18-10-09

IN GESPREK MET INGO SCHULZE / BERLIJN, 24 AUGUSTUS 2009

De nieuwste roman van de Duitse auteur Ingo Schulze is zojuist vertaald. Adam en Evelyn speelt zich af in de zomer van 1989. Ze begint op 19 augustus van dat jaar. Toen werd in het Hongaarse dorp Sopron op de grens met Oostenrijk een picknick gehouden. De kleine grensovergang zou ter gelegenheid hiervan een paar uur open zijn. 661DDR-burgers staken die dag de grens over naar het vrije Westen. Het eerste gat in het IJzeren Gordijn was een feit.
We spreken elkaar in de woonkamer van het appartement dat Ingo Schulze met zijn echtgenote en twee dochters bewoont in de trendy wijk Prenzlauerberg in het voormalige Oost-Berlijn. De wijk is bijna volledig gerenoveerd. Af en toe staat er wat verweesd nog een grauwe, afgebladderde gevel tussen die herinnert aan de DDR-tijd.

Op negen november wordt gevierd dat het twintig jaar geleden is dat de Muur viel. Valt er iets te vieren?

‘Jazeker. Het is goed dat men dat viert. De Muur heeft ons bijna dertig jaar van de wereld afgesneden. Maar voor mij persoonlijk is 9 oktober 1989 belangrijker. Toen vond de beslissende demonstratie in Leipzig plaats. Tot die datum was de sfeer bij de demonstraties erg macaber en gewelddadig. 9 oktober was een scharniermoment. Vanaf toen vond er nauwelijks meer geweld plaats. Alsof men aan de andere kant plotseling besefte: laat ze maar, de situatie is onomkeerbaar geworden, daartegen kunnen we toch niets meer ondernemen. Het leek of er een wonder was gebeurd. Verbijsterd waren we.
Door 9 oktober te vieren eer je die mensen die de moed hadden toen de straat op te gaan. Natuurlijk heerste er angst onder de demonstranten Maar ondanks dat was de stemming steeds vrolijk.’

En een maand later valt de Muur... Als een overrijpe vrucht die wel moest vallen, heeft u er eerder over gezegd.

‘Op 9 november 1989 ben ik geheel tegen mijn gewoonte in vroeg naar bed gegaan? Pas de volgende ochtend hoorde ik dat de Muur gevallen was. Mijn eerste gedachte was: nu gaat iedereen naar het westen en komt er niemand meer naar de demonstraties die we gepland hadden.’

En nog geen jaar later is er plotseling een verenigd Duitsland.

‘Het was natuurlijk geen vereniging. De voormalige DDR is toegetreden tot de Bondsrepubliek. Daar waren wij als Oost-Duitsers natuurlijk ook verantwoordelijk voor. Ze hebben ons voorgehouden: nu wordt alles beter. Maar als het een echte vereniging was geweest dan had men kunnen discuteren. Het wordt beter maar hoe gaan we dat aanpakken...
De vereniging was natuurlijk ook een gemiste kans voor het Westen. Ze hadden kunnen zeggen: wij zijn de overwinnaars, nu bedreigt niets ons meer. Maar we verdedigen vanaf nu niet alleen de vrijheid maar ook de sociale gerechtigheid. Het een is onlosmakelijk met het andere verbonden. In werkelijkheid heeft men aan het begrip vrijheid een erg beperkte betekenis toegekend. Er is slechts sprake van de vrijheid die je nodig hebt om de markten te veroveren. Het sociale aspect heeft men langzamerhand uit het oog verloren.

Ik liep deze morgen over de Potsdammerplatz en zag al die megalomane hoogbouw van bedrijven als Sony, Mercedes-Benz.

‘Dat gebied is volkomen geprivatiseerd. Je kan dan misschien wel bij de genade van Sony naar een voetbalwedstrijd op een groot scherm kijken maar dat is het dan ook wel. En er zijn een paar goede bioscopen. Verder is er niets ontstaan, men kan er niet leven. De Potsdammerplatz is de belichaming van de treurige gedachte: dat wat zich niet in getallen laat uitdrukken, doet er niet toe, interesseert ons niet. De bedrijven die winst opbrengen worden geprivatiseerd en de bedrijven die met verlies draaien worden genationaliseerd.’

Adam en Evelyn speelt zich grotendeels af in de zomer van 1989. Toen was er nog hoop dat het inderdaad beter zou worden. Adam en Evelyn bekijken het Westen met grote, kinderlijke ogen. Maar, zoals een recensent opmerkte, zonder het Oosten te verklaren. Evelyn heeft bewust voor het Westen gekozen. Adam volgt haar omdat hij haar niet wil verliezen.

‘Adam was geen uitgesproken voorstander van de DDR maar is ook nooit van plan geweest om weg te gaan. Hij had weinig te klagen. Hij was kleermaker en werd geadoreerd door zijn vrouwelijke klanten met wie hij ook het bed deelde. Hij was natuurlijk een tiran; hij bepaalde hoe de kleding van zijn klanten eruit moest zien. Jarenlang heeft hij zich kunnen uitleven en dat is nu voorbij. Adam heeft dat tamelijk snel begrepen. Tegelijkertijd zit het hem dwars dat hij op het moment dat de Muur valt er niet bij is. Tijdens het schrijven ontdekte ik dat zowel Adam als Evelyn zich helemaal niet verheugen over de val van de Muur. Ze realiseren zich dat ze net zo goed thuis hadden kunnen blijven.’

Adam merkt op dat het in het westen alleen maar om meer en meer gaat. Te veel kleren, te veel broeken, te veel chocolade, te veel auto’s.

‘Ja, een soort inflatie van de dingen. Het handwerk, de kwaliteit, men kan het ook luxe noemen, dat gaat allemaal teloor. Het individuele en het bijzondere verdwijnt en dat is niet zo Adams wereld. Misschien komt het nog goed met hem want het is nog maar november, december ’89.
Ik heb Adam natuurlijk opgezadeld met erg veel ervaringen. Een normaal mens had die in zo’n korte periode helemaal niet kunnen meemaken.‘

Het krijgt daardoor bijna iets profetisch.

‘Alles komt in Adam en Evelyn in een versnelling terecht. Maar terug naar huis gaan is ook geen optie meer. Ook daar is het allemaal heel onzeker geworden.’

Als ze na de val van de Muur terugkeren naar hun huis in de voormalige DDR blijkt alles geplunderd te zijn door buurtbewoners.

‘Vergelijk het maar met als je zelf een inbraak hebt meegemaakt. Je zou het liefst alles nieuw willen kopen of willen verhuizen. Op zo’n moment is het een bezoedelde plek geworden. Ze biedt geen beschutting meer.’

De DDR was geen paradijs, maar was alles negatief?

‘Ik heb de laatste tijd veel gediscussieerd over wat men anders had kunnen doen in 1990. Achteraf gezien was het beter geweest de overgangstijd langer te laten duren. Misschien had de situatie in het Oosten zich dan meer gestabiliseerd. Het probleem is dat men over alles wat aan de DDR doet denken nu iets heeft van daarover moeten we niet meer praten, dat is besmet. Heel veel uit die tijd is op de vuilnishoop van de geschiedenis terechtgekomen en dat is uiterst gevaarlijk. Gratis gezondheidszorg is bijvoorbeeld verleden tijd en gratis kinderopvang.
De staat wordt vooral gezien als een ondernemer, weliswaar een slechte, maar toch... Gaat het er dan altijd alleen maar om je aandeelhouders tevreden te houden? Is het niet veel belangrijker iets voor de samenleving te doen? Je kunt zo’n discussie niet uit de weg gaan omdat ze je misschien aan de DDR doet denken.’

Berlijn ziet er momenteel een stuk minder troosteloos uit dan twintig jaar geleden.

‘Dat is ontegenzeglijk zo. Het meeste hier in de buurt is prachtig gerenoveerd. Maar de weinige panden die niet zijn gerenoveerd, huisvesten een de kleuterschool en een bejaardenhuis. Dat is exemplarisch.

In uw boeken spelen auto’s een belangrijke rol. Ze hebben ook allemaal een naam. In Nieuwe levens rijdt Enrico Türmer rond in een Trabant die hij Jimmy noemt. Adam rijdt dan weer in een Wartburg die naar de naam Heinrich luistert.

‘Men was ook erg lang met zo’n auto verbonden. Je reed er minstens 10 jaar in. Op die manier werd het bijna een familielid. In de DDR was een auto was een soort privé paardenkoets.

Adam en Evelyn lijkt mij louter fictie. In die in wijkt de roman af van uw eerdere werk.

‘Volkomen fictie. Ik was in de DDR-tijd zelfs nooit aan het Balatonmeer. Dat was veel te duur. De Hongaarse filmregisseur Péter Bacsó bracht me op het idee een kleermaker en zijn vrouw uit de Oost-Duitse provincie in augustus 1989 naar het Balatonmeer te sturen.’

Ik heb Nieuwe levens en Adam en Evelyn kort na elkaar gelezen. Op het eerste gezicht -hoewel verwant qua thematiek - twee volkomen verschillende boeken. Toch zou ik ze complementair aan elkaar willen noemen?

‘Dat zijn ze ook. Na Nieuwe levens wilde ik hetzelfde thema nog een keer uitwerken. Maar nu zo simpel mogelijk. Bijna als een parabel.’

Bedrieglijk eenvoudig...

‘Inderdaad, bedrieglijk... Maar ergens klinken steeds de donkere tonen van een contra bas.’

Tijdens het lezen moest ik af en toe denken aan de films van Erich Rohmer. Lichtheid met een tragische ondertoon.

‘Ja, met betrekking tot dit boek heb ik de naam Rohmer vaker gehoord. En daar heb ik niets op tegen.’

Even later komt de moeder van Ingo Schulze thuis met zijn twee dochters. Hij vraagt of ik zijn werkkamer wil zien We verlaten het appartement en gaan met de trap naar het er boven gelegen appartement. Een klein modern ingericht werkvertrek. Aan de wand boven zijn werktafel hangen grote kleurige drukken van de typograaf Joshua Reichert. Reichert heeft ook het omslag van Eine, zwei, noch eine Geschichte/n ontworpen. In deze bundel zijn drie verhalen verzameld van Imre Kertész, Péter Esterházy en Schulze. Esterházy reageert op het verhaal van Kertész en Schulze op zijn beurt op dat van Esterházy.
Schulze staart peinzend naar buiten. Dan wijst hij naar de huizenrij aan de overkant van de straat.

‘Het ontbreekt hier net aan de bekende Berlijnse meter. Een meter hoger en ik zou over de huizen aan de overkant heen kunnen kijken als ik werk.’

Maar Adam en Evelyn is voor het grootste deel tijdens uw verblijf in de Villa Massimo in Rome ontstaan.

‘Ja, ik had in de zomer van 2007 tijdens een partijtje voetbal mijn achillespees gescheurd. Ik werd geopereerd en zat in het gips. Ik kon geen kant uit. Om niet melancholisch te worden, heb ik mezelf verplicht iedere dag duizend woorden te schrijven. Iedere dag een kort hoofdstuk. De luxe was als ik ’s avonds wist wat ik de volgende dag moest schrijven. Vaak dacht ik ook: vandaag lukt het je niet. Natuurlijk heeft met meer tijd gekost om het later te herschrijven maar ik had na drie weken toch tweederde van het boek. Echt opgelucht was ik toen ik het slotbeeld had. Ik heb steeds geweten hoe de roman moest eindigen maar het ontbrak me nog aan een slotbeeld. Vanaf dat moment was het heerlijk om verder aan het boek te werken.’

eerder gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 02-10-2009

15-09-09

ROGER MELIS OVERLEDEN

Zijn legendarische portretten en zijn reportagefoto’s over het alledaagse leven in de DDR maakten hem beroemd; Roger Melis geldt als een van de belangrijkste fotografen uit de voormalige DDR. Op 11 september overleed hij na een lange en zware ziekte op achtenzestigjarige leeftijd in Berlijn.

Melis groeide vanaf zijn zevende levensjaar op in Berlijn in het huis van zijn stiefvader, de dichter Peter Huchel. Na zijn opleiding werkte hij eerst als wetenschappelijk fotograaf bij het Berlijnse ziekenhuis Charité. Vanaf 1968 begon hij als freelance fotograaf voor o.a. "Geo", "Frankfurter Allgemeine Zeitung" en "Wochenpost" te werken.
Bekend werd hij met zijn reportages uit Oost-Duitsland. Zijn foto’s ‘getuigen van de scepsis en gelatenheid van de Oost-Duitser, maar ook van zijn trots, zijn neiging tot tegenspraak en zijn verlangens’, schrijft zijn uitgever Mark Lehmstedt.

Zelf omschreef Melis zijn werk als volgt: ‘Ik heb het altijd als mijn belangrijkste opdracht gezien hoogst indringende beelden van mensen te maken. Het liefst in hun natuurlijke leef- en werkomgeving maar zonder daarbij hun ziel te roven.’
Veel van zijn werk voor DDR-tijdschriften werd niet gepubliceerd en als vuilnisbakkenfotografie afgedaan. Vanaf 1981 mag hij niet meer voor de DDR-pers werken vanwege een reportage voor GEO die hij samen met de schrijver Erich Loest maakte. Vanaf dat moment concentreert hij zich op boek- en tentoonstellingsprojecten. Pas na 1989 doet hij weer portret- en reportagewerk.
Als portretfotograaf is hij vooral bekend geworden door zijn foto’s van kunstenaars en schrijvers. Veel van zijn portretten hebben een bijna iconografische waarde. Bijvoorbeeld het portret van de zanger Wolf Biermann als "Pruisische Ikarus" op de Weidendammer Brücke in Berlijn. Of de foto van dichteres Sarah Kirsch, zittend op haar ingepakte verhuiskisten – klaar om naar het Westen af te reisen.
Tot 11 oktober is er nog werk van Roger Melis te zien op de groepstentoonstelling Kunst und Revolte ’89 Übergangsgesellschaft Porträts und Szenen 1980 – 1990 in de Akademie der Künste, Pariserplatz 4, 10117 Berlijn.

bron: Spiegel Online Kultur

14-09-09

Renate Rössing (1929 - 2005) und Roger Rössing (1929 - 2006): Von Ruinen umgebene Bäckerei auf der Petersstraße, Leipzig, 1949

Roger Melis (1940-2009): Rummel an der Michelangelostraße, Berlin, 1969

Bernd Heyden (1940-1984):Kinder im Hinterhoff, Stargarder Straße, Berlin,1973

DDR-fotografie



















De Berlijnse uitgeverij Lehmstadt heeft een prachtig monument opgericht om de Val van de Muur te herdenken: een aantal prachtige fotoboeken van fotografen uit de voormalige DDR: Bernd Heyden, Roger Melis en Roger & Renate Rössing.
In Berlin – Ecke Prenzlauer is een selectie te zien uit de foto’s die Bernd Heyden in de periode 1966 – 1980 maakte in de wijk Prenslauer Berg. Je kunt ze beschouwen als zijn fotografisch dagboek. In veel grijstonen wordt een wijk in de schaduw van De Muur gedocumenteerd.
De foto’s van Roger Melis (vorige week gestorven) in In einem stillen Land stammen uit de periode 1965 - 1989. Wat een ontluisterend beeld wordt hier geschetst van het voormalige arbeiders paradijs. Dat De Muur zou vallen stond al veel langer in de sterren geschreven begrijp je na het zien van deze foto’s.
In Künstlerporträts is een selectie te zien van de foto’s die Melis tussen 1962 en 2002 maakte van kunstenaars. De meeste uit de voormalige DDR. Maar ook Max Frisch die op bezoek is bij een collega die in de buurt van Potsdam woont.
Tot slot Menschen in der Stadt van Roger & Renate Rössing. Het echtpaar heeft bijna een halve eeuw lang het leven in hun woonplaats Leipzig met hun camera vastgelegd. Niet de grote gebeurtenissen maar het gewone dagelijkse leven. Je hebt soms het idee dat je in Foreign correspondent van Alfred Hitchcock bent terechtgekomen.

17-08-09

20 JAAR WENDE EN EEN BEETJE AGITPROP


Op 9 november is het zover. Dan is het twintig jaar geleden dat de Berlijnse Muur viel. Deze gebeurtenis beheerst al tijden de Duitse pers. De voormalige DDR blijft belangrijk. Angela Merkel, de bondskanselier, is afkomstig uit het Oosten. Jarenlang was ze lid van de Freie Deutsche Jugend (FDJ) en was daar actief in de afdeling Agitprop (Agitatie en Propaganda). Dat ze het niet verleerd is, blijkt uit haar laatste verkiezingsaffiche dat overigens al weer weggehaald schijnt te zijn. Ook agitprop heeft zijn grenzen moeten ze bij de CDU gedacht hebben.
Ook op cultureel gebied spelen kunstenaars uit de voormalige DDR een belangrijke rol. Je hoeft alleen maar naar de laureaten van de belangrijkste Duitse literatuurprijs de Deutscher Buchpreis te kijken. In 2006 stond Ingo Schulze met Neue Leben op de shortlist en in 2008 won Uwe Tellkamp de prijs met Der Turm. Twee romans die kort na hun verschijning als de definitieve Wende-roman betiteld werden. In 2008 stond Ingo Schulze trouwens weer op de shortlist met zijn Wende-roman Adam und Evelyn . Overmorgen wordt de longlist voor 2009 bekendgemaakt. Benieuwd wiens namen daar op prijken.
Dit najaar verschijnt er zowel een vertaling van Der Turm als van Adam und Evelyn. Op 3 oktober (15.00) komt Ingo Schulze naar Het Andere Boek in Antwerpen om over zijn laatste roman te praten.

PS

Ik heb dat verkiezingsaffiche waarop Angela Merkel en Vera Lengsfeld ons hun weelderige decolletés tonen nog eens goed bekeken.
Dit zijn geen gewone decolletés. Dit zijn Duitse decolletés. Ze verwijzen niet zozeer naar het ‘mehr’ waarvan op het affiche sprake is, nee, ze verwijzen naar de beschutting van een Biergarten in augustus, naar diensters in Dirndl die grote dienbladen met enorme pullen bier torsen. Ik hoor het geschreeuw van mannen met rood aangelopen gezichten, ik ruik de geur van braadworsten. Kortom, de weelderige decolletés van Angela Merkel en Vera Lengsfeld doen mij denken aan een zwoele Duitse zomer.

10-05-09

'IEDEREEN VINDT ZICHZELF BELANGRIJK'


Een gesprek met DANIEL KEHLMANN, Amsterdam, 27 maart 2009


Daniel Kehlmann (München 1975) debuteerde in 1997 op zijn tweeëntwintigste. De roman ‘Ik en Kaminski’ uit 2003 betekende zijn doorbraak. In 2005 verscheen ‘Het meten van de wereld’. Van dat boek werden wereldwijd anderhalf miljoen exemplaren verkocht. In Duitsland al meer dan negenhonderdduizend. Alleen van Patrick Süskinds roman ‘Het Parfum’ werden er meer verkocht.
Kehlmann die filosofie en literatuurwetenschappen studeerde, woont en werkt in Wenen en Berlijn.
Tussen ons op tafel ligt de Nederlandse vertaling van zijn meest recente roman: ‘Roem’. Het is zijn vijfde roman.
‘Roem’ is een lichtvoetig geschreven en tegelijkertijd zeer complexe roman. Ik heb het boek nu twee keer gelezen. Misschien moet je dat ook doen om de rijkdom van deze tekst ten volle te kunnen smaken?
‘Dat klopt maar het is natuurlijk een beetje vreemd om zoiets als auteur van je lezer te eisen...’
Thomas Mann heeft een dergelijk advies aan de lezers van zijn roman ‘De toverberg’ gegeven.
‘Ja, en Schopenhauer maakte het nog bonter. Volgens hem kon je niets van ‘De wereld als wil en voorstelling’ begrijpen als je het boek niet twee keer las. Toch wilde ik ook de lezer die de structuur en de verwijzingen niet ziet, die ‘Roem’ gewoon als een verhalenbundel leest, iets meegeven. Het is natuurlijk vooral een boek voor lezers die er plezier in hebben verbindingen te zien en structuren bloot te leggen. Maar je blijft allicht altijd lezers hebben die zich ergeren, die geen zin hebben in raadsels en spelletjes.’
In de Nederlandse vertaling ontbreekt de ondertitel ‘een roman in negen verhalen’.
‘Ik heb lang getwijfeld of ik het ‘een roman in vertellingen’ of gewoon ‘roman’ zou noemen. Het is weliswaar een experiment in romanvorm maar het is en blijft een roman. Aan mijn buitenlandse uitgevers heb ik de keuze gelaten. Uitgeverij Querido koos voor ‘roman’. Niet om de lezer te bedriegen, maar omdat het duidelijker en eenvoudiger is.’
In de vertelling ‘Oosten’ reist de misdaadauteur Maria Rubinstein met een internationaal gezelschap journalisten en schrijvers naar een niet nader genoemd land in Centraal-Azië. Ze gaat in plaats van de schrijver Leo Richter die geen in had. Omdat ze niet op de officiële lijst voorkomt, mondt deze reis voor haar uit in een nachtmerrie. In vergelijking met de andere verhalen is ‘Oosten’ een realistisch verhaal.
‘Inderdaad. Het is een verhaal dat de brutale werkelijkheid toont. Ik heb om privéredenen de laatste twee jaar veel tijd doorgebracht in Centraal-Azië. Ik ken de situatie ter plekke en weet dat het verhaal zeer realistisch is. Sommige lezers hebben mij gevraagd of het beeld dat ik van zo’n land schets niet een cliché is. Is het in werkelijkheid niet minder rommelig, minder bureaucratischer en chaotischer? Vreemd genoeg zijn het altijd mensen die nog nooit in Centraal-Azië geweest zijn.’
Doordat Maria Rubinstein de oplader van haar gsm vergeten heeft, raakt ze verstrikt in een bureaucratisch web. De gsm speelt een belangrijke rol in uw roman. In het eerste verhaal ‘Stemmen’ koopt de hoofdpersoon een gsm en krijgt per ongeluk een nummer dat al in gebruik is. Als hij naar de klantendienst van de telefoonmaatschappij belt, krijgt hij te horen dat zoiets onmogelijk is.
‘Een vriend van mij heeft bij een groot telecombedrijf gewerkt. De fout ligt altijd bij de klant. Dat is het uitgangspunt. In bureaucratische systemen zie je hetzelfde. De burger is altijd schuldig. Het systeem treft nooit schuld. Terwijl in werkelijkheid het systeem steeds schuld heeft.’
De moderne technologie heeft ons leven danig veranderd. Vijftien jaar geleden had niemand een gsm en tegenwoordig kan niemand meer zonder.
‘Het heeft de aard en wijze van hoe we leven veranderd. Of ik daar voor of tegen ben, interesseert me niet als verteller. Maar de technologische ontwikkelingen hebben de aard van de verhalen die ons overkomen ook veranderd. Daar wilde ik over vertellen. Bijvoorbeeld over de dubbellevens die men met een gsm kan leiden. We leven nu in een andere wereld waarin andere dingen gebeuren. Dat moet toch ook zijn neerslag in onze literatuur hebben.’
De figuur van de bekende schrijver Leo Richter duikt in meerdere verhalen op. Hij lijkt nog het meest op een marionettenspeler. Hij trekt aan de touwtjes en de andere personages bewegen. Aan het einde van het laatste verhaal is hij plotseling verdwenen.
‘Dat is wat schrijvers doen. Zij trekken hun eigen persoonlijkheid terug en laten een schepping achter.’
Leo Richter wordt vergeleken met een tweederangs god.
‘Zo is hij ook al opgetreden in het verhaal ‘Rosalie gaat sterven’. Haar redt hij uiteindelijk, terwijl hij zijn eigen vriendin laat zitten. Elisabeth laat hij achter in het verhaal en trekt zich terug. ‘Een schrijver is overal en achter de dingen en boven de hemel en onder de aarde...’ Zo verwoordde James Joyce het. En hij vervolgde : En de schrijver leunde achterover en vijlde zijn nagels.’ Er is geen gelegenheid meer om hem rekenschap te vragen.’
Een citaat uit de roman ‘Ik en Kaminski’:
‘Ik wilde bijvoorbeeld een serie zelfportretten maken, maar niet op basis van mijn spiegelbeeld of foto’s, maar alleen met behulp van het beeld dat ik van mijzelf had. Niemand heeft immers een idee van hoe hij eruitziet, we hebben volledig verkeerde beelden van onszelf.’
‘Ik kwam daarop tijdens het schrijven. Gewoon omdat ik me afvroeg waarom zoiets nog nooit gebeurd was.’
Het citaat zou kunnen dienen als motto voor ‘Roem’.
‘In Roem gaat het inderdaad ook om identiteit. Het gaat om de vraag hoe zie je jezelf? Hoe zien de anderen je? Bij iemand die beroemd is dringen die vragen zich vanzelfsprekend op. Maar het zijn natuurlijk vragen die iedereen zich zou moeten stellen.
In ‘Rosalie gaat sterven’ smeekt de hoofdpersoon, die kanker heeft, de schrijver haar te laten leven. Hoewel in het begin onwillig geeft hij haar uiteindelijk toch haar zin. En toen hij toch bezig was, maakte hij haar ook weer jong.
‘Misschien raar om te zeggen maar op dat hoofdstuk ben ik erg trots. Emotioneel is het me dierbaar. Enerzijds speel ik een postmodern spel met fictie en anderzijds vertel ik een realistisch verhaal over een mens die gaat sterven. Het gesprek dat de schrijver Leo Richter met zijn personage Rosalie voert, heb ik ook met haar gevoerd.’
Het is moeilijk je met uw personages te identificeren, lees je in veel recensies. Het klinkt als een verwijt.
‘Ik vind dat identificatie een overschat criterium is. Vladimir Nabokov, een auteur die ik zeer bewonder, kreeg bij elke roman weer te horen dat het zo moeilijk was je met zijn personages te identificeren. Nabokov vond dat de lezer zich niet met een personage maar met de schrijver moet identificeren, met de geest die achter dat alles steekt, met de hele compositie.
Het is vreemd dat op dit moment in de Duitse kritiek het begrip identificatie weer zo’n belangrijke rol speelt. Bertold Brecht heeft zich in het grootste deel van zijn werk beziggehouden met argumenteren tegen de identificatie. En dat heeft een enorme invloed gehad, wereldwijd, maar ook in Duitsland. Dat schijnt momenteel totaal vergeten te zijn. Het lijkt alsof Brecht nooit heeft bestaan.’
‘Ik en Kaminski’ had ook net zo goed Roem kunnen heten.
‘In dat boek gaat het werkelijk om roem. Het zou een te simpele titel zijn geweest. Maar er zijn veel overeenkomsten. Natuurlijk is ‘Roem’ is veel gecompliceerder. Vernuftiger van compositie ook. Misschien is het daarom iets minder grappig.’
Sebastian Zöllner is de hoofdpersoon van uw roman ‘Ik en Kaminski’. Hij dringt zich op aan de bekende schilder Kaminski. In het verhaal ‘Een bijdrage aan de discussie’ maken we kennis met de blogger Mollwitz die zich op zijn beurt weer opdringt aan de bekende schrijver Leo Richter.
‘Mollwitz is een groteske versie van Zöllner. Maar hij is oneindig veel tragischer. Aan het einde van het verhaal staat hij in de hotellobby en huilt omdat niemand zich om hem bekommert. Maar er is ook troost voor hem. Zijn laatste zin is: ‘In een verhaal, dat weet ik nu, zal ik nooit komen.’ Hij had het dus bij het verkeerde eind.
Toen het idee voor dit verhaal ontstond, heb ik veel blogs bekeken, vooral die zogenaamde postings. Ik wilde weten wat er gebeurde als je onder een verzonnen naam berichten in een blog of nieuwsgroep zette. De reacties zijn verschrikkelijk. Wat een woede, wat een agressiviteit. Je geeft een mening en iemand anders, iemand die je helemaal niet kent, antwoord daar weer op. Meestal verschrikkelijk domme antwoorden waar dan weer andere onbekenden op reageren. Je leest die postings en denkt wat een verschrikkelijke domme en agressieve mensen. In werkelijkheid zijn het allemaal hele normale mensen. De anonimiteit brengt ze ertoe om deze agressie in zich los te laten.
We leven in een cultuur waarin iedereen bijgebracht wordt dat hij belangrijk is. Iedere mening is belangrijk. Daarom wil geen enkele politicus de massa beledigen. Kijk naar de strijd tegen extreem rechts. Die partijen zijn verschrikkelijk maar van degenen die op die partijen stemmen, wordt gezegd dat het nette, slimme mensen zijn die misleid zijn. Niemand durft te zeggen dat degenen die er op stemmen idioten zijn.’
Miguel Auristos Blancos is een wereldberoemde schrijver van boeken over harmonie, innerlijke gratie en het zoeken naar de zin van het leven. Om de zoveel pagina’s slingert er wel ergens een exemplaar rond van een van zijn boeken. Hoe verhoudt hij zich tot Leo Richter?
‘Hij heeft met Richter gemeen dat ze beiden putten uit hun eigen leven. Maar terwijl Blancos boeken schrijft met levensraad, schrijft Richter verhalen. Naar mijn mening doet Richter er iets beters mee. Blancos geeft antwoorden. Een echte schrijver geeft geen antwoorden. Als je een goede roman gelezen hebt, moet alles er nog wat complexer uitzien dan voorheen. Een goede roman maakt de dingen niet simpeler.’
In het verhaal ‘Antwoord aan de abdis’ overweegt Blancos zelfmoord te plegen. Is het omdat hij zijn lezers al die jaren heeft voorgehouden dat er hoop is, terwijl hij weet dat die er niet is?
‘Nee, Blancos wil zich niet voor zijn hoofd schieten omdat hij zijn lezers al die jaren heeft misleid. Hij overweegt zelfmoord omdat hij beseft dat zo’n daad hem werkelijk groot maakt. Hier kun je de titel ‘Roem’ letterlijk nemen. Maar of hij het werkelijk doet? Ik weet het ook niet. Ik vind het mooi als een verhaal juist voordat de beslissing gaat vallen, ophoudt. Dat beide mogelijkheden nog open zijn.’
Uw vorige boek ‘Het meten van de wereld’ was een historische roman over de pogingen van twee wiskundigen de wereld op te meten.
‘Deze keer wilde ik een boek schrijven dat volkomen anders was. Niet alleen moest de roman zich in het heden afspelen, ze moest ook over het heden handelen. Dat heb ik als een bevrijdende en interessante gedachte ervaren.
Onlangs merkte een lezer op dat in ‘Roem’ de wiskunde is opgegaan in de structuur van de roman. Nu is de schrijver de wiskundige, zei hij. Ik was er zelf nooit opgekomen.’

verscheen eerder in De Standaard der Letteren, 17 april 2009

06-02-09

Opgewekt gejammer

Een eenvoudig ijzeren kruis siert Thomas Bernhards graf op het Grinzinger Friedhof in Wenen. Hij ligt er samen met zijn “Lebensmensch” Hedwig Stavianicek. Bernhard leert haar op negentienjarige leeftijd kennen in Grafenhof een ziekenhuis voor longlijders in St. Veit im Pongau. Hij verblijft er twee jaar als patiënt, de zevenendertig jaar oudere weduwe werkt er als verpleegster. Ze ontfermt zich over de jonge dichter en biedt hem onderdak in haar appartement in Döbling. Deze levensgemeenschap zal vierendertig jaar stand houden tot aan haar dood in 1984.

Onlangs verscheen ter gelegenheid van de twintigste sterfdag van Bernhard op 12 februari Meine Preise. In deze tekst uit de nalatenschap beschrijft Bernhard(1931-1989) op welke wijze de door hem ontvangen literaire prijzen zijn leven hebben beïnvloed. Hilarische voorvallen uit het leven van een overdrijvingskunstenaar. Ook Hedwig Stavianicek komt er onder haar koosnaam Tante veelvuldig in voor. Zij was steeds zijn metgezel als er weer eens ergens in Oostenrijk of Duitsland een prijs moest worden afgehaald. De Duitse literatuurcriticus Marcel Reich-Ranicki heeft Bernhard de uitvinder van de "komische klaagzang' of wel van "opgewekt gejammer' genoemd. Dat is in Meine Preise niet anders.

Als Bernhard een rede houdt bij de aanvaarding van de Oostenrijkse Staatsprijs voor literatuur verlaat de aanwezige minister woedend en met slaande deuren de zaal. Waarom? Dat is de laureaat zelfs jaren later nog onduidelijk. Naar zijn idee was het een erg rustige tekst geweest. Een tekst die toch niemand zou begrijpen en daardoor ook geen stof zou doen opwaaien. Als er al iemand was geweest die het recht had boos te worden dan was hij dat zelf. De minister had hem in zijn toespraak een 'in Holland geboren buitenlander' genoemd. Ook had hij hem in zijn biografische schets meerdere romans toegeschreven die hij helemaal niet had geschreven.

Bernhard is vaak afgeschilderd als een pessimistische, wild om zich heen slaande mensenhater. Hij verwijt de mensen lafheid. Hij is allergisch voor hun pretenties. Tussen literatoren voelt hij zich niet op zijn plaats, nee, hij zit nog liever tussen koopmannen. Zoals bij de uitreiking van de literatuurprijs van de kamer van koophandel in Salzburg voor zijn autobiografische tekst De kelder.

In De neef van Wittgenstein schetst Bernhard een eerlijk en ontroerend portret van zijn vriendschap met Paul Wittgenstein – even geniaal en krankzinnig als zijn oom Ludwig. Bernhard is kritisch voor zijn vriend. Maar ook hijzelf is besmet met lafheid en pretentie. Hij heeft altijd beloofd te spreken op de begrafenis van zijn vriend. Als het zover is zit Bernhard op Kreta. Op de begrafenis van Paul Wittgenstein zijn slechts acht mensen aanwezig.

In Holzfällen wordt een kunstenaarsavondje beschreven bij een componistenechtpaar. Iedereen moet het ontgelden. Vooral de schrijfster Jeannie Billroth, de Weense Virginia Woolf. Tientallen jaren eerder bestond er een innige relatie tussen haar en de ik-figuur. Vloekend en scheldend schetst Bernhard haar portret. Maar plotseling wisselt hij radicaal van toon. Wat hij is, is hij geworden door haar. Zij heeft hem de weg gewezen in de literatuur, zij heeft hem onder haar hoede genomen en hem voorgesteld aan de juiste mensen. Deze dubbelzinnigheid vind je in elke tekst van Bernhard terug en het maakt zijn rijke, melodieuze oeuvre zo in en in menselijk.

Op 31 december 1989 stond ik voor het venster van een ruime loft – een voormalig naaiatelier - in de Schloßgasse in Wenen. Die ochtend had ik het graf van Bernhard bezocht.
‘Kijk, zei mijn gastvrouw plotseling. Ze wees naar een huis aan de overkant van de straat. Achter het raam zat een vrouw van een jaar of zeventig. Ze schreef.
Dat was dus Jeannie Ebner, de Oostenrijkse schrijfster die model had gestaan voor Jeannie Billroth. Ik stond oog in oog met een romanpersonage uit het oeuvre van één van mijn lievelingsauteurs.
Op een gegeven moment keek ze op. Even kruisten onze blikken elkaar. De vrouw die in mijn beleving nu volkomen was getransformeerd tot Jeannie Billroth deed of ze ons niet zag en staarde – pen of potlood in haar mond - stoïcijns naar buiten.

verscheen eerder in De Standaard der Letteren nr. 2959, 06-02-2009

31-01-09

HERMAN DE CONINCKPRIJS 2009 VOOR BESTE DEBUUT





UIT HET JURYVERSLAG HERMAN DE CONINCKPRIJS 2009:



Als BESTE DEBUUT bekroonde de jury de bundel TIJD EN LANDEN van WILLEM VAN ZADELHOFF.
De jury was gecharmeerd door de ontregelende taal waarmee Van Zadelhoff beklijvende
beelden oproept en het gemak waarmee hij verschillende registers hanteert. Van Zadelhoff
neemt de lezer mee op een wonderlijke reis door de tijd, waarin hij langs de klippen van de
herinnering laveert en zowel een duivenmelker als King Lear zijn pad kruisen. Poëzie die
zowel vertedert als verbijstert - en af en toe zelfs flink durft stinken...

De jury:
Lieve Coppens, voorzitter
Piet Piryns
Friedl' Lesage
Marc Reynebeau
Lisbeth Imbo

13-01-09

VALÉWIE? VALÉRY!




Zojuist het jongste nummer van Deus ex Machina op de mat gevonden. Ditmaal gewijdt aan Paul Valéry (1871-1945). Om preciezer te zijn: aan zijn Cahiers. Paul Valéry - groot dichter, groot filosoof en noem maar op... – schreef er vanaf 1894 tot aan zijn dood iedere ochtend aan – entre la lampe et le soleil. Het leverde uiteindelijk 30.000 pagina’s dagboeknotities op. verwacht van Valéry geen persoonlijke ontboezemingen. De Nederlandse essayist Maarten van Buuren die een paar jaar geleden een selectie uit de Cahiers vertaalde, noemt de notities: ‘oefeningen van de geest, hersengymnastiek’. Daar passen geen persoonlijke beslommeringen bij.
Tijdens de ochtendkoffie begin ik in Deus ex Machina te bladeren. Ik lees hier een regel, daar een alinea.
Ik wordt al in het eerste artikel van Martijn Boven op de vingers getikt: ‘Paul Valéry is de dichter die zwijgt; de denker die weigert filosoof te zijn; de schrijver die de taal in staat van beschuldiging stelt; de expert die volhoudt amateur te zijn....’
Ik sla een bladzijde om. Vanaf de rechterpagina kijkt hij me aan. Bladvullend portret in zwart-wit, veel grijstonen. De heldere ogen vallen op. Priemend en melancholiek. Het zou me niets verbazen als ze lichtblauw waren.
Op de tegenoverliggende pagina: Vertaalde aantekeningen. Katrien Vandenberghe trakteert ons op een selectie uit de Cahiers. Daar ben ik natuurlijk blij mee. Mijn kennis van de Franse taal is abominabel. Ik ben dus afhankelijk van vertalingen. Nou weet ik ook wel weer voldoende van de Franse taal dat je om Valéry te lezen meer nodig hebt dan wat schoolfrans. Ik ben dus dolblij als er ergens weer wat vertaalde aantekeningen van Valéry verschijnen. Een paar jaar geleden bijvoorbeeld in het Valéry-nummer van De Revisor. Jan Fontein nam er een aantal op in zijn bundel Kijk naar de vis. En eindelijk verschijnt er in 2004 bij de Historische Uitgeverij een ruime selectie, ingeleid en vertaald door eerdergenoemde Maarten van Buuren: De macht van afwezigheid.
Waarom boeien die aantekeningen me nu zo? Daar kan ik kort en duidelijk over zijn: nergens anders vond ik het proces van schrijven zo beklijvend, zo aanschouwelijk beschreven. Over het maken van een gedicht schrijft hij bijvoorbeeld:

‘Door onophoudelijk aan het gedicht te werken, voortdurend te knutselen in de richting van de perfectie, went de schrijver aan verandering, weglating, vervanging van woorden die, door hun gelukkig resultaat, het gezichtspunt van de schrijver veelvuldig veranderen en hem op de terechte gedachte brengen dat het aanvankelijke doel, de oorspronkelijke bedoeling van zijn gedicht niet wezenlijk zijn ; dat hij ze kan en moet loslaten als ich een mogelijk alternatief voordoet – dat ze niet meer zijn dan beginvoorwaarden – openingszetten; totdat zijn aandacht tenlotte in hoofdzaak gericht is op de taal zelf en op de veranderende kracht van taal.
Hij begrijpt, kortom, dat hij via het doel de middelen bereikt en dat doel, dat hem door zijn ongearticuleerde verlangen of zijn aanvankelijke emotie was voorgespiegeld, van geen belang is.’
(vertaling M. van Buuren)

Als ik dat lees, denk ik: dit gaat over mij, over hoe ik werk, over hoe ik schrijf. En ook denk ik: iedereen die in een onbewaakt moment de behoefte voelt om te gaan schrijven moet deze overdenkingen eerst maar eens lezen.
Bij Gide las ik eens dat Valéry bereid was een gedachte op te geven voor een mooie zin. Ik ben het nog niet tegengekomen in de Cahiers maar ik onderschrijf het van harte.
En nu allemaal Deus ex Machina kopen. Nog beter: een abonnement nemen.

http://www.deusexmachina.be

06-01-09

HET GESCHENK, een erg kort verhaal

Hij was verbaasd toen hij zijn vader onverwacht in de deuropening zag staan. Hij overwoog te zeggen dat hij er goed uitzag. Dat vond hij werkelijk. Het antraciet wollen pak dat zijn vader droeg was van goede kwaliteit en leek op maat gemaakt. Bovendien had hij een gezonde gelaatskleur en zijn licht krullende haar was slechts bij de slapen wat grijs geworden. Het gaf aan zijn gezicht een milde en wijze uitdrukking.
Hij overwoog ook nog te zeggen dat hij vooral niet langer in de deuropening moest blijven staan, dat hij binnen moest komen. En of hij iets wilde drinken, iets eten?
Maar hij bleef zwijgen en keek zijn vader aan. Zijn vader zweeg ook maar voelde zich in tegenstelling tot zijn zoon allerminst opgelaten. Hij wisselde terwijl hij zijn zoon opgewekt aankeek van standbeen, gaf hem een knipoog en overhandigde hem toen een geschenk.
‘Dit keer ben ik je verjaardag niet vergeten’, zei hij. Toen draaide hij zich om en liep de trap af.
Later die avond – de woning zat vol drinkende en etende mensen – realiseerde de zoon zich dat hij nu net zo oud was als zijn vader toen die onder verdachte omstandigheden om het leven kwam. Dat zegt natuurlijk niets. In ieder geval niet alles; zijn vaders hele leven had zich onder verdachte omstandigheden afgespeeld.