14-12-10

DE PERS OVER GA NIET WEG

Ton Van Imschoot in Knack:

Wie houdt van helderheid? Met Ga niet weg bekroont Willem van Zadelhoff (°1958) op een briljante manier zijn ingenieuze romantrilogie over de twintigste-eeuwse droom van een maakbaar leven vol 'licht en lucht'. In Een stoel (2003) werd het vooroorlogse Bauhaus - ontwerp van de achterpootloze buisstoel verweven met de geschiedenis van de Arnhemse familie Kats. Holle haven (2006), naar een gedicht van Paul van Ostaijen, borduurde erop voort, maar nam de ontwikkeling van de naoorlogse modernistische architectuur in focus. In Ga niet weg nu is Hollandse stedenbouw het mikpunt, andermaal in een onwaarschijnlijk uitgeklaarde stijl.
Robert Kats, die ook in Een stoel de hoofdrol speelde, besluit onverhoeds een kubusvormige villa te kopen in de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam. Hester, zijn vrouw, vindt dat maar niks. Toch zet Robert door, buiten haar weten om. Hij heeft immers het gevoel zijn jeugd en zijn toekomst in dat huis terug te vinden. Bovendien blijkt de villa aan Willy Alberti te hebben toebehoord, een zanger uit de Jordaan, de volkse wijk van Roberts 'hechte familie' van moederskant. Toen was sociale mobiliteit nog mogelijk.
In dat oude idee vindt Robert een nieuw doel. Nadat hij Hester verlaten en zijn villa alleen betrokken heeft, ontfermt hij zich over een moslimmeisje waaraan hij op school geschiedenisles geeft. Net als de Pygmalion die zijn vader ooit voor zijn moeder was. Hij biedt haar een studeerkamer aan, hoopt dat ze zo kan slagen. De zaak neemt echter een onverwachtse wending wanneer Robert op school door de broer van het meisje aangevallen wordt en zij er het leven bij inschiet. Wat is er aan de hand? En waar is Hester toch gebleven?
Enter Karoline Kwatta, auteur van een standaardwerk over de familie Kats en bezig met onderzoek naar de Hollandse wijk in Potsdam. Langs haar om ontmaskert Van Zadelhoff het verlangen naar 'een paradijs van licht en lucht' dat Robert van zijn vaderen heeft geërfd als een gevaarlijke fantasie, een historische last met een duistere ontknoping. Alles wordt uiteindelijk helder, behalve het verlangen en de verbeelding zelf. Wat een verademing! Een meesterlijk einde van een beklemmende trilogie.

Mark Cloostermans in De Standaard:

Het cruciale zinnetje staat al op bladzijde 42, in een jeugdherinnering van de hoofdpersoon. Zijn vader, zo vertelt Robert Kats, beschouwde zijn moeder als een soort ruwe diamant. Hij wilde haar losmaken van haar platvloerse familie, haar te volkse wortels. En dan klinkt het, enigszins omineus: 'Mijn vader wist wat goed voor anderen was.' Daarmee legt Willem van Zadelhoff onopvallend de revolver neer die later in het boek zal afgaan.

Aan de oppervlakte vertelt Ga niet weg een eenvoudig verhaal. De onderwijzer Robert Kats wordt halsoverkop verliefd op een huis: een lichte, heldere woning, met veel glas, gelegen in een nieuwbouwwijk uit de jaren 1950. Roberts vriendin wil niet mee verhuizen, maar hij volgt zijn droom ('licht en lucht') en betrekt het huis alleen.
Het enige bezoek dat hij ontvangt, is dat van een Turkse leerlinge. Haar heeft hij een rustige studeerkamer aangeboden. Dat zijn interesse voor de leerlinge wat ver gaat, is de lezer meteen duidelijk. Halverwege de roman is het meisje opeens dood en ligt Robert in het ziekenhuis. Wat er precies is gebeurd, vertelt Robert niet. Wel deelt hij met ons zijn gevoel voor ironie: de man die licht en lucht zocht, eindigt met nog maar één oog en anderhalve long.
Een origineel verhaal is dit niet. Jan Siebelink, bijvoorbeeld, beschreef in Suezkade (2008) ook al de ontsporende relatie tussen een wereldvreemde onderwijzer en een allochtone leerlinge. Maar door wissels in het vertelperspectief en door de lezer slechts mondjesmaat informatie te voeren, geeft Willem van Zadelhoff nieuw leven aan deze plot.
Bovendien is Ga niet weg meer dan zomaar een verhaal over een zonderling die wat te sterk overtuigd is van zijn gelijk.

In 2003 stapte Willem van Zadelhoff de literatuur in met Een stoel. De in Antwerpen wonende Nederlander trok de aandacht met glashelder, verraderlijk luchtig proza én door het onderwerp van zijn debuut: de achterpootloze buisstoel. Of anders gezegd: de geschiedenis van een droom die verschillende generaties overspant.
Een stoel bleek achteraf de start van een trilogie. In deel 2, Holle haven, verruimde Van Zadelhoff de focus: de stoel werd een pars pro toto voor de modernistische architectuur en met name het Nieuwe Bouwen. Het Nieuwe Bouwen, zo staat te lezen op Wikipedia, is 'een internationale verzamelnaam voor verschillende bouwstijlen en radicale stedenbouwkundige vernieuwingen uit de periode 1915 tot circa 1960'. Van Zadelhoff definieert de stroming zelf als een zoektocht naar licht en lucht. Maar in Holle haven plaatste hij al kanttekeningen: veel modernistische dromen konden maar verwezenlijkt worden dankzij de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. In het pas verschenen sluitstuk van de trilogie, Ga niet weg, verandert de droom in een nachtmerrie.
Bij monde van Robert Kat komt Van Zadelhoff tot een pijnlijke conclusie: de architecten van het Nieuwe Bouwen waren geen geniale dromers, maar gevaarlijke fantasten, die geen rekening hielden met andermans wensen en genadeloos het verleden afbraken om hun visie op de toekomst vorm te geven. Net als Roberts vader (en hijzelf) wisten ze wat goed was voor anderen.

Ga niet weg heeft trekken van een ideeënroman, met personages die staan voor verschillende visies op de omgang met het verleden en het ontwerpen van de toekomst. Zo loopt er ook nog een broer van Robert rond in het verhaal, die hardnekkig de fouten uit het verleden tracht recht te zetten. Robert daarentegen is juist op de toekomst gericht: hij is een voorstander van radicale veranderingen. Maar ook zijn handelen wordt misschien beïnvloed door jeugdherinneringen, nostalgie, de wens om te recupereren wat verloren ging. 'De geschiedenis herschrijven is leuk, zolang je je tot fictie beperkt', waarschuwt hij.
Ook dit is een thema in Ga niet weg: het schrijven van geschiedenis en hoe vervorming en achteraf-interpretatie daarbij niet te vermijden vallen. Deze gedachtelijn heeft Van Zadelhoff toegewezen aan een kennis van Robert, de historica Karoline Kwatta. Zij werkt aan een studie over de Hollandse wijk van Potsdam, gebouwd in de jaren 1830. In de ontwerper daarvan, Jan Bouman, ziet Kwatta een voorloper van het Nieuwe Bouwen: 'Bouman trok de zaken recht. Hij baseerde zich [...] op de menselijke maat.' Toch wordt Kwatta geplaagd door twijfel: was Bouman echt briljant, of slechts een simpele meubelmaker met gevoel voor verhoudingen? Is Karoline Kwatta de geschiedenis aan het vervormen vanuit haar bewondering voor het Nieuwe Bouwen?
Zoals u merkt: deze beknopte roman is eigenlijk een hele boterham, maar Van Zadelhoffs handelsmerk is de lichtvoetige manier waarop hij academische dilemma's tot leven brengt. Ook al heeft Willem van Zadelhoff niet de Belgische nationaliteit, we gaan hem gewoon manu militari inlijven bij de Vlaamse literatuur, want hij is een te waardevolle stem.

Geen opmerkingen: