13-11-15

'Little Ole Wine Drinker, Me'



Dubrovnik is een prachtige stad. Maar dat ervaar je alleen ‘s avonds en in de vroege ochtend. Dan zitten de tienduizenden toeristen die overdag de stad terroriseren nog op hun cruiseschepen.
In mei 2010 kreeg ik van internationaal literatuurhuis Passa Porta de gelegenheid een maand in Dubrovnik te verblijven als writer in residence om de laatste hand te leggen aan Ga niet weg. Uiteindelijk schreef ik mijn roman in vier weken helemaal opnieuw. 
De avondmaaltijd gebruikte ik meestal in oštarije Sesame, een klein restaurant
in de Dante Alighieria. Het eten was daar goed maar ik herinner me vooral de wijnen. De eigenaar, een wat oudere man die door zijn nonchalant geknoopte sjaaltjes een ouderwetse artistieke uitstraling had – later bleek dat hij in zijn jonge jaren kunstfotograaf was geweest - liet me kennismaken met de meest fantastische Kroatische wijnen. Hij vertelde me dat de oude Romeinse schrijvers de wijn en olijfolie uit Istrië al loofden als de beste van het Romeinse Rijk, ook Giacomo Casanova schreef in zijn memoires vol lof over deze wijnen. En de Oostenrijkse keizer Franz Jozef I liet in 1902 zelfs een spoorlijn aanleggen tussen Triest en Poreč met als doel wijnen te vervoeren.
Maar daar dacht ik niet aan toen ik op een zonnige ochtend rond een uur of acht een wandeling maakte langs de stadsmuur. Ik wilde koffie drinken. Niet veel later zag ik een uithangbord: The Cold Bar. De bar was te bereiken via een smalle gang in de stadsmuur. Toen ik aan de andere kant weer naar buiten kwam, bevond ik me op een terras, minstens veertig meter boven de waterspiegel, dat uitzicht bood op de Adriatische Zee.
Ik wilde koffie bij de serveerster bestellen maar dat ging niet. Het was niet voor niets een Cold Bar: ze serveerden alleen maar koude dranken. Hoewel dat erg logisch klonk, had ik die associatie helemaal niet gemaakt. Toen ik de naam van de bar las, had ik in eerste instantie moeten denken aan The Cold Song van Henri Purcell. Cold Song, Cold Bar… eigenlijk was dat de reden geweest waarom ik die smalle gang was ingelopen en toen ik werd geconfronteerd met dat overweldigende panorama had ik in mijn hoofd de ijle stem van Klaus Nomi gehoord:

‘Let me, let me,
Let me, let me,
Freeze again...
Let me, let me,
Freeze again to death!’

Ik bestelde een mineraalwater en staarde voor me uit. In de verte zag ik de eerste cruise schepen al aan de horizon verschijnen. Even later schalde de stem van Dean Martin uit de geluidsboxen. Niks geen Purcell, nee, gewoon een oud countrynummer dat hem op het lijf geschreven was: Little Ole Wine Drinker, Me:

‘I'm prayin' for rain in California,
So the grapes can grow and they can make more wine…’

Misschien was dat op dat moment nog wel mooier dan iets van Purcell.










05-11-15

LAAT DE KINDEREN TOT MIJ KOMEN



Gisteren bezocht ik in Rotterdam de tentoonstelling Van Bosch tot Breugel. Dat was een vreemde ervaring. Net toen ik dacht dat het echt zou gaan beginnen, bleek het al weer voorbij te zijn. Ik zag een aantal prachtige schilderijen, daar niet van, maar om nou zoveel ophef te maken over een tentoonstelling die nauwelijks één museumzaal beslaat, vind ik enigszins overdreven. En dan die overvloed aan tekst. Geen wonder dat je dan weinig wand overhoudt om kunst op te hangen. Van Jeroen Bosch heb ik niet meer dan drie schilderijen kunnen ontdekken, van Breugel de Oude iets meer. Maar je had toch ook nog zijn zonen  Pieter Brueghel de Jonge en Jan Brueghel de Oude? Van hen zag ik niets. Het was zoals wel vaker een nogal educatieve bedoening. Er waren dus ook erg veel schoolkinderen. Helemaal niets op tegen. Je kunt ze niet vroeg genoeg met cultuur in aanraking brengen, maar… Waarom denken volwassenen toch altijd dat ze weten wat kinderen leuk vinden? Toen ik als kind in Arnhem woonde, bezocht ik samen met mijn ouders regelmatig het Gemeentemuseum. Hoogtepunt was voor mij een stijlkamer: de nagebouwde woonkamer van  Alexander Verhuell, wiens collectie ten grondslag lag aan die van het museum. In 1969 werd Pierre Janssen benoemd tot directeur. Hij vond dat het museum er voor iedereen was, het moest dus worden opengebroken. Plotseling was de ingang veranderd, lag er speelgoed in de koffiekamer en… de stijlkamer was verdwenen. Verschrikkelijk vond ik dat. Voor mij, ik was elf destijds, had het museum zijn ziel verloren. Die muffe stijlkamer had iedere keer als ik er was mijn verbeelding geprikkeld, was een soort navelstreng met een ver verleden geweest… Ik dacht daaraan toen ik gisteren die kinderen  bij De tuin der lusten van Bosch zag staan. De bezoekers die even eerder voor het doek hadden gestaan, onder andere een heer met scootmobiel, waren min of meer opzij geduwd door de medewerker van de educatieve dienst die de groep kinderen begeleidde. Ik wilde als kind deel uitmaken van die nog onbekende grote mensenwereld, niets leek me spannender. Nu zag ik voor mijn ogen gebeuren dat die wereld plaats moest maken voor die van een peuterspeelzaal. Daarom riep die educatieve medewerker ook dat we opzij moesten gaan en hielp hij de bezoekers die dat niet snel genoeg deden door ze met zachte hand maar evengoed beslist opzij te duwen.

Toen ik in 2014 in Museum Boymans van Beuningen de tentoonstelling Brancusi, Rosso, Man Ray - Framing Sculpture bezocht, stonden er minstens honderd kinderen in de hal, misschien wel tweehonderd. Het was die dag Kindermuseumdag of zoiets en daarom was directeur Sjarel Ex op een wankele stoel geklommen en stond hij wat ongearticuleerde klanken uit te stoten in een megafoon.
Hij was overduidelijk in zijn element. Misschien dacht hij wel dat hij zich in een voetbalstadion bevond en daar een uitgelaten menigte toesprak. Maar een museum is geen voetbalstadion en het lijkt me een belangrijke taak van een museum om dat duidelijk te maken aan jonge bezoekers. Bovendien zijn er heel veel kinderen die liever stil door een museum lopen, om zich heen kijken en dingen ontdekken. Alleen hoor je die kinderen niet, ze hebben wel andere dingen aan hun hoofd. De kinderen die even later uitgelaten en gillend door de museumzalen renden, kun je natuurlijk ook niets kwalijk nemen.