19-03-13


In gesprek met EUGEN RUGE
Woensdag, 5 september 2012

Door Willem van Zadelhoff

Ik ontmoet Eugen Ruge in een lokaal op de bovenste verdieping van het Goethe Institut in Brussel. Geen lift. Een dag eerder is Ruge in Antwerpen voor een volle zaal geïnterviewd door Geert Van Istendael en later die dag in Brussel door Jacques De Decker. Vanavond wordt hij verwacht in Amsterdam.
In de Duitse pers is In Zeiten des abnehmendes Lichts vergeleken met de Buddenbrooks van Thomas Mann. Vreemd genoeg moest ik regelmatig aan Anton Tsjechov denken terwijl ik het boek las. Niet alleen de toon maar ook de mildheid waarmee hij zijn personages beschrijft.
‘Mijn moeder las me als klein kind voor het slapen gaan verhalen van Tsjechov voor. In het Russisch want ze sprak alleen Russisch. Tsjechov heeft veel  voor kinderen geschreven. Ik herinner me Kaschtanka, een verhaal over een circushond. Later heb ik ook een aantal toneelstukken van hem vertaald. Tsjechov is een zuivere verteller en ik probeer dat ook te zijn. Ik probeer bijvoorbeeld geen enkele zin te schrijven die het waard is te geciteerd te worden. Het heeft geen zin te citeren hoe iemand een trap opgaat. Natuurlijk heb ik vaak genoeg de behoefte gevoeld mooie zinnen toe te voegen. Uiteindelijk zijn die toch weer gesneuveld.’
Tsjechov heeft geschreven dat je koud als ijs moet zijn wanneer je begint te schrijven.
‘Dat klopt maar het tegendeel is ook waar. Wat ik aan Tsjechov bewonder is dat hij zich erg goed in zijn personages inleeft en er tegelijkertijd in slaagt afstand tot hen te bewaren.’
In uw roman wordt het dagelijks leven in de DDR zeer gedetailleerd beschreven.
‘We moeten niet vergeten dat er ook in een dictatuur sprake is van een gewoon dagelijks leven. Nou ja, ik weet niet of dat ook geldt voor dictaturen als Cambodja of in de Sovjet Unie tijdens de jaren dertig. Maar in de DDR werd liefgehad, gegeten, ruzie gemaakt…net zoals in andere landen.’
Hierdoor is het wellicht makkelijker voor de lezer die de DDR-tijd niet heeft meegemaakt zich met de personages te identificeren.
‘Ja en ik hoop dat men daardoor ook zal begrijpen dat de gemiddelde DDR-burgers geen Aliens waren maar gewone mensen. En dat men zich kan voorstellen dat ook zijzelf in zo’n situatie zouden kunnen belanden.’
Zondag 1 oktober 1989 loopt als een rode draad door de roman. Die dag viert Wilhelm Powileit zijn negentigste verjaardag. Er is een uitschuiftafel en er is maar één iemand die de tafel kan en mag uitschuiven: Alexander, de kleinzoon. Maar die is juist die dag naar het Westen gevlucht.
‘Die tafel is natuurlijk een theatraal idee. Eind jaren negentig heb ik een theaterstuk over mijn grootouders geschreven en daar komt die tafel al in voor.’
Iemand anders schuift uiteindelijk de tafel uit met alle gevolgen van dien. Hij stort,  beladen met eten en drank, in elkaar. Dat kan in het licht van wat er komen gaat – iets meer dan een maand later zal de Berlijnse Muur vallen - niet anders dan symbolische geïnterpreteerd worden.
‘Dat is zo maar aan de andere kant heb ik gewoon een familiefeest proberen te beschrijven. Alle familieleden hebben een taak op die verjaardag. De ene moet flessen spoelen, de andere is verantwoordelijk voor de bloemenvazen. Als er dan een niet is omdat hij ‘m gesmeerd is naar het Westen dan loopt het natuurlijk mis.’
Als ik naar uw persoonlijke biografie kijk ben ik geneigd te denken dat uw roman autobiografisch geïnspireerd is.
‘De personages zijn inderdaad op de werkelijkheid gebaseerd. De verhalen daarentegen zijn verzonnen. Mijn echte grootvader is bijvoorbeeld tien jaar voor de Wende overleden. Ik heb me proberen voor te stellen wat zou er gebeurd zijn als hij het nog had meegemaakt. Die verjaardag heeft ook nooit plaats gevonden en ik ben niet naar het Westen gevlucht op 1 oktober maar op 27 maart van dat jaar. Als je probeert bij de waarheid, de zuivere waarheid, te blijven dan kom je er met deze problematiek ook niet uit.’
Sommigen zeggen dat Duitsland herenigd is. Anderen ervaren het meer als een ‘Beitritt’, een toetreding.
‘Zo wordt het door de meeste Oost-Duitsers ook ervaren. Er is niets meer over uit de DDR-tijd. Ook de goede zaken zoals bijvoorbeeld het schoolsysteem en de gezondheidszorg zijn verdwenen. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik de DDR de moeite waard vond om te bewaren. Het was een gevangenis, het heeft mensen onderdrukt en opgesloten. Het was per slot van rekening een dictatuur. Ook ik heb daar onder geleden. Maar ze bevatte ook overblijfselen van het socialistische idee. De belangrijkste dingen in het leven waren voor een lage prijs te krijgen. Het leven was goedkoop, wonen was goedkoop, onderwijs, gezondheidszorg. Daar is natuurlijk weinig van overgebleven. Het is belangrijk dat je de dingen in hun juiste perspectief blijft zien. Daar horen tegenstrijdigheden ook bij.’
Het ‘reëel existerende socialisme’ versus het ‘reëel existerende kapitalisme’?
‘Het probleem is dat het geld in de huidige maatschappij zo’n enorme rol speelt en zich enorm van de realiteit verwijderd heeft. Dat vind ik erg verontrustend en daarom sprak ik gisteren in Antwerpen over het ‘reëel existerende kapitalisme’. Op deze manier kan het niet doorgaan. Dat soort gedachten had ik ook in de DDR-tijd. Dan zei men: jij weet alles weer alles beter; de machthebbers zullen echt niet over één nacht ijs zijn gegaan. Nou, daar was ik niet zo zeker van. En datzelfde gevoel heb ik nu ook. Wantrouwen tegenover degenen die de beslissingen nemen, is iets wat ik in de DDR geleerd heb.’
De mannelijke personages in uw boek zijn vaak met een paar woorden te beschrijven.
Wilhelm, de stalinist. Kurt, de democratische socialist.
‘En Alexander is helemaal geen socialist meer en zijn zoon Markus is apolitiek. De begrippen socialisme en kapitalisme hebben voor hem geen enkele betekenis meer.’
De vrouwen zijn in alle opzichten gecompliceerder. Zegt dat iets over de positie van de vrouw tijdens in de DDR?
‘In theorie is Charlotte geëmancipeerd. Ze is directeur van een wetenschappelijk instituut en laat haar echtgenoot ver achter zich in deze relatie. Maar haar man is veel langer partijlid en geniet daardoor meer respect van de partij.  Misschien zegt dat iets over de gelukte en tegelijkertijd  niet helemaal niet gelukte emancipatie van vrouwen binnen de partij. Bij Charlotte is het socialisme verbonden met feminisme, met carrière maken. Haar schoondochter Irina is dan weer zeer pragmatisch in haar socialisme. Voor haar moeder Nadia is de DDR werkelijk een socialistisch paradijs. Vergeet niet dat ze uit Siberië komt. Voor haar is het al een wonder dat het water uit de muur komt en überhaupt hoe de mensen leven, is voor haar onvoorstelbaar. Dat vind ik ook een belangrijk perspectief om naar de DDR te kijken.’
 In tegenstelling tot de mannen hebben alle vrouwen een eigen wereld geschapen waarin ze zich  kunnen terugtrekken. Charlotte heeft haar wintertuin me de souvenirs uit Mexico. Irina heeft haar meisjeskamer met roze muren. Zelfs de vrouw met wie Kurt na haar dood een relatie heeft, laat haar sporen na door van de woonkamer een blauwe kamer te maken…
‘Behalve Nadia, Irina’s moeder. Of het zou de Russische taal moeten zijn waarin ze zich heeft teruggetrokken.’
Iedereen in deze familie is op zijn of haar manier een vluchteling.
‘Als we naar de afgelopen honderd jaar kijken, alleen al naar Midden-Europa, zien we enorme vluchtbewegingen en dat weerspiegelt zich ook in deze familie. Allemaal zijn het vluchtelingen, emigranten zo u wilt.’
En tot slot vlucht Alexander weer naar Mexico. Of is hij op zoek naar iets?
‘Destijds is Alexander naar het Westen gevlucht omdat hij zich niet meer met het land en de ideologie kon identificeren. Toch is hij uiteindelijk nog steeds op zoek naar grond om op te staan staan en naar een idee waarin hij geloven kan.’
Bijzonder tragisch is het lot van Kurt, de grote DDR-historicus. Hij heeft boekenplanken volgeschreven en eindigt zijn leven als Alzheimerpatient. Hij is alles vergeten en kan alleen nog ‘ja’ zeggen.
‘Misschien is dat niet toevallig. Hij was altijd een kritische geest, was nooit tevreden met het socialisme maar hij heeft wel meegedaan. Dat kun je hem niet kwalijk nemen. Tien jaar strafkamp in Siberië gaan niet in je koude kleren zitten. Hij wilde een gewoon leven leiden en had geen zin dat nog eens op het spel te zetten.’
Toen u ging studeren raadde uw vader u aan een niet-ideologische studie te kiezen. U luisterde naar hem en ging wiskunde studeren. In hoeverre is dat van invloed geweest op uw schrijven.
‘Wiskunde is heel abstract. Het heeft me jaren gekost om mijn denken enigszins uit te schakelen, om niet in thesen te denken. Dus bijvoorbeeld niet schrijven om iets te bewijzen.’
Inmiddels is er een nieuw boek?
‘Iets kleins. Nog geen honderdveertig pagina’s. Een kleine vertelling over een ontmoeting met een kat. Je moet niet proberen na een belangrijk boek gelijk weer een belangrijk boek te schrijven.


Een aangepaste versie van deze tekst werd eerder gepubliceerd in De Standaard der Letteren van vrijdag 21 september 2012

Geen opmerkingen: