13-01-2009

VALÉWIE? VALÉRY!




Zojuist het jongste nummer van Deus ex Machina op de mat gevonden. Ditmaal gewijdt aan Paul Valéry (1871-1945). Om preciezer te zijn: aan zijn Cahiers. Paul Valéry - groot dichter, groot filosoof en noem maar op... – schreef er vanaf 1894 tot aan zijn dood iedere ochtend aan – entre la lampe et le soleil. Het leverde uiteindelijk 30.000 pagina’s dagboeknotities op. verwacht van Valéry geen persoonlijke ontboezemingen. De Nederlandse essayist Maarten van Buuren die een paar jaar geleden een selectie uit de Cahiers vertaalde, noemt de notities: ‘oefeningen van de geest, hersengymnastiek’. Daar passen geen persoonlijke beslommeringen bij.
Tijdens de ochtendkoffie begin ik in Deus ex Machina te bladeren. Ik lees hier een regel, daar een alinea.
Ik wordt al in het eerste artikel van Martijn Boven op de vingers getikt: ‘Paul Valéry is de dichter die zwijgt; de denker die weigert filosoof te zijn; de schrijver die de taal in staat van beschuldiging stelt; de expert die volhoudt amateur te zijn....’
Ik sla een bladzijde om. Vanaf de rechterpagina kijkt hij me aan. Bladvullend portret in zwart-wit, veel grijstonen. De heldere ogen vallen op. Priemend en melancholiek. Het zou me niets verbazen als ze lichtblauw waren.
Op de tegenoverliggende pagina: Vertaalde aantekeningen. Katrien Vandenberghe trakteert ons op een selectie uit de Cahiers. Daar ben ik natuurlijk blij mee. Mijn kennis van de Franse taal is abominabel. Ik ben dus afhankelijk van vertalingen. Nou weet ik ook wel weer voldoende van de Franse taal dat je om Valéry te lezen meer nodig hebt dan wat schoolfrans. Ik ben dus dolblij als er ergens weer wat vertaalde aantekeningen van Valéry verschijnen. Een paar jaar geleden bijvoorbeeld in het Valéry-nummer van De Revisor. Jan Fontein nam er een aantal op in zijn bundel Kijk naar de vis. En eindelijk verschijnt er in 2004 bij de Historische Uitgeverij een ruime selectie, ingeleid en vertaald door eerdergenoemde Maarten van Buuren: De macht van afwezigheid.
Waarom boeien die aantekeningen me nu zo? Daar kan ik kort en duidelijk over zijn: nergens anders vond ik het proces van schrijven zo beklijvend, zo aanschouwelijk beschreven. Over het maken van een gedicht schrijft hij bijvoorbeeld:

‘Door onophoudelijk aan het gedicht te werken, voortdurend te knutselen in de richting van de perfectie, went de schrijver aan verandering, weglating, vervanging van woorden die, door hun gelukkig resultaat, het gezichtspunt van de schrijver veelvuldig veranderen en hem op de terechte gedachte brengen dat het aanvankelijke doel, de oorspronkelijke bedoeling van zijn gedicht niet wezenlijk zijn ; dat hij ze kan en moet loslaten als ich een mogelijk alternatief voordoet – dat ze niet meer zijn dan beginvoorwaarden – openingszetten; totdat zijn aandacht tenlotte in hoofdzaak gericht is op de taal zelf en op de veranderende kracht van taal.
Hij begrijpt, kortom, dat hij via het doel de middelen bereikt en dat doel, dat hem door zijn ongearticuleerde verlangen of zijn aanvankelijke emotie was voorgespiegeld, van geen belang is.’
(vertaling M. van Buuren)

Als ik dat lees, denk ik: dit gaat over mij, over hoe ik werk, over hoe ik schrijf. En ook denk ik: iedereen die in een onbewaakt moment de behoefte voelt om te gaan schrijven moet deze overdenkingen eerst maar eens lezen.
Bij Gide las ik eens dat Valéry bereid was een gedachte op te geven voor een mooie zin. Ik ben het nog niet tegengekomen in de Cahiers maar ik onderschrijf het van harte.
En nu allemaal Deus ex Machina kopen. Nog beter: een abonnement nemen.

http://www.deusexmachina.be

06-01-2009

HET GESCHENK, een erg kort verhaal

Hij was verbaasd toen hij zijn vader onverwacht in de deuropening zag staan. Hij overwoog te zeggen dat hij er goed uitzag. Dat vond hij werkelijk. Het antraciet wollen pak dat zijn vader droeg was van goede kwaliteit en leek op maat gemaakt. Bovendien had hij een gezonde gelaatskleur en zijn licht krullende haar was slechts bij de slapen wat grijs geworden. Het gaf aan zijn gezicht een milde en wijze uitdrukking.
Hij overwoog ook nog te zeggen dat hij vooral niet langer in de deuropening moest blijven staan, dat hij binnen moest komen. En of hij iets wilde drinken, iets eten?
Maar hij bleef zwijgen en keek zijn vader aan. Zijn vader zweeg ook maar voelde zich in tegenstelling tot zijn zoon allerminst opgelaten. Hij wisselde terwijl hij zijn zoon opgewekt aankeek van standbeen, gaf hem een knipoog en overhandigde hem toen een geschenk.
‘Dit keer ben ik je verjaardag niet vergeten’, zei hij. Toen draaide hij zich om en liep de trap af.
Later die avond – de woning zat vol drinkende en etende mensen – realiseerde de zoon zich dat hij nu net zo oud was als zijn vader toen die onder verdachte omstandigheden om het leven kwam. Dat zegt natuurlijk niets. In ieder geval niet alles; zijn vaders hele leven had zich onder verdachte omstandigheden afgespeeld.

05-12-2008

ZONDER BOEKEN


Vorig jaar hebben we ons huis verkocht maar we kunnen nog niet in ons nieuwe appartement. Sinds begin augustus trekken we als nomaden van het ene gemeubileerde appartement naar het andere. Onze bezittingen zijn opgeslagen in een container op een industrieterrein buiten Antwerpen. Ook mijn boeken. Voordat ik ze inpakte, heb ik er zeshonderd verkocht. In die geklimatiseerde container liggen mijn resterende tweeduizend boeken.
Alleen het hoogstnoodzakelijke sleep ik met me mee: Het juiste woord, het Groot woordenboek van synoniemen, Schrijfwijzer van Jan Renkema en het Verklarend computerwoordenboek. Het Van Dale groot woordenboek van de Nederlandse taal staat op de harde schijf van mijn laptop.
Het leek me een interessant experiment een tijd zonder boeken te leven. Er zijn zoveel mensen die dat doen. Ik ken mensen die buitenproportioneel gelukkig zijn en toch nooit een boek lezen, laat staan er een in huis hebben. Misschien heeft het een wel met het ander te maken.
Ik heb altijd beweerd dat boeken een elementaire levensbehoefte zijn. Zoals eten, drinken en kleding. Daarom mocht mijn dochter elk boek dat ze begeert, kopen. ‘Wacht maar tot je verjaardag,’ hoor je vaak ouders tegen hun kinderen zeggen als je in een boekhandel bent. Wat een onzin, dacht ik dan. Ze zouden jullie uit de ouderlijke macht moeten ontzetten. ‘Mama, ik heb zo’n honger...’ ‘Wacht maar tot je verjaardag.’
Misschien hebben ze wel gelijk, denk ik nu en zeggen ze dat omdat ze het beste met hun kinderen voorhebben.
Een half jaar zonder boeken dus. Nou ja, met zo min mogelijk boeken. ... Ik schrijf recensies en krijg elke week boeken toegestuurd. Ik nam me voor geen boeken meer te kopen. Waarom zou ik ook? Ik heb al nauwelijks tijd de mij toegezonden boeken te lezen.
En kranten en tijdschriften? Ook alleen het hoogstnoodzakelijke. Hoe vaak overkomt het me niet dat halverwege de week de stapel weekendkranten nog ongelezen naast de sofa ligt?
Het hoogstnoodzakelijk dus... Ik woon al vijftien jaar in België. Ik wil dus op de hoogte blijven. De ene dag koop ik De Morgen, de andere dag De Standaard en in het weekend allebei. Op woensdag komt daar nog Knack bij. Omdat ik Nederlander ben koop ik afwisselend De Volkskrant en NRC/Handelsblad. In het weekend koop ik ze allebei. Weekbladen? Soms Vrij Nederland, dan weer De Groene Amsterdammer. Aangezien ik Duitstalige literatuur recenseer, lees ik ook nog de Frankfurter Algemeine Zeitung, Neue Zürcher Zeitung en Die Zeit.
Ik denk dat ongeveer tachtig procent van de papierbak in ons appartementencomplex door mij gevuld wordt. ‘Denk toch aan de gevolgen voor het regenwoud,’ hoor ik het stemmetje in mijn hoofd zeggen. ‘Ja, maar ik rijd geen auto,’ antwoord ik dan. Zo is het evenwicht weer hersteld.
Natuurlijk hoef ik die kranten en tijdschriften niet te kopen. Ik kan ze ook op internet lezen. Is het onverantwoorde nostalgie dat ik zo’n behoefte heb aan papier?

Van mijn voornemen het een halfjaar zonder boeken te stellen, is weinig terechtgekomen. Om mij heen stapels boeken, kranten en tijdschriften. Er ontstaat zoiets als een bibliotheek. Daar ligt een stapel romans die ik moet recenseren, daarnaast een aantal fotoboeken. In de vensterbank liggen de woordenboeken en naslagwerken. Naast mijn bed liggen tientallen dichtbundels. En de romans die ik niet moet recenseren maar wel wil lezen: In het café van de verloren jeugd van Modiano, De tijd die nodig is van Grøndahl en Neergang van Benjamin Black. In Rotterdam kocht ik onlangs The craft of lyric writing van Sheila Davis. Niet dat ik van plan ben op liedteksten te gaan schrijven maar ik kan nu eenmaal geen boekwinkel verlaten zonder iets te kopen. En: je kunt nooit weten!
Ik maak mezelf wijs dat ik zonder boeken niet kan functioneren; echte boeken, papieren boeken. Digitale boeken zijn aan mij niet besteed. Maar de opmars van het e-book is niet meer te stuiten. Het zal er komen en ik zal er aan wennen. Ik heb ook jarenlang gedacht dat ik niet zonder sigaretten zou kunnen functioneren en ik rook nu al vijf jaar niet meer.
Laten we eerlijk zijn: niet alle boeken verdienen het als papieren boek te worden uitgegeven. Vaak is het de waan van de dag die uitgeverijen doet besluiten iets uit te geven. Maar moet daar papier aan gespendeerd worden? Steven Sterk, handelaar in ‘kwaliteitsramsj’ verbaast zich dat er nog steeds mensen zo geschokt reageren wanneer er boeken in de ramsj terechtkomen: ‘Als er teveel waspoeder geproduceerd is, wordt het toch ook gedumpt.’
Het boek is me te dierbaar om als goedkope handelswaar te dienen. Toch is dat de realiteit. Het boek is een product als alle anderen. In de beeldende kunst is dat bij veel kunstenaars zelfs hun thematiek geworden. Kijk naar Damien Hirst. Dure handelswaar weliswaar, maar toch...
Als je in de wereld van de beeldende kunst nostalgisch omkijkt, wordt je niet serieus genomen. Misschien kunnen wij daar iets van leren. Ik geloof niet dat het boek zal verdwijnen. Het schilderij is ook al vele malen dood verklaard en even zovele malen weer in ere hersteld. Maar om uit je as te kunnen herrijzen moet je eerst sterven.
Ik kan op mijn televisie bijna zestig kanalen ontvangen. Toch kijk ik steeds minder. Af en toe koop ik een dvd van een van mijn favoriet films. De stapel wordt geleidelijk groter. Af en toe speel ik er een af. Soms alleen maar een bepaalde scene. Misschien moet het in de toekomst ook zo met boeken: pulp als e-book en het betere werk als papieren boek. Dan krijg je natuurlijk weer de vraag wie bepaalt of iets kwaliteit heeft. Heel simpel: mensen die er iets van afweten.

17-11-2008

BART VAN LOO OVER WILLEM VAN ZADELHOFF




Wie is Willem van Zadelhoff? Het antwoord is eenvoudig. Willem is een van de beste romanciers uit ons taalgebied. Een eenvoudig, maar helaas nog te weinig bekend antwoord. Daarom herhaal ik mijn vraag, en probeer ik die vervolgens urbi et orbi grondig te beantwoorden. Omdat de stad en de wereld er recht op hebben.

Wie is Willem van Zadelhoff? Willem werd in 1958 als zoon van een uitgetreden priester en een stukadoorsdochter in Arnhem geboren. Hij oefende de meest uiteenlopende jobs uit vooraleer hij zich geroepen voelde om de wereld te verblijden met magnifieke romans. Hij was werkzaam in de zwakzinnigenzorg, het bankwezen, de porseleinhandel, het theater, de televisiewereld en schitterde ook korte tijd als portier in een kunstgalerij. Je zou alleen al schrijver worden om dat op de achterflap van je boek te zetten. Willem verliet Arnhem voor Amsterdam en strandde uiteindelijk in Antwerpen waar uitgever Harold Polis bijna van zijn stoel viel toen hij het manuscript van Willems eerste roman onder ogen kreeg.

Op de boekenbeurs van 2006 zat een man samen met zijn dochter te signeren. Vestimentair viel niets op hem aan te merken. De stijlvolle broek en trui zaten hem als gegoten, de schoenen waren subtiel gekozen en glansden. “Die man koopt niet bij de C&A”, dacht ik. Hij droeg ook een uit de kluiten gewassen zwarte bril. Een tikkeltje Rive Gauche. Willem, zo zou ik leren, is altijd tiré à quatre épingles. Dat is evenwel geen bestudeerde houding. Het is spontane perfectie. Een beetje zoals zijn boeken. Ook die hebben verdraaid veel weg van spontane perfectie. Al denk ik dat Willem over zijn boeken langer nadenkt dan over zijn broeken.
Ik zat naast hem te staren naar een stapeltje van mijn boeken. Het typische novembergevoel van de Vlaamse auteur maakte zich van mij meester. Af en toe keek ik bewonderend naar de piekfijn uitgedoste man naast me. Ik kende hem niet, maar las zijn naam op de romans die voor hem lagen. Toen vertelde ik hem dat hij het mooiste pseudoniem uit de Nederlandse literatuur had. Willem van Zadelhoff. Zijn ogen fonkelden, en zijn mond trok zich wat scheef. “Het is mijn echte naam”, sprak hij.
Op die ellendige novemberavond viel een stevige motregen die de dappersten van de Jan Van Rijswijcklaan veegde. Maar wij bleven staan. Boven ons hing de beschermende schaduw van Honoré Balzac. Samen met die van Harold Polis. Bien étonnés de se trouver ensemble. Toch was het zo. De tweede stelde ons aan elkaar voor, en onze gedeelde liefde voor de eerste deed de rest. En Willem, hij vertelde erop los. Eens vertrokken, krijg je er geen speld tussen. Over zijn onvergetelijke ontmoeting met Hugo Claus tussen de prei en de kolen in de Grand Bazar. Over het literaire meesterschap van zijn voorgeslacht. Zo debiteert hij om de haverklap het beroemde vers van zijn overgrootvader (“Hitler en zijn bende / Bracht honger en ellende”). Of over hoe hij op een dag notarieel vastlegde dat hij niet begraven wilde worden in Arnhem. Na zevenenzeventig boze brieven uit het verongelijkte vaderland contacteerde de goedmoedige Willem opnieuw zijn notaris om een en ander te wijzigen. Nu staat gestipuleerd dat hij na crematie vanuit een Spitfire over Arnhem verstrooid zal worden. De minzame auteur voegt er steevast fijntjes aan toe dat gezien het verleden een Spitfire beter is dan een Messerschmitt.

***

Op Zuiderzinnen liep ik Willem enkele weken geleden tegen het lijf. Hij zag er uit als altijd. Of toch niet: hij zweefde een beetje. Hij had net voor een enthousiaste menigte voorgelezen uit Vuur stelen. In zijn gezelschap vertoefde P.F. Thomése. Willem zweefde op me af, omarmde me hartelijk, en zei zoals altijd “Bart, jongen”. In zijn zondagse goedgeluimdheid wou hij me meteen voorstellen aan de heer Thomése. Even de aanzet tot een knipoog, een stuiptrekking van de kaakspieren, een priemende vinger. “Mag ik je Bart Van Loo voorstellen?” Willem strooide me een triomfantelijke blik toe. Zijn gelukzalige glimlach beloofde me een warme introductie. “Bart...” De motor sputterde. Iets bleek hem af te leiden. Er viel een stilte. Desondanks begon hij enkele seconden later zijn zin opnieuw. Willem sprak toen de gedenkwaardige woorden: “Bart kan aangename praatjes houden...” Daar bleef hij definitief steken. Zijn ogen speurden de horizon af. De heer Thomése keek nog even verwachtingsvol naar Willem, vervolgens naar mij, en liet toen zijn blik tot op de straatstenen zakken. Ik vroeg hem dan maar beleefd wat hij goed kon. De ogen van de heer Thomése flakkerden weer op, en hij antwoordde me gezwind: “Ik kan goed dansen”. Daar stonden we dan. Een praatjesmaker, een danser en Willem van Zadelhoff.
Plotseling voegde de heer Thomése de daad bij zijn woorden. Hij zakte met een elegant knikje door de knieën, maakte twee pirouettes en verdween in het niets. Toen pas werd me duidelijk waarom Willem was blijven steken in het midden van een zin. Ik zag het aan zijn neus. Die maakte kleine trekjes alsof de Nederlandse Antwerpenaar iets rook. Dat deed hij ook. Hij rook een verhaal, een anekdote, en daarvoor moest alles wijken. Dat moest eerst even mentaal genoteerd worden. Ik vroeg Willem wat hij rook. Maar dat zei ik tegen zijn rug. In zijn euforie was hij twee Leffes gaan halen en kapte die even later naar binnen alsof het glaasjes water waren. Terwijl hij de lege glazen opzij schoof, vertelde hij me dat de plot voor zijn volgende roman zonet als een weerlicht in zijn hersenpan was ingeslagen. Het langverwachte vervolg op Een stoel en Holle haven. Hij had zijn befaamde architectuurcyclus immers onderbroken voor Vuur stelen, een boek dat als de lokroep van een vrouw was, die hij niet anders kon dan beantwoorden. Net op dezelfde manier had hij het gesprek met de heer Thomése onderbroken. Want zo is Willem, zijn oeuvre wordt elk moment gecreëerd. Veel kan voor hem de aanleiding zijn voor een verhaal of een gedicht, de muze zit bij hem verscholen in kleine dingen: de glinstering van metaal, een anekdotische vondst op internet, mosselschelpen in een gracht. Hij praat graag over zijn schrijfproces, en dan hang je aan zijn lippen. Met plezier ontdekte ik in Vuur stelen enkele passages (ik denk aan de horoscoopscène en het gastoptreden van Michel Piccoli) die hij me een dik jaar geleden tijdens het fitnessen hijgend probeerde te vertellen. Zo gaat dat. Hij vertelt en polst. Ik luister en reageer. En soms provoceert hij een beetje.
Zo ging hij op het einde van die avond plechtig in napoleontische houding staan, boog zich voorover en prevelde enkele opmerkelijke woorden in mijn oor: “Ik ben er zeker van Bart, omdat ik je een beetje ken, dat je Vuur stelen een kloteboek zal vinden.” Dat was natuurlijk om te jennen. Willem houdt van een grap. Zijn grappen zijn goed als ze niet waar zijn. Deze grap is niet waar. Vuur stelen is helemaal geen kloteboek.
En dat zal ik u bewijzen.

Zeven redenen waarom u Vuur stelen moet lezen.
1. Omdat het boek een prachtige openingszin toevoegt aan de Nederlandse letteren: “Zou het anders gelopen zijn als ik toen een vezelrijk dieet gevolgd had?”
2. Omdat deze roman een originele variatie is op het eeuwenoude Prometheusthema. Promotheus stal het vuur der kennis van de goden, gaf het aan de mensen en wekte de toorn van de goden. Prometheus is onweerstaanbaar, hij kijkt niet om, hij kijkt vooruit. Net als de jonge Bob Moreno in het boek. Vuur stelen is een roman over de tomeloze amibitie waarmee roekeloze provincialen de hoofdstad betreden. Wanneer de andere held Hugo Maris wijzend naar Carré en co uitroept dat “er een dag komt dat (hij) in al die gebouwen kind aan huis is” dan is dat onmiskenbaar een echo van “en nu gaat het tussen jou en mij”, de beroemde kreet die Balzacs Eugène de Rastignac op het einde van Le Père Goriot tot Parijs schreeuwt. De auteur kent zijn klassiekers. In Vuur stelen krijgt die kreet een dubbele gelaagdheid omdat Hugo Maris zijn woorden in één adem roept tot het verzorgingstehuis waar zijn grootvader verzorgd wordt. Het onvermijdelijke verval zit bij van Zadelhoff in de verschroeiende ambitie meteen ingebouwd.
3. Omdat de auteur in deze roman niet alleen Prometheus knap tot leven roept, maar vooral omdat hij de visie van zijn tegenhanger Epimetheus in de verf zet, de man die in tegenstelling tot Prometheus achterom kijkt. Ondanks de verbijsterende ontknoping is Vuur stelen een herkenbare roman over verloren illusies en bewaarde herinneringen. Hoofdpersonage Bob Moreno keert na jaren terug naar Amsterdam. Hij leest de stad als een boek. Een gevel of een geluid is voldoende om in zijn vervlogen jeugd te duiken. De weemoedige precisie waarmee de held via topografische details het verleden reconstrueert herinnert aan de romans van Patrick Modiano. De woorden “herinnering” en “herinneren” komen welgeteld 29 keren voor in de roman. Van Zadelhoff jongleert meticuleus en ingenieus met heden, verleden en toekomst.
4. Omdat van Zadelhoff de grote Philippe-Claudel-truuk met verve uitvoert. Vanaf de eerste bladzijde hangt er een groot geheim boven dit verhaal. Links en rechts strooit de auteur subtiele aanwijzingen, maar de lezer moet wachten tot de laatste bladzijden vooraleer de sluier wordt opgelicht. U zult dit boek dan ook als een hunkerende maagd uitlezen.
5. Omdat dit boek niet alleen een aangrijpende familieroman is, maar tegelijk ook een knap beeld schetst van de jaren ’70-’80 toen het theater naar de arbeiders wou gaan om ze wakker te schudden. In Vuur stelen lees je hoe hun goedbedoelde discours uitloopt op een jammerlijke mislukking.
6. Omdat deze roman op een erg prettige manier de zogenaamd hogere en lagere cultuur in elkaar laat overlopen. Donna Summer en Ben Cramer kruisen Strindberg en Aeschylus... en ergens daartussen tref je Willem van Zadelhoff. Uitspraken van zowel de Dikke en de Dunne als Tsjechov verweeft hij moeiteloos met de woorden van Bob Moreno. Geen paniek, lieve literatuurvrienden, dit is geen postmoderne blufoefening. Van Zadelhoff trekt geen vette erudiete lijnen, neen, hij trekt fijnmazige stippellijnen, en het is aan de lezer om die al dan niet met elkaar te verbinden.
7. Omdat Van Zadelhoffs gekende sobere, bijwijlen elliptische proza hier in zijn totnogtoe meest geslaagde en uitgepuurde vorm verschijnt. Willem vijlt en schaaft tot de essentie overblijft en de suggestie regeert. Dankzij herhalingen scherpt hij bepaalde stippellijnen aan die uitgroeien tot bekoorlijke en omineuze leitmotieven. Bob Moreno studeert in het boek af als dramaturg met een scriptie over theater. Zijn bevindingen zijn een mooie samenvatting van de poëtica van Willem van Zadelhoff, op voorwaarde dat je het woord “theater” uit de scriptie vervangt door “literatuur: “Het ging over spel en werkelijkheid, over de kracht van literatuur. Over de kracht van het suggereren. Want daar lag volgens hem de kracht van literatuur. In de suggestie. Juist dan kwam je tot de kern.” Fictie, werkelijkheid, suggestie. Van Zadelhoff op een rijtje.

Beste Willem, Vuur stelen is helemaal geen kloteboek.

Literair-kritisch Vlaanderen wil ik nog een vette kluif toegooien. De gedichten “Hoe het rook”, “Het rood van de neus” en “Bijl” uit zijn mooie poëziedebuut Tijd en landen (2008) leggen duidelijk de vinger op enkele belangrijke thema’s uit Vuur stelen. Stilaan ontstaat er een van Zadelhoff-universum. Iemand moet zich daar eens in vastbijten. En ook dit verdient misschien enige aandacht: Bob Moreno heeft dezelfde geboortedatum als Willem van Zadelhoff. Wat voor Rabelais’ af te kluiven been gold, geldt ook voor van Zadelhoff: “Il faut briser l’os et sucer la substantificque moelle”. Ik kijk uit naar de recensies.

Ik kijk ook uit naar het prijzencircus. Het is godbetert de tweede keer op een paar maanden tijd dat ik samen met Marc Reugebrink gevraagd wordt een rede uit te spreken. Als Marc erbij is, klieft er onvermijdelijk een gouden uil door de lucht. Mocht juryvoorzitter Guy Mortier dit jaar alsnog één boek lezen, laat het dan asjeblief Vuur stelen van Willem van Zadelhoff zijn.


Uitgebreide versie van het eerder in DE STANDAARD der letteren van 7 november 2008 gepubliceerde artikel

26-10-2008

DE BOEKENBEURS, YES, DE BOEKENBEURS........


Donderdagavond gaat de Boekenbeurs weer open.Op het affiche dansen allerhande vrolijk gekleurde figuurtjes die in een boek van Annie M.G. Schmidt niet zouden misstaan. Staat het kinderboek dit jaar centraal? Nee, leert ons de site. "Ontwerper
Mark Borgions (Handmade Monsters) creëerde een bonte wereld van boekenminnende figuurtjes die het boeken lezen niet kunnen laten. De boekenfiguurtjes refereren naar de veelheid van boekengenres en -thema's die mensen kunnen boeien en die op de Boekenbeurs aan bod komen." Zo, dat weten we ook weer.
Toch is de Boekenbeurs zo'n gelegenheid waar ik van alles wil behalve boeken kopen. Drommen mensen strompelen met lusteloze blikken langs de stands met boeken. Zijn dat de vrolijke boekenminnende figuurtjes waar meneer Borgion aan dacht toen hij zijn affiche ontwierp? Voor zich uit mompelend schuifelt men door de gangen. Af en toe is er wat emotie zichtbaar op hun wasachtige gezichten. Dan hebben ze een bekende Vlaming waargenomen die achter een tafel met boeken zit. Nee, vrolijk word je er niet van.
Toch zal ik ook dit jaar weer aanwezig zijn. Samen met collega schrijvers zitten we achter een tafel met onze boeken. We wachten op de schaarse literatuurminnaar die ons boek koopt en vraagt het te signeren. We praten wat met elkaar, drinken wat en gaan een uur later weer bezweet en met lichte hoofdpijn huiswaarts.

SIGNEERSESSIES:
zaterdag 1 november 15.00-17.00 uur, donderdag 6 november 20.00-21.00 uur & zondag 9 november 14.30-16.00

zondag 9 november: DICHTERS AAN DE MACHT 14.00 - 14.25 PETER HOLVOET-HANSSEN & WILLEM VAN ZADELHOFF

02-09-2008

FRAGMENT uit VUUR STELEN (vanaf 1 oktober in de boekhandel)


Bart Van Loo, Willem van Zadelhoff, Wilma Bertheux, Marc Reugebrink en Kris Lauwerys tijdens de boekpresentatie van "Vuur stelen"

En nu roken ze. Sigaretten uit een pakje dat Bob nooit eerder heeft gezien.
‘Sekap. Uit Griekenland.’
Meegebracht van vakantie. Het is het laatste pakje. Zo verlengt Maria haar vakantie nog wat.
Ze zitten in de woonkamer met zicht op de kerk.
‘Hugo Maris rookt ook,’ zegt Bob.
‘Hugo Maris?’
‘Je kent Hugo Maris toch?’
‘Van de televisie.’
‘Ik zag hem vandaag, rond een uur of twaalf. Hij stond op het terras van het Amstel Hotel en rookte een sigaret.’
‘Wat deed je in het Amstel Hotel?’
‘Ik zat in een rondvaartboot. Toen we het Amstel Hotel passeerden, zag ik Hugo Maris een sigaret roken. Het kan ook een sigaar geweest zijn. Dat is van zo’n afstand moeilijk te zien.’
‘Het was Hugo Maris?’
‘Hugo Maris herken ik uit duizenden. Zelfs op honderd meter afstand.’
‘Ja, iedereen kent Hugo Maris. Zelfs kinderen,’ zegt Maria voorzichtig.
Ja, ja,’ prevelt Bob. Hij bekijkt zijn handen. Ze trillen licht. Het gaat zo snel, denkt hij. Ik moet oppassen dat ik het overzicht niet verlies. Ik moet tot rust komen. Tellen helpt niet meer. Mijn kamer, mijn eigen kamer op de eerste verdieping. Als ik zeg dat ik moe ben... het is een drukke dag geweest... veel gebeurd vandaag, veel indrukken... nieuwe indrukken... de drukte hier in de stad... Dat kan ik allemaal zeggen zonder dat ik de waarheid geweld aandoe...
Hij komt overeind uit de bank, wankelt even.

VUUR STELEN

De bekende televisiepersoonlijkheid Hugo Maris staat op het terras van het Amsterdamse Amstel Hotel en rookt een sigaret. In een rondvaartboot die op dat moment passeert, zit zijn oude vriend Bob Moreno die na jarenlange afwezigheid weer terug is in de stad. Als hij Hugo ziet staan, rijpt er een plan in zijn hoofd, een oud plan dat hij begin jaren negentig had willen uitvoeren. Toen was het Hugo die een spaak in het wiel stak. Bob koestert geen wrok maar dit keer zal hij zich door niets en niemand laten tegenhouden.

In Vuur stelen laat Willem van Zadelhoff ons kennismaken met een volkomen ander aspect van zijn schrijversschap. Geen stoelen of architecten ditmaal. Hij neemt ons mee naar de wereld van het theater. We maken kennis met een gedemocratiseerde toneelschool eind jaren zeventig, een volgeling van Brecht met een rode clownsneus, meisjes uit de provincie die in soldatenjasjes door Amsterdam fietsen, dromerige jongens die denken dat ze kunnen zweven... en mannen van tegen de vijftig die begrijpen dat omkijken geen zin meer heeft.

Vuur stelen is een tragikomische vertelling over hoop en tegen beter weten in doorgaan op de ingeslagen weg.