04-02-2008

VILLA HELLENBOSCH, VOLLEZELE


Maandag 19 november 2007. Het verkeer raast voorbij over de N 272. Voor me in de greppel liggen mosselschelpen. Ik bevind me in het Pajottenland, meer dan honderd kilometer van de zee verwijderd. En daar ligt Marcel Broodthaers in het gras. Breugheliaanse vergezichten waren me beloofd. En dan dit.
Ik vervolg mijn wandeling. De Kongoberg is mijn doel. Alleen al vanwege de naam. En natuurlijk omdat het een berg is. Een berg stelt vergezichten in het vooruitzicht. De berg dankt zijn naam aan de mijnwerkers die hier vroeger in armzalige hutten woonden. Met de legendarische treinlijn 123, de fossemannentrein, gingen ze werken in de Waalse mijnen. Als ze terugkeerden met hun zwarte gezichten werden ze spottend Congolezen genoemd.

Twee volle weken mag ik in Villa Hellebosch werken. Ik kan me veertien dagen onafgebroken aan mijn roman Vuur stelen wijden. Dat schept verplichtingen. Ik zal geen uitvluchten meer kunnen verzinnen. Hier ben ik alleen met mijn laptop. Er wordt voor me gezorgd en verder laten ze me met rust.
Maar deze middag besteed ik nog om te acclimatiseren. Ik heb gelijk na aankomst de werktafel ingericht. Mijn documentatie ligt op nette stapels naast de laptop. Ik heb mijn emailaccount ingesteld. Nagekeken of alles functioneert. Nu eerst een wandeling door de omgeving.
Ik werp een blik op de wandelkaart en steek de weg over die Ninove met Enghien verbindt. De taalgrens is hier zeer nabij. Om die reden heb ik ook Arm Wallonië van Pascal Verbeken in mijn rugzak gestoken.
Ik loop in de richting van de kerk. Op het Oudstrijdersplein bevindt zich het Museum van het Belgisch trekpaard. Schuin er tegenover staat een standbeeld van een paard. Het onderschrift leert me dat het hier het bekendste trekpaard van Vlaanderen betreft: Brillant. Even later een bord waarop de Kongoberg staat aangegeven.
Ik loop door de velden. Volgens een bord is dit een stiltewandeling. Het is rustig maar niet stil. Af en toe wordt ik ingehaald door auto’s die met flinke snelheid over de smalle landelijke weg rijden en me noodzaken de berm in te vluchten.
Boven op de Kongoberg die honderd meter hoog is, is het wel stil. De mijnen in Wallonië zijn dicht. De hutten van de mijnwerkers zijn verdwenen.
Ik sla het bospad in dat me terug zal voeren naar Hellebosch. Mijn werktafel wacht. Ik versnel mijn pas. Genoeg gelanterfant.
Ik overdenk de mogelijkheid dat ik straks achter mijn laptop ga zitten en zich niets aandient. Dat is mogelijk. Alleen al de gedachte hieraan kan verlammend werken.

2 december 2007. Mijn koffer staat in de hal. Ik heb mijn bestanden op de externe harde schijf gezet. Ik ben tevreden. Mijn angst is ongegrond gebleken. Ik heb meer dan zestig pagina’s geschreven. Mijn boek is nog niet af, maar het fundament ligt er.
Ik loop nog een laatste keer door de kamers, bekijk de tekeningen van Ensor, loop de gang op met de foto’s van de collega’s die me hier voorgingen. Ik ga naar buiten. De waakhond die bang voor mensen is, wacht op me en volgt me op een afstand van een meter of twintig. Ik ga de stal binnen. Daar staat King, de zwarte pony, die me zo aan Saartje, de zwarte poes van mijn dochter, doet denken. Nog een laatste keer kijk ik naar zijn ondeugende ogen. Hij doet ondanks zijn formaat zijn naam eer aan; in deze stal is hij de heerser. Dat begrijpen de andere twee paarden ook.
Buiten is het beginnen te regenen. Ik hoor het tikken op het dak van de stal. Dan het geluid van een auto. Het is tijd. Ze komen me halen. Morgen begint het echte leven weer.

Geen opmerkingen: