20-12-17

HET DANTEMEISJE

Op 12 juni 1967 kocht een onbekende man of vrouw bij boekhandel Nisis in Arnhem 'Het dantemeisje' van A. Middeldorp en 'De vreemdeling' van Albert Camus. Hij moest bij de kassa dertien gulden betalen lees ik op de kassabon die ik achter in het boek vond. 






Wat er met het exemplaar van De vreemdeling gebeurd is, weet ik niet. Maar meer dan vijftig jaar later kocht ik bij In 't Pofijtelijk Boeksken in de Wolstraat te Antwerpen voor zeven euro 'Het dantemeisje'. Dat ik het uit de kast van het antiquariaat trok, had alles te maken met dat het omslag ontworpen was door Karel Beunis. 


Ik ben dol op de ontwerpen van Beunis. Allereerst omdat het prachtige staaltjes van typografische perfectie zijn. Maar ook omdat ze voor mij synoniem zijn met de boeken die de Bezige Bij in de jaren zestig uitgaf. Dat waren boeken die je moest lezen, boeken die ertoe deden: Beckett, Claus, Camus, Genet, Campert, Hermans, Mulisch,Schierbeek, Raes, Vestdijk... De lijst is lang. Van Oorschot gaf de Russen uit, de Bezige Bij de rest. Zo overzichtelijk was het toen voor een puber met een flinke leeshonger.
Ik had nog nooit van A. Middeldorp gehoord. Dat ik het boek uiteindelijk aanschafte, had vooral te maken met boekhandel Nisis waar het destijds was aangeschaft. De boekhandel was gevestigd in het een paar jaar eerder opgeleverde winkelcentrum Presikhaaf. Ik woonde daar sinds 1965 vlakbij. In boekhandel Nisis kocht ik op 3 februari 1972 'De verzamelde gedichten' van Gerrit Achterberg van het geld dat ik een dag eerder van mijn grootmoeder voor mijn veertiende verjaardag had gekregen. Vreemd dat je je dat soort dingen blijft herinneren. Ik heb me bij mijn weten destijds nooit afgevraagd waarom de boekhandel de nogal exotische naam 'Nisis' droeg. nu wil ik dat plotseling wel weten. De naam klinkt als de naam van een Egyptische god of godin. Maar daarover vind ik niets. Wel komt plotseling de herinnering aan een felgroen gekleurde leeswijzer naar boven die je daar toen bij je boek kreeg. Daar stond natuurlijk de naam en het adres van de boekhandel op maar ook, denk ik nu, een tekst. Een citaat? Een verklaring voor de naam? Maar wellicht verzin ik dit achteraf en was Nisis gewoon de achternaam van de eigenaar. Op de site Forebears lees ik dat er op de hele wereld slechts acht mensen die naam dragen. De meeste wonen in de Verenigde Staten. Misschien is meneer Nisis een van hen, is hij na de sluiting van zijn winkel geëmigreerd. Die dingen gebeuren. Waarschijnlijker is dat hij al lang geleden kinderloos gestorven. Ook A. Middeldorp is een persoon waarover weinig bekend is. De flaptekst vermeldt dat hij in 1921 in Scherpenzeel is geboren. En dat hij over Gerrit Achterberg publiceerde. Onder andere een studie over diens 'Ballade van de gasfitter'. En dat de literaire kritiek hem naar aanleiding van zijn debuut 'Morgen misschien, twee novellen' omschreef als de auteur 'van de uiterste reduktie'.
Ik stel me voor dat de anonieme koper van 'Het dantemeisje' op die maandag in juni 1967 ook nog overwogen heeft 'De verzamelde gedichten' van Achterberg te kopen. Dat hij daarvan afzag had natuurlijk te maken met de prijs van deze gebonden uitgave van uitgeverij Querido. Die was beduidend hoger dan de zes gulden vijftig die hij vervolgens aan Camus spendeerde. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat er in de nieuwbouwwijk Presikhaaf veel belangstelling voor Achterberg was. Dus is het helemaal niet onvoorstelbaar dat het exemplaar dat deze anonieme koper destijds in handen had hetzelfde was als dat ik een jaar of vijf later aanschafte.

10-07-17

BOEKEN, ETEN en DRINKEN in FORD LILLO

Gisteren fietste ik naar de jaarlijkse boekenmarkt in Ford Lillo. Een klein dorp, ingeklemd tussen de Antwerpse haven, met maar liefst 4 horecagelegenheden. Steven Van Ammel die daar ook met een goed gevulde stand boeken aanwezig was, vertelde me dat het dorp maar 34 inwoners telde. Dat is dus omgerekend 1 kroeg per 8,5 inwoners. 



Bij Van Ammel kocht ik voor 9 euro een deeltje uit de Russische bibliotheek dat sinds lang niet meer leverbaar is: Duizend Zielen van Pisemski. En voor hetzelfde bedrag een mooie uitgave van Humboldts gift van Saul Bellow. Het was er nooit van gekomen deze roman te lezen ondanks vele enthousiaste verhalen van anderen. Voordat ik de terugtocht aanvaarde besloot ik iets kleins te eten. Ik nam plaats op het terras van Het Landshuis. De ober - 'onmiskenbaar een oververmoeide figuur uit het horecabedrijf´ - dwaalde wat stuurloos tussen de tafeltjes. Om zijn goede wil te tonen, nam hij een halfleeg gegeten bord friet van mijn tafel weg, liet de rest staan en verdween. Nadat ik 20 minuten tevergeefs op zijn terugkeer had gewacht, besloot ik mijn heil te zoeken op het even verder gelegen terras van 't Pleintje. Daar kon ik al na korte tijd een bestelling plaatsen: een flesje water en een Caesarsalade. Het water kwam binnen 5 minuten. De salade was er na een kleine 40 minuten nog steeds niet. Iets in de keuken deed het niet, zei de serveerster die ik ernaar vroeg. Op mijn vraag wat het niet deed, kwam slechts een vaag antwoord. Als ik nog even geduld had, zou mijn salade over 10 minuten klaar zijn. Ik annuleerde mijn bestelling, rekende mijn water af en liep naar mijn fiets. Taverne de Lindelo en In de 7 Saeligheeden liet ik links liggen. Ik had nog 23 kilometer voor de boeg.




22-05-17

Stanley Brouwn (1935-2017)



Afgelopen vrijdag overleed de kunstenaar Stanley Brouwn. Hij was een van de meest interessante Nederlandse kunstenaars van de laatste 50 jaar. Toen ik in de jaren tachtig assistent was bij Galerie Art & Project zag ik hem weleens. Een vriendelijke, verlegen man, een beetje schichtig zelfs. In mijn roman in wording Het plein en de vos bezoekt de hoofdpersoon een tentoonstelling van hem in het Stedelijk Museum. Het is anders dan de rest van de roman een autobiografische passage. Brouwn was degene die mijn blik op beeldende kunst voorgoed veranderd heeft. Na het zien van zijn overzichtstentoonstelling in het Stedelijk, ergens midden jaren zeventig, was ik flink van mijn stuk. Ik begreep instinctief dat wat ik had gezien van een zeer hoog niveau was. De minimale beelden die ik zag hadden op mij een bijna religieuze uitwerking. Mijn kijk op de wereld was voorgoed anders geworden.

Uit Het plein en de vos:

Onderaan de immense trap die naar de eerste verdieping van het museum leidde, bleef hij stilstaan. Links van hem bevond zich de toegang tot een rij intieme kabinetten. 

Het was er rustig. De weinige bezoekers die er rondliepen, waren verdiept in de laatnegentiende-eeuwse schilderijen. Kabinet na kabinet doorkruiste hij. Na vijf, zes kabinetten bevond hij zich plotseling in een lege zaal. Hij nam plaats op een houten lattenbank die in het midden van de ruimte stond. Het licht was hier van een bijna onaardse schoonheid, zacht en tegelijkertijd heel aanwezig. Terwijl zijn ademhaling weer normaal werd, ontdekte hij, dat in tegenstelling tot wat hij eerst had gedacht, er wel degelijk iets aan de wanden hing. Rijen met lege vellen A4-papier. Toen hij dichterbij kwam, zag hij dat op elk vel papier iets getekend was. Bibberige potloodlijnen die in eerste instantie niets voor leken te stellen. Zoiets had hij nog nooit gezien. De wereld om hem heen was naar de achtergrond verdwenen, alleen hij en die vreemde, ijle tekeningen. Uit een perspex bakje bij de doorgang naar de volgende zaal, pakte hij een stencil met informatie over de kunstenaar. Harry liep terug naar de houten bank en begon te lezen. Dit was heel iets anders dan Zadkine met zijn plumeau, dan Olga met haar tactiele, democratische etsen… Ook deze kunstenaar probeerde de wereld te begrijpen maar zijn uitgangspunt was minder vaag. Hij deed niets anders dan de hem omringende wereld opmeten en de maat die hij daarbij hanteerde, was zijn eigen voetstap. De tekeningen die aan de wanden hingen, had hij niet zelf gemaakt, nee, hij had steeds aan willekeurige voorbijgangers de weg gevraagd en vervolgens of ze dat voor hem met potlood wilden uittekenen.

Een man kwam de zaal binnen, bleef na een paar stappen stilstaan en liep weer weg.
‘Hier is niets te zien,’ zei hij tegen iemand in de andere zaal. 
Was hier inderdaad niets te zien? vroeg Harry zich af. Verbeeldde hij het zich allemaal? Was alles wat hij tot dan toe had meegemaakt niet gebeurd? De voortijdige zaadlozing bij Olga, dat gedoe met Irene, de ruzie met Lucia, zijn vader die ze in de inrichting hadden opgesloten… Had hij het zich allemaal verbeeld?