19-10-12

ESTHER GERRITSEN

Omdat ik in België woon krijg ik alle kranten en tijdschriften uit het vaderland veel later. De VPRO-gids van deze week kreeg ik bijvoorbeeld net pas in de bus. Op pagina 10 stond een heel leuk interview met Esther Gerritsen die samen met de interviewer terug is gegaan naar het dorp waar ze is opgegroeid. Gendt, vlakbij Nijmegen. Ik heb een deel van mijn jeugd daar niet zo ver vandaan doorgebracht.In de Arnhemse buitenwijk Vredenburg. Het waaide daar bijna altijd. Als het niet waaide ging ik wel eens fietsen. Dan fietste ik via de Rijndijk naar fort Pannerden en via Gendt en Bemmel weer terug. Hoewel de natuur daar prachtig is, werd ik van de dorpen die ik passeerde nogal verdrietig. Je zag er bijna nooit iemand. Af en toe scheurde er een brommer voorbij. Veel meer gebeurde er niet. Daar is Esther Gerritsen dus opgeroeid en in het interview vertelt ze dat ze vroeger ook op een brommer reed. Verder vertelt ze dat haar grootvader postbode was. Hij heeft daar zelfs een boek over geschreven: Mijn belevenissen bij de PTT. Toen ik dat las werd ik plotseling erg gelukkig. Mijn dag kon niet meer stuk. Alleen al vanwege die grootvader zou ik verliefd op Esther Gerritsen kunnen worden. Door die grootvader moest ik denken aan de man die een paar jaar geleden tevergeefs heeft geprobeerd mij auto te leren rijden. Tijdens de tweede rijles zei hij plotseling: 'Ik heb u door mijn dochter laten opzoeken op het internet.' Toen zweeg hij even en keek me verwachtingsvol aan. 'U bent een bekende schrijver,' vervolgde hij. Nu ben ik helemaal geen bekende schrijver maar ik vond het nogal flauw om dat tegen mijn rijinstructeur te zeggen. Ik zweeg dus en probeerde me op de weg te concentreren. Even later zei hij: 'Ik ben ook bezig met een boek. Over mijn jeugd en over hoe ik mijn vrouw heb leren kennen.' Ik bromde iets onverstaanbaars en gaf nog maar eens een ruk aan het stuur. 'Een titel heb ik al,' vervolgde hij, 'Herinneringen van een schippersjongen'. Ik zei, en ik meende het oprecht, dat ik dat een prachtige titel vond. 'Ja,' zei hij, 'en het is ook nog eens de waarheid.' Na een tijdje vroeg hij mij rechtsaf te slaan. We reden nu op een smalle landweg. Aan het einde van de weg liet hij me stoppen bij een kleine haven. Hij wees naar een Rijnaak en vertelde dat het de oude boot van zijn vader was. Daar was hij opgegroeid. Met vochtige ogen keek hij me aan en zei: 'Er is geen mooiere jeugd denkbaar dan die van een schippersjongen.'

Geen opmerkingen: