toen zijn opmerkingen over mijn manuscript las. Dus als iemand als Marc Kregting dit uit mijn bijdrage haalt, dan zet dat je aan het denken. Want iedereen die Het geratel van de rolluiken heeft gelezen kan niet anders dan constateren dat deze tekst gaat over veel meer dan literaire prijzen alleen. Ik refereer aan de Vlaamse Debuutprijs (die ik ben misgelopen omdat ik wel in Vlaanderen woonde maar geen Vlaming was) om iets te illustreren. Namelijk dat ik, hoe ik ook mijn best doe, nooit en te nimmer als Vlaming zal worden geaccepteerd. Ik zal altijd een “Hollander” blijven. En als ik even later de Herman de Coninckprijs voor het beste poëziedebuut ter sprake breng, die ik wel won, dan doe ik dat om te laten zien dat nationalistische kortzichtigheid niet overal in Vlaanderen heerst. Dus als Marc Kregting mijn tekst niets anders wil lezen dan als de jeremiade van een verzuurde allochtoon dan getuigt dat van kwade wil. Want zoals gezegd: Marc Kregting kan heel goed lezen. In ieder geval kan hij beter lezen dan schrijven. Kromme zinnen lijken zijn specialiteit. Deze bijvoorbeeld: “Op dat negeren is een spreekwoordelijke uitzondering, Joke van Leeuwen in misschien wel de meest adequate bijdrage aan het geheel – die twee jaar geleden reeds werd gepubliceerd.”
Het kan natuurlijk ook gewoon zijn dat hij niet meer zo goed kan lezen als vroeger. Die dingen komen voor, heb ik mij door een bevriende neuroloog laten vertellen.

27-06-11

ISMAIL KADARE


Vandaag moest ik om duistere redenen plotseling aan de Albanese schrijver Ismail Kadare denken. Meer dan een jaar geleden mocht ik hem voor De Standaard interviewen. Door schade en schande wijs geworden informeerde ik van tevoren bij zijn uitgeverij of de heer Kadare Engels of Duits sprak. De dame van de uitgeverij stelde me gerust. De gelauwerde Albanees sprak beide talen uitstekend. Toen ik me een paar dagen later aan Kadare in het Engels voorstelde, betrok zijn gezicht en blafte hij mij in een schor en rudimentair Frans toe dat hij slechts Albanees, Russisch en een beetje Frans sprak. Het werd een rampzalig gesprek. Een paar weken later ontmoette ik iemand die Kadare eens een lezing in het Engels had horen geven. En na afloop had hij ook nog vragen uit het publiek beantwoord.

Kadare spreekt in DSL

01-06-11

KOEN RYMENANTS IN ONS ERFDEEL OVER “GA NIET WEG” EN DE “HOLLE HAVEN”- TRILOGIE VAN WILLEM VAN ZADELHOFF

HET MODERNISME ALS GEVAARLIJKE FANTASIE


Ga niet weg, het recentste boek van Willem van Zadelhoff (Arnhem, 1958), is een intelligente ideeënroman over de moeizame verhouding tussen nostalgie en vooruitgangsgeloof. Die spanning wordt bijzonder concreet in de houding van de personages tegenover moderne architectuur. De hoofdfiguur Robert Kats breekt met zijn vrouw Hester wanneer ze hem niet wil volgen naar zijn droomhuis, een modernistisch pand vol licht en lucht. Het symboliseert voor hem het optimisme van de naoorlogse Wederopbouw, maar in haar ogen is het niet meer dan “een kubus, een aquarium” in een onherbergzame omgeving waar het “altijd waait”: de Westelijke Tuinsteden van Amsterdam. Daartegenover staat de Jordaan, de oude volkswijk waar het stel woont. Zij vindt er geborgenheid en ouderwets Hollandse gezelligheid, voor hem is de buurt synoniem met bedompte duisternis en de kitsch van sentimentele schlagerzangers. Robert koopt het huis ondanks Hesters tegenstand en gaat er alleen wonen. Hoe definitief het afscheid in feite is, wordt pas op de laatste bladzijde van de
roman onthuld. Veel sneller al wordt duidelijk dat de tegenstelling tussen oud en nieuw minder helder is dan ze lijkt. Niet alleen is Roberts huis het voormalige optrekje van de Jordanese volkszanger Willy Alberti, het weghalen van het bloemetjesbehang en het witten van de muren blijken ook onvoldoende om het verleden buiten de deur te houden. Zo herinnert Robert zich zijn grootvader van moederskant, een Amsterdamse bloemist met een passie voor Johnny Jordaan, en beseft hij gaandeweg dat zijn architecturale voorkeur ingegeven wordt door heimwee naar vroeger. Dat wil zeggen: naar zijn jeugd, toen het pas verworven huis nog écht nieuw en eigentijds was.
Ook de Berlijnse kunsthistorica Karoline Kwatta, die Robert in Amsterdam komt opzoeken, krijgt te maken met de spanning tussen modernisme en traditie. Haar net afgeronde proefschrift gaat over de ontstaansgeschiedenis van de Freischwinger, de achterpootloze buisstoel. De discussie over het geestelijke vaderschap van dat revolutionaire ontwerp is bekend: komt het toe aan de Nederlander Mart Stam of aan de Hongaar Marcel Breuer? In de fictionele wereld van Willem van Zadelhoff – zie zijn debuutroman Een stoel (2003) – komt het prototype van de Freischwinger voort uit een samenwerking van beide Bauhaus-architecten. De vader en grootvader van Robert Kats speelden daarbij een belangrijke rol, en daarom komt Karoline Kwatta hem haar boek aanbieden. Daarna wil ze zich bezighouden met de achttiende-eeuwse Amsterdamse architect Jan Bouman, die Potsdam van een op de Jordaan geïnspireerd Holländisches Viertel voorzag. Die keuze voor een uitgesproken historisch onderwerp lijkt een forse koerswijziging, maar ook dat blijkt schijn, tenminste volgens haar vroegere geliefde en leermeester Bernhard Mörtenböck. Hij is namelijk van mening “dat de kiem voor het Nieuwe Bouwen in de jaren dertig van de achttiende eeuw door Jan Bouman was gelegd”.
Ga niet weg toont dus de twee gezichten van de geschiedenis. Enerzijds verschijnt ze als een opeenvolging van vernieuwingen, anderzijds bestaat er een vaak onvermoede continuïteit tussen het heden en wat geweest is. Van Zadelhoff belicht die dubbelheid niet alleen in boeiende essayistische passages over architectuur, maar laat ook zien hoe ze het leven van zijn personages bepaalt. Robert komt tragisch ten val doordat hij voortdurend de breuk benadrukt en de continuïteit miskent, zoals hij uiteindelijk ook zelf beseft: “Alles wat ik altijd als vooruitgang heb gezien, is in werkelijkheid niet meer dan een vlucht.” Dat uitgerekend hij als geschiedenisleraar aan de kost komt, geeft daaraan een ironische toets. Na de breuk met Hester volgt die met zijn Turkse leerlinge Dilhan, die hij in zijn nieuwe huis studieruimte had geboden. Zij komt om het leven in een steekpartij waarbij Robert zelf ernstig gewond raakt. De liefhebber van licht en lucht eindigt halfblind en met een beschadigde long; het huis wordt te koop gezet. De ware toedracht van de aanslag blijft lang in het ongewisse, zodat de tweede helft van Ga niet weg de allure van een thriller krijgt. Van Zadelhoff drijft de spanning geraffineerd op door Robert en Karoline afwisselend als ik-verteller op te voeren, waarbij ze hun eigen gissingen afwegen tegen die van de politie en van derden.
Karoline wil haar betrokkenheid bij Robert (inclusief een onenightstand van jaren terug) het liefst achter zich laten, maar ook zij wordt ingehaald door het verleden. Robert ziet een zo direct verband tussen zijn persoonlijke ondergang en zijn als het ware erfelijk bepaalde voorliefde voor het modernisme, dat hij naar Berlijn afreist om Karoline ertoe te bewegen haar proefschrift te herschrijven: “Ze zal in haar Gerrit und Frederik Kats und ihre Bedeutung zur Entwicklung des Freischwingers duidelijk moeten maken dat het een boek over fantasten is, niet over dromers, nee, over gevaarlijke fantasten, die als het erop aankomt over lijken gaan.”
Hij probeert Karoline ervan te overtuigen dat de tweedelige structuur van haar boek ontoereikend is: “Het eerste deel behandelt de periode voor de oorlog, het tweede deel de periode na de oorlog. Je slotconclusie komt veel te vroeg. Er moet nog een derde deel geschreven worden.” De parallel met de romantrilogie Holle haven, waarvan Ga niet weg het sluitstuk vormt, is duidelijk: het hierboven genoemde eerste deel Een stoel handelde over het interbellum, Holle haven (2006) over de Tweede Wereldoorlog. De familie Kats, Karoline Kwatta en Bernhard Mörtenböck kwamen ook in die eerdere delen al voor, en er lopen dan ook talloze lijnen tussen de drie romans. Zo stelt Robert net als zijn grootvader zijn relatie op de proef met een modern huis als inzet, en vertoont zijn Pygmalion-houding ten opzichte van Dilhan overeenkomsten met het huwelijk van zijn ouders. Toch lijkt het al te eenvoudig om de trilogie te lezen als een pleidooi voor de afwijzing van het modernisme waar Robert uiteindelijk toe komt. Ten eerste is hij als verteller te onbetrouwbaar om zijn interpretatie zonder meer over te nemen, ten tweede is Van Zadelhoff zelf bepaald niet vervreemd van de modernistische erfenis. Het traditionele stramien van de romantrilogie – drie boekdelen, drie generaties – wordt gecompliceerd door een subtiel spel met tijdsniveaus, vertelstandpunten, feit en fictie. “Een verhaal, een samenhang lijkt te ontbreken”, bedenkt Karoline ergens, maar dat leidt eerder tot een voortdurende zoektocht naar samenhang dan tot een postmoderne woekering van verhalen en beelden. Van Zadelhoffs stijl is sober en glashelder, en spiegelt in die zin de architectuur waarover hij schrijft, maar komt allerminst karig over. Hij slaagt er integendeel feilloos in telkens het juiste detail op de meest precieze manier uit te lichten. Zo ontstaat een coherent netwerk van motieven: terugkerende zintuiglijke indrukken en voorwerpen (een ring, een hoofddoekje), maar ook een breed gamma aan culturele verwijzingen, van de historicus Huizinga tot de sixties-meidengroep Reparata and the Delrons. Van Zadelhoff geeft een uitermate breed complex aan thema’s gestalte in een beknopte roman, zonder daarbij in te boeten aan scherpte of nuance. Ideeën over geschiedenis, kunst en familie, maar bijvoorbeeld ook over het onderwijs en de islam, worden op een onnadrukkelijke, maar nooit wazige manier met elkaar in verband gebracht. Ook de relaties tussen de trilogie en Van Zadelhoffs overige werk intrigeren: zo duikt Frederik Kats op in de roman Vuur stelen (2008) en bevat zijn bundel Tijd en landen (2008) gedichten met titels als ‘Architect (op modernistische wijze)’ of ‘Veel licht en lucht’.
Ga niet weg is dan ook veel meer dan een obligate afsluiting van wat in Een stoel en Holle haven werd begonnen, al krijgen vooral de slotbladzijden een extra resonantie voor wie de eerdere boeken kent. Willem van Zadelhoff heeft de afgelopen zeven jaar een van de boeiendste oeuvres in de actuele Nederlandstalige literatuur neergezet. Ga niet weg rondt een eerste fase daarvan af en doet verlangen naar wat komen gaat.

WILLEM VAN ZADELHOFF, Ga niet weg, Meulenhoff|Manteau,
Antwerpen, 2010, 201 p.
WILLEM VAN ZADELHOFF, Holle haven, Meulenhoff|Manteau,
Antwerpen, 2006, 160 p.
WILLEM VAN ZADELHOFF, Een stoel, Meulenhoff|Manteau,
Antwerpen, 2003, 141 p.

Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel 2011/2.

12-05-11

ELS DOTTERMANS SPEELT CLAUS

Een bruid toont ons de wereld door de ogen van een kind, een boos kind dat niet dichterbij durft te komen. En juist die afstand maakt het drama zo schrijnend. Maakt ons tot voyeurs en daardoor het drama zowel briljant als tenenkrommend! Een bruid is een invuloefening. Aan de acteurs hoe dat te doen. Alles is mogelijk: van kleurpotlood tot etsnaald.
De ingrediënten: vader en moeder Pattini, hun dochter en hun zoon. Een tot de marginaliteit vervallen gezin. En dan is er nog nicht Hilda. Zij is de buitenwereld, op haar vestigen de ouders alle hoop. Misschien dat ze haar kunnen koppelen aan de zoon. Dat zou een zorg minder zijn. Maar de band tussen broer en zus is erg hecht, op het incestueuze af.
Els Dottermans, die de moeder speelt, kan veel, zo niet alles, maar is gelukkig geen virtuoos. Virtuozen blijven steken in hun techniek. Nee, Dottermans is de rol die ze speelt. Dat het haar moeite of inspanning kost, zie je niet. Met dat soort futiliteiten valt ze haar publiek niet lastig. Yves Desmet noemde deze voorstelling in De Morgen ‘de grote Els Dottermans-show’. Hij voegde eraan toe dat het niet denigrerend bedoeld was, maar toch. Zo’n opmerking suggereert dat het Dottermans vooral om Dottermans te doen is. Maar Dottermans heb ik nauwelijks gezien in deze voorstelling. Wel Madeleine Pattini.

Terwijl in de verte het gekras van de etsnaald klinkt en iedereen zich letterlijk meer en meer blootgeeft, verschanst de getergde moeder zich in haar pelsjas en wordt ze naakter en naakter. Haar geschreeuw, gekrijs verstomt langzaam. Wat een onbeschrijfelijk verdriet wordt daar zichtbaar. Daar staat niet langer een mens. Daar staat een weerloos dier, naakt en stamelend. Oorverdovend stamelend. De pels is haar vacht geworden. Er is niet meer nodig dan een nauwelijks zichtbaar trekken van haar mond om het publiek doodstil te krijgen.
En Claus keek toe. Een foto van hem stond op de vloer tegen de achterwand, half verscholen achter lege schilderijlijsten. Met die donkere bril zag hij eruit als een personage uit een stuk van Samuel Beckett. Was hij het niet die zei: ‘Try, fail! Try again, fail better?’ Want dat is acteren: proberen, falen ... elke avond opnieuw ... beter en beter.

geschreven voor REKTO:VERSO, Nr. 47 / mei - juni 2011 / Dossier: Ambacht

foto: © Phile Deprez

02-05-11

"Ohne einen Glaspalast ist das leben eine Last"


In zijn boek Europese architectuur vanaf 1890 probeert Hans Ibelings in het hoofdstuk dat het interbellum behandelt het vooroorlogse modernisme in een juister perspectief te plaatsen. Hij betoogt dat de architectuur die tot de moderne beweging gerekend wordt onevenredig veel aandacht heeft gekregen. En dat terwijl slechts een klein aantal architecten en een iets groter aantal opdrachtgevers zich er mee bezig hielden. Natuurlijk, er was ook andere architectuur. Het rijke illustratiemateriaal in dit boek bewijst dat er heel veel andere architectuur was. Ibelings verklaart dat door er op te wijzen dat Europa na de Eerste Wereldoorlog op drift was. De rijke verscheidenheid aan architectuur die daaruit voortkwam, vat hij op als de weerspiegeling van de zoektocht naar uitdrukkingsvormen voor een nieuwe wereld.
Weinig disciplines spiegelen zo goed de tijdsgeest als architectuur. Dat is tijdens het interbellum niet anders. Is de onevenredig grote aandacht voor de architectuur van de moderne beweging wellicht het gevolg van dat zij voor meer stond dan een nieuwe architectuur alleen. ‘Het ging ook om een nieuwe maatschappij, of zelfs een nieuwe wereld.’ Iedereen die mijn trilogie Holle haven heeft gelezen weet waarover we het dan hebben. Men dacht werkelijk dat architectuur van mensen betere mensen kon maken.
Tijdens het lezen van Ibelings opvattingen over het modernisme vielen me plotseling de overeenkomsten op tussen de moderne beweging en de romantische beweging die zo’n honderd jaar eerder van zich deed spreken. In zijn studie The mind of the European Romantics uit 1966 wijdt H.G. Schenk een hoofdstuk aan ‘de vooruitgang als nieuwe religie’. Daar lezen we dat Victor Hugo zichzelf de rol van goddelijk geïnspireerd bemiddelaar tussen mensheid en de bovennatuurlijke godheid had toebedeeld. Hij zag zichzelf op eenzelfde hoogte als Zarathustra, Mozes, Johannes de Doper of zelfs Christus. En merkt Schenk op: ‘Wat nog verwonderlijker is, de Messias-rol die de schrijver zichzelf toewees, bleek in overeenstemming te brengen met de zo vurig door hem verdedigde Romantische legende van het volk.’
Maar Hugo begreep ook dat je alleen in eenzaamheid voor de massa kon werken. Hij was tenslotte een kunstenaar. En hij had een taak: ‘Kunst omwille van de kunst mag dan mooi zijn, maar kunst ter wille van de vooruitgang is het hoogste.’
De vooruitgang als religie. Alle oude zekerheden zijn na de Eerste Wereldoorlog zo goed als verdwenen. Sommige klampen zich wanhopig vast aan de laatste resten van de failliete vooroorlogse maatschappij. Anderen begrijpen dat we verder moeten. Hoe triest en treurig het er in Europa ook voorstaat, aan de einder glooit licht. En terwijl architectuur altijd al een spiegel van de tijdsgeest was, wilden de architecten van de moderne beweging het eens een keertje omdraaien. Vanaf nu zou de maatschappij de heilige opdracht van de architect spiegelen. De Architect als verlosser die de mensheid licht en lucht zou brengen. Dat waren sleutelbegrippen, net als de menselijke maat. En als je de woorden maar vaak genoeg herhaald krijgen ze vanzelf een symbolische, religieuze lading. Men wist wat goed voor de ander was. Voor de mensen die tot dan toe in het bedompte donker geprobeerd hadden te overleven. Geen zwaarte meer. Alles moest transparant. Een huis was geen plek om je in terug te trekken, nee, het was een verlengstuk van de wereld. Beton, glas en staal bepaalden onze omgeving en gaven ons alvast een blik op de ongetwijfeld stralende toekomst.
In Duitsland droomde de dichter Paul Scheerbart al tientallen jaren van een wereld van glas en schreef:

Ohne einen Glaspalast ist das leben eine Last.

Dit aforistische gedicht werd samen met andere aangebracht op het glazen paviljoen dat de architect Bruno Taut ontwierp voor de Werkbund tentoonstelling in 1914. Toen moest de Eerste Wereldoorlog nog in alle hevigheid losbreken.

Deze overdenking werd geschreven naar aanleiding van het verschijnen van Europese architectuur vanaf 1890 van Hans Ibelings. Uitgeverij SUN, Amsterdam, 2011. ISBN 9789085068808. € 34,50. Van het boek is ook een Engelstalige editie verschenen.

01-05-11

HET GERATEL VAN ROLLUIKEN

Er is een tijd geweest dat ik ’s avonds als de straatverlichting aanging mijn woning verliet om door Amsterdam te dwalen. Tijdens die wandelingen keek ik bij vreemde mensen naar binnen. Dat kan in Nederland want niemand doet daar als het donker wordt zijn gordijnen dicht.
Ik doorkruiste straat na straat, soms uren achter elkaar. Ik zag blije gezinnen, ik zag droevige gezinnen. Sommige zaten nog aan de eettafel, andere hadden zich al voor de televisie verschanst. Ik zag ook mannen en vrouwen die alleen waren, of kinderen. Eén keer zag ik in de Van Breestraat zelfs een hond die in zijn eentje naar de televisie aan het kijken was.
Ik keek naar de mensen in hun behaaglijk verlichte woonkamers en probeerde me voor te stellen wat voor een levens ze leidden. Wat voor werk zouden ze doen? Of werkten ze juist niet en waren ze gepensioneerd of werkeloos? Misschien werkten ze in ploegendienst? Ik bedacht hele levens voor de mensen die ik aan de andere kant van het vensterglas zag zitten.
Voor sommigen vatte ik sympathie op. Dat gebeurde om heel verschillende redenen. Soms was het de manier waarop een man door de kamer liep, of hoe een vrouw met haar hand door haar blonde haar streek. Het kwam voor dat ik expres naar hun straat ging om te zien hoe het met ze ging. Die mensen beschouwde ik als een soort familie, zo vertrouwd kwamen ze me voor. Ik hoefde alleen maar bij ze aan te bellen, naar binnen te gaan en bij ze op de bank te gaan zitten. Dan zouden ze vragen of ik al gegeten had en wat ik wilde drinken.

In 1993 verhuisde ik naar Antwerpen. Ik kwam er al snel achter dat bij de mensen naar binnen gluren in België niet gaat. Iedereen doet daar ’s avonds zijn gordijnen dicht. Of zijn rolluiken. Als het begint te schemeren hoor je overal in het land het geratel van de rolluiken. Ik heb dat altijd een erg ongastvrij geluid gevonden. Alsof ze nog eens extra benadrukken dat je er niet bij hoort. Al vrij snel staakte ik mijn avondwandelingen. Er zat weinig anders op dan thuis te blijven en te luisteren naar het geratel van de rolluiken als het donker werd.
Een paar jaar geleden stond ik tijdens een ouderavond te praten met de directeur van de lagere school van mijn dochter. We spraken Nederlands. Hij met een Vlaamse tongval, ik met een Nederlandse. Plotseling mengde de vader van een andere leerling zich in het gesprek. Binnen enkele seconden waren ze overgegaan op het plaatselijke, Antwerpse dialect. Ik verstond er niets van en voelde me buitengesloten. Iedere keer dat ik daarna de directeur tegenkwam moest ik aan rolluiken denken. Soms hoorde ik zelfs het geratel.

Begin 2011 heeft de Belgische Kamercommissie Naturalisaties de nieuwe criteria goedgekeurd voor de behandeling van naturalisatieaanvragen. Voortaan moet de aanvrager één van de landstalen voldoende kennen. Daarnaast moet hij inspanningen leveren om de taal van zijn woonplaats te begrijpen en aantonen dat hij deelneemt aan het gemeenschapsleven. Die laatste twee criteria kwamen er op aandringen van de Vlamingen; voor hen volstaat het niet langer dat een kandidaat-Belg een van de drie landstalen kent.
Ik las met stijgende verbazing deze regels nog eens over. De taal van de woonplaats. Dialect dus, dacht ik.
En terwijl ik dat dacht, draaiden ze Moestek duod hon van Flip Kowlier op de radio. Dat liedje draaien ze overigens de laatste maanden altijd als ik naar de radio luister.
‘Ie zingt in West-Vlams nie omdat ie damee 'n twadde wilt zeggn ma omdat da de toale es wo dat em mee ipgegroeid es en woa dat ie hem 't best in kan uutdrukkn’, lees ik in het West-Vlaamse Wikipedia-artikel over Flip Kowlier. Nu is het zijn goed recht om in het dialect van zijn geboortestreek te zingen. Het klinkt zelfs best wel grappig. Maar uiteindelijke blijft het voor iedereen die het West-Vlaamse dialect niet beheerst natuurlijk toch onverstaanbaar gewauwel.
Taal is een instrument om te communiceren. Hoe meer mensen mijn taal spreken, hoe groter mijn bereik is. En mijn taal is Nederlands. Voor veel Vlamingen is Nederlands een obstakel. Ze zijn er niet mee opgegroeid en kunnen zich er minder goed in uitdrukken dan in het dialect van hun geboorteplaats. Kijk maar naar Flip Kowlier. Het dialect is een veilige haven, een warme deken waaronder je jezelf kunt zijn, ver weg van de boze buitenwereld. En hoe minder mensen het dialect spreken, hoe veiliger ze zich wanen. Degenen die het niet spreken of verstaan, vormen de boze buitenwereld. Een taalgordijn scheidt ons van elkaar. Een rolluik!
Een paar jaar geleden vierde mijn dochter haar verjaardag. Een kookfeestje begeleid door een kok. Langzaam druppelden de vriendjes en vriendinnetjes binnen. Een van hen was nogal verlegen. Ze keek vooral naar de grond. Toen hoorde ze de stem van de kok. Blij verrast keek ze op. ‘U bent ook van West-Vlaanderen,’ zei ze opgelucht. Van haar verlegenheid was niets meer over. Ze was thuis gekomen.
Terwijl ik dit schrijf komt er een mail binnen van de KBC Bank: ‘Als je dezelfde taal spreekt, dan mag de wereld op z’n kop staan, maar je verstaat elkaar.’
Die mannen van de KBC hebben zeker ook dat artikel over die nieuwe criteria gelezen, dacht ik opgelucht. Maar dan lees ik verder en stuit ik op deze regels: ‘Daar staan al onze mensen in de kantoren en bij de verzekeringsagenten garant voor. 100% gepersonaliseerd advies, in een open en warme sfeer, in het grootste vertrouwen en bovenal: in uw taal. Want daar willen we in 2011 echt werk van maken.’
‘100% gepersonaliseerd en bovenal: in uw taal. Daarmee kunnen ze niets anders bedoelen dan dat je bij de KBC in je eigen dialect wordt toegesproken. Niet soms?’ zeg ik een paar dagen later tegen een Vlaamse vriendin.
Ze kijkt me met een gefronst voorhoofd aan.
‘En dan die nieuwe criteria voor de behandeling van naturalisatieaanvragen. Één van de drie landstalen is niet voldoende, nee, ze hebben nu officieel geregeld dat je ook de taal van je woonplaats moet proberen te spreken. Dialect dus!’
Haar schampere lach.
Ik begin over gordijnen en rolluiken.
‘Probeer je maar eens het geluid van ratelende rolluiken voor te stellen’, roep ik met overslaande stem.
‘Jij lijdt aan dialectparanoia’, onderbreekt ze mij.
‘Kom op zeg. De bewijzen zijn overduidelijk.’
‘Je haalt alles door elkaar, ziet geen enkel verband meer. Jij hoort zelfs dialecten waar ze niet zijn.’
‘Het is het begin van het einde’, zeg ik. ‘De volgende stap is dat ze het Nederlands gaan verbieden.’
Volgens haar heb ik er helemaal niets van begrepen. Met de taal van de woonplaats bedoelen ze geen dialect. Ze bedoelen daar gewoon mee dat je als je als Franstalige in Antwerpen woont, moet proberen het Nederlands te begrijpen dat daar gesproken wordt.
‘Nederlands’, zeg ik, ‘Nederlands dus.’
‘U woont hier al zo lang en u spreekt nog steeds Nederlands.’ Hoe vaak zeggen ze dat niet tegen mij. Het klinkt als een verwijt maar wat moet ik in dit deel van België anders spreken?’
‘Ze bedoelen gewoon dat je na al die jaren nog steeds met een Nederlandse tongval spreekt.’
‘Ook weer zoiets. Je verwijt een Congolees toch ook niet dat hij na twintig jaar in België nog steeds niet blank is.’
Mijn Vlaamse vriendin maakt een vermoeid gebaar met haar armen: ‘Wat is dat toch met jullie Nederlanders. Altijd maar praten, praten… waarom zwijgen jullie nooit eens een seconde om even na te denken?’
‘We kunnen alleen maar nadenken als we praten. Als we zwijgen worden we gek.’
‘Precies. Daar zijn jullie bang voor.’

Een jaar of tien geleden heb ik serieus overwogen om me te laten naturaliseren tot Belg. De meeste van mijn Belgische vrienden keken me aan of ik gek was geworden. Waarom in godsnaam Belg worden?
Ik had zeer overtuigende argumenten: ik woonde hier, ik werkte hier, betaalde belasting, voelde me betrokken bij mijn straat, mijn stad. Ik las de Vlaamse kranten en weekbladen, keek naar het Belgische televisie en ga zo maar door. Als ik na een bezoek aan Nederland op Berchem station aankwam en daarna met de fiets over de troosteloze Binnensingel naar huis fietste, had ik ondanks alles het gevoel thuis te zijn gekomen.
En ik hoopte natuurlijk dat ik daardoor niet langer Nederlander zou zijn.
In die tijd bracht ik mijn vuile kleren altijd naar een stomerij op de hoek van de Hemelstraat en de Lange Leemstraat. De zaak werd gedreven door een al wat ouder Nederlands homopaar. Toen ik de twee mannen leerde kennen, woonden ze al achttien jaar in Antwerpen.
Op een dag vroeg de jongste en meest spraakzame van de twee, een lange man met een indrukwekkend blond leeuwenkapsel, of Antwerpen nog steeds beviel.
‘Ja en nee’, zei ik en ik veinsde niet. ‘Ja, het bevalt en nee, het bevalt ook weer niet. Ik irriteer me de laatste tijd steeds vaker. Aan van alles. Aan Vlamingen, aan hoe het hier geregeld is, noem maar op.’
‘Ja, het zijn rare types die Vlamingen’, mompelde de vriend van de man met het leeuwenkapsel.
‘En als ik dan weer in Nederland ben, vind ik het eerst heel leuk, maar na een paar uur word ik er stapelgek.’
De twee mannen keken me vol begrip aan.
‘Dan ben je nu dus in feite stateloos…’ zei de man met het leeuwenkapsel nadenkend.

Op 13 oktober 2004 stond er een interview in De Standaard met Annelies Verbeke die zojuist de Debuutprijs had gewonnen: ‘Ik dacht dat Een stoel van Willem van Zadelhoff een andere kanshebber was, maar dat stond niet eens op de shortlist. Van Zadelhoff woont in Antwerpen, maar heeft de Nederlandse nationaliteit en komt dus niet in aanmerking voor de Debuutprijs.’
Achteraf beschouwd moet ik toen - terwijl ik de betekenis van deze regels tot mij liet doordringen - besloten hebben het avontuur van ‘Belg worden’ voorgoed vaarwel te zeggen. Niet omdat ze me de Debuutprijs door de neus hadden geboord, maar omdat ik daar niet voor in aanmerking kwam omdat ik Nederlander ben. Weer zo’n rolluikmoment, weer ratelden ze dat het een aard had. Later heeft Vlaanderen het goed gemaakt door mijn dichtbundel Tijd en landen te bekronen met de Herman de Coninckprijs voor het beste poëziedebuut. Maar toen wilde ik dus allang geen Belg meer worden.
Misschien is willen veel te sterk uitgedrukt en kwam het er op neer dat ik me op dat moment gewoon realiseerde dat ik Nederlander was en dat ik dat feit nooit zou kunnen ontlopen, zelfs niet door Belg te worden. In de bijna twintig jaar dat ik hier woon ben ik er bijna dagelijks op gewezen dat ik Nederlander ben. Ik heb dat altijd als een stigma beschouwd. Niet zo verwonderlijk, want een groot deel van de bevolking hier heeft nu eenmaal weinig op met hun noorderburen. En ze steken dat bepaald niet onder stoelen of banken. Zoals toen ik onlangs een fles water met een biljet van twintig euro wilde betalen. De vrouw achter de toog wierp me een woedende blik toe terwijl ze siste: ‘Het is altijd hetzelfde met die Hollanders.’
Ja, het is altijd hetzelfde met die Hollanders. Ze zijn onverbeterlijk.
‘Broek af! Tetten bloot! Hollandse hoeren!’ Deze tekst las ik niet op het toilet van een donkerbruin café, nee, mijn destijds tienjarige dochter kwam ermee thuis. Ze had het liedje geleerd toen ze tijdens het scoutskamp van de Antwerpse scoutsgroep Kristus-Koning rond het kampvuur zaten. Ik bedoel maar.
Als Vlamingen het in mijn bijzijn over Nederland hebben, beginnen ze altijd met de zinsnede ‘bij jullie’. Hoe bedoel je dat? vraag ik dan. Ik ben er al bijna twintig jaar weg. Ja, maar jij bent en blijft toch een Nederlander, zeggen ze dan. Zoiets als een ongeneeslijke ziekte.
Mijn dochter heeft hier minder last van. Ze is in Antwerpen geboren en getogen en ze spreekt Nederlands met een Vlaamse tongval. Wel verzocht ze ons laatst te zwijgen toen we tijdens een ouderavond binnen gehoorsafstand van een aantal van haar klasgenoten kwamen. ‘Anders komen ze erachter’, zei ze, ‘dat ik Nederlands ben.’
Maar de rolluiken ratelen niet altijd. Naar aanleiding van mijn laatste boek schreef de criticus van De Standaard: ‘Ook al heeft Willem van Zadelhoff niet de Belgische nationaliteit, we gaan hem gewoon manu militari inlijven bij de Vlaamse literatuur, want hij is een te waardevolle stem.’
Nu vind ik die manu militari waar Mark Cloostermans mee dreigt iets te veel van het goede, maar het geeft in ieder geval aan dat achter bepaalde vensters de rolluiken geopend blijven. Ook als de inktzwarte nacht aangebroken is.

Verscheen eerder in de bundel Beste buren, Belgen over Nederland en Nederlanders over België, Uitgeverij Luster, 2011

11-03-11

GREGOR VON REZZORI













Zojuist begonnen aan Een hermelijn in Tsjernopol van Gregor von Rezzori. Na Memoires van een antisemiet en Bloemen in de sneeuw al weer de derde vertaling binnen drie jaar van deze auteur.
Al op de eerste pagina is het raak:

"Zijn gezicht is het kraterveld van een verloren maan.
In zijn overprikkeld brein borrelen dronkemansgeschreeuw, filosofische geschillen, trots, vernedering, liefde, citaten, schuine moppen, haat, eenzaamheid, godsvrucht, reinheid, wanhoop-:
Hij vindt de weg naar huis niet."

Zelden zag ik de condition humaine beknopter samengevat. En weer vertaald door meestervertaler Kris Lauwerys over wie het gerucht gaat dat hij een levensgrote pop naar gelijkenis van Gregor von Rezzori heeft laten vervaardigen die tijdens het vertalen van von Rezzori naast hem zit en 's nachts zijn bed deelt.