19-03-08

OVER HET VERDRIET VAN BELGIË


Vijfentwintig jaar geleden woonde ik nog in Nederland. In Amsterdam om precies te zijn. Dat maakt verschil. Ik herinner me geruchten en gissingen in kranten en weekbladen. Het verdriet van België. Claus was ermee bezig, het zou zijn opus magnum worden. Hij zou uitgeschreven zijn, vastzitten. Het werd zo’n beetje Claus’ Boek van violet en dood. Zou het ooit verschijnen? En toen lag het plotseling in de winkels. Ik las het toen niet. Ik was om duistere redenen Claus een beetje uit het oog verloren.
Tien jaar later verhuisde ik naar Antwerpen. Een paar dagen na de verhuizing deed ik inkopen bij de Carrefour in de Lange Lozanastraat. Terwijl ik met mijn karretje van de zuivel- naar de groenteafdeling reed, zag ik plots Hugo Claus staan. Tussen de rekken met kool, prei, uien en aardappels - enigszins ontheemd. Een Romeinse tribuun in de herfst van zijn leven. Ik vroeg me af of hij besefte waar hij was. Even later kwam er een beeldschone vrouw met een boodschappenmandje vol fruit en groente op hem af. Het volgende moment waren ze verdwenen.
Dit voorval was een omen. Nog diezelfde middag begon ik in Het verdriet van België. Ik las het in één ruk uit.
De laatste regel: Wij gaan zien. Wij gaan zien. Toch. Met veel moeite slaagde ik er in uit het boek te klauteren.
Ik dacht dat ik een boek over de oorlog had gelezen. Ik dacht dat ik een boek over België had gelezen. Kortom over België in de oorlog. En over hoe die periode nog steeds van invloed was op de jaren daarna.
Nu besef ik dat ik dat destijds in het boek wilde lezen. Ik hoopte inzicht te krijgen in België, in Vlaanderen. Natuurlijk, het staat er allemaal in. Oorlog, collaboratie... en vrede. Claus tovert ons met zijn taal het ene beeld na het andere voor. Long-shots, medium-shots, dan wordt er plotseling weer ingezoomd. Het is fictie van een superieure soort. Nooit krijg je het idee dat het achter de schrijftafel bedacht is. We krijgen een universum voorgeschoteld, bevolkt met mensen met plannen, met driften, angsten. Hier wordt al lang niet meer in termen van goed en kwaad gedacht. Het schemergebied tussen goed en kwaad is de biotoop van de mens. Daar zijn geen duidelijke grenzen getrokken. Is ook onmogelijk. Banaliteiten stippelen ons pad uit.

Etienne Vermeersch noemde in De Morgen Het Verdriet van België een tijdsdocument. Zo’n omschrijving doet het boek tekort. Het is een boek over Claus. Niet Claus die op 5 april 1929 in Brugge is geboren. Nee, over de kunstenaar Claus die op een heel ander moment, op een heel andere plaats is geboren. Over die geboorte schrijft hij bijna 800 pagina’s lang. Als hij op een ander moment, in een ander land was geboren, had hij dit boek ook geschreven.
Ik houd niet van dikke boeken. Maar soms zijn boeken van nauwelijks honderd pagina’s al te dik. Dit boek is niet te dik.
Nadat ik Het verdriet van België had uitgelezen, begreep ik weer waarom ik als jongen van zestien zo aangegrepen was door De Metsiers. Aangegrepen en ontregeld.
Het Verdriet is de ruggengraat van Claus’ oeuvre. Het geeft de samenhang aan tussen al die soms zo van elkaar verschillende boeken die hij heeft geschreven. Het onverenigbare verenigen. Dat beheerst hij als geen ander.
In het boek zien we niet alleen de schrijver, ook de regisseur en de beeldend kunstenaar kijken om de hoek. Die enorme hoeveelheid grijstinten waar hij ons op vergast. Als Nederlander – vooral gewend aan zwart-wit -begint het je soms te duizelen.
Wij hoorden de saxofoon en de paukeslag. Wij zagen een meeuw die hinkte.
Een witregel terwijl de kamera 180° draait en uitzoomt. Extreem long-shot.
Wij gaan zien. Wij gaan zien. Toch.
Die zin dreunt nog steeds na in mijn hoofd.

eerder gepubliceerd in De Standaard, 14-03-2008

10-03-08

LET'S HAVE A BALL!


Het Arnhems Lezersbal 2008

Tom Ruijfrok, de hoofdredacteur van de lokale editie van de Gelderlander die de avond zal presenteren, maakte een frisse indruk bij eerste kennismaking. Iemand die er zijn hand niet voor omdraait meerdere malen per dag een douche te nemen. Zo'n type. In een bepaald licht begon hij echt te flonkeren. Later vernam ik dat hij begonnen was als blokfluitleraar. En zoals een baasje op zijn hond gaat lijken, beginnen musici op den duur op hun instrument te lijken. Ja, hij leek op een mooie glanzende blokfluit, zo’n plastic oefenmodel.
Ik was gekomen om geïnterviewd te worden over mijn bijdrage aan de uitgave Waarom ik niet in Arnhem wil wonen. Iedereen die tijdens de Boekenweek meer dan elf euro aan boeken koopt, krijgt dat boekje. Ruijfrok zou het interview doen.
Het eerste publiek schuifelde naar binnen. Veel grijze lokken en boezems als bonbonnières. Er was door de organisatie een programma vol afwisseling in het voorruitzicht gesteld. Medeorganisator Arnold Jansen op de Haar had speciaal voor de gelegenheid een ronkend vers geschreven dat hij met pianobegeleiding declameerde. Vervolgens las Aaf Brandt Corstius enkele van haar columns. Er waren dichters – o.a. de onvolprezen Mustafa Stitou die enkele van zijn prachtige en bijzondere gedichten voorlas. Toen kwam er een Duitse zanger die door de krant Der Tagesspiegel de prins van het Duitse chanson was genoemd. En Tjitske Jansen was er ook. Wat zij doet is geen voorlezen. Ze vertelt haar gedichten, maakt je er deelgenoot van. Erg indrukwekkend.
Toen was het mijn beurt. Dacht ik. Ik stond al klaar om het podium op te springen toen de pratende blokfluit Joost Zwagerman aankondigde die de zieke Adriaan van Dis verving.
Ik bestelde wat te drinken en wachtte af.
Eindelijk was het zover. Samen met July Ligtenberg van Plaatsmaken, die de pocket had uitgeven werd ik aangekondigd. Misschien overdrijf ik nu. Hij noemde onze namen, meer was het niet.
We stonden een beetje lullig bij elkaar op dat podium. Ruijfrok had een grote microfoon waar hij driftig mee heen en weer zwaaide. Hij stelde drie vragen. Hij vroeg of het waar was dat ik notarieel had laten vastleggen dat ik niet in Arnhem begraven wilde worden. Hij vroeg ook nog waarom ik uit Arnhem was weggegaan.
Daar had ik nu net dat stukje voor geschreven. Bovendien was het geluid zo slecht dat ik mijzelf niet hoorde praten. Dat werkt ontregelend. En als je drie woorden had gesproken trok hij de microfoon weer weg. De derde vraag ben ik vergeten. Plotseling draaide hij zich om en zei tegen July Ligtenberg dat hij het boekje had gezien maar dat er wel veel fouten instonden. Vond zij dat ook niet? Op haar gezicht begon zich nu lichte verbijstering af te tekenen. Nou ja, nee, uh... Inderdaad, wat moet je daar op zeggen?
En toen was het afgelopen. Het was net begonnen en het was al weer voorbij.
Ik stapte het podium af. Mensen kwamen op me af en vroegen: Wat is er gebeurd? Jullie waren toch nog niet begonnen? Ik kon hun vragen niet beantwoorden. Ik was alleen maar verbijsterd.
Toen de verbijstering langzaam begon plaats te maken voor een enorme woede ging ik op zoek. Ik begaf me naar de eerste verdieping waar een bar was en een zaaltje waar enkele lokale boekhandelaars boeken verkochten. Daar kon ook gesigneerd worden. Daar had ik inmiddels niet meer zo’n zin in.
De hoofdredacteur zat aan een tafeltje met een vrouw en de dichtende medeorganisator. Ik stapte op hem af.
Dat ik het een schande vond, zei ik. Me helemaal uit Antwerpen te laten komen voor een gesprekje van hoogstens twee minuten. En ik kreeg er bovendien geen cent voor. Allemaal gratis en voor niets. Gebrek aan respect!
De dichtende medeorganisator probeerde zeer krampachtig er niet te zijn. Toen ik hem aankeek – hoopte ik misschien op bijval? - draaide hij snel zijn hoofd weg en concentreerde zich op zijn sigaar. Ik wil hier niets mee te maken hebben, sprak uit zijn hele houding.
De pratende blokfluit keek me wel aan en zei vilein dat het ook geen bijster inspirerend gesprek was geweest. Wederom verbijstering die zich echter aanmerkelijk sneller omzette in woede. Een korte flits: gooi ik de inhoud van mijn bierglas in zijn gezicht? Nee, nee, houd je in, zei ik tot mezelf. Diep ademhalen. En toen maakte ik hem uit voor iets heel lelijks. Dat had ik natuurlijk niet moeten doen. Het was voldoende geweest als ik gezegd had dat ongeïnspireerde antwoorden steeds het gevolg zijn van ongeïnspireerde vragen.
Later begreep ik de laffe houding van de medeorganisator wel. Arnold Jansen op de Haar heeft namelijk een column in De Gelderlander. De kachel moet roken, nietwaar?
Dit heb ik geleerd: ik doe nooit meer iets zonder dat ik er voor betaald wordt. Dat men je niet betaald is op zich al een gebrek aan respect.
En ik weet nu zeker waarom ik niet in Arnhem wil wonen.

zie ook: http://www.blokfluitpagina.nl/

WAAROM IK NIET IN ARNHEM WONEN WIL

Misschien komt het wel door de oorlog. Want Arnhem en de oorlog... Iedereen van mijn generatie is er mee opgegroeid. Ik ben veertien jaar na de slag om Arnhem geboren. Toch heb ik soms het idee dat ik er hoogst persoonlijk bij aanwezig was.
Die oorlog is Arnhem overkomen. Is de schuld van alles. Bij ons thuis ging het daar op elk verjaardagsfeestje over. Voor de oorlog. Na de oorlog. Tijdens de oorlog. Als die oorlog niet dit... als die oorlog niet dat. Die ellendige oorlog.
Je kunt veel van die oorlog zeggen maar hij heeft Arnhem wel op de wereldkaart gezet.

Hitler en zijn bende
Bracht honger en ellende


Dit prachtvers is van de hand van mijn overgrootvader. Hij had het op een stuk karton geschreven en na de bevrijding in de etalage van zijn winkel gezet. Hij had een leverbakkerij op de Klarendalseweg. Fotograaf De Booys heeft er een foto van gemaakt. Die kwam ik tegen in een boek dat een paar jaar geleden is uitgegeven.
In mijn boekenkast staat vijfenveertig centimeter literatuur over Arnhem.
Arnhemse straten geplaveid met herinneringen luidt een van de titels.
Als je dat boek openslaat stijgt er een verschrikkelijke walm op. Donkerbruine nostalgie.
Ik herinner mij, Ik herinner mij, Ik herinner mij... meerdere malen op elke pagina, vet gedrukt bovendien.
Een ander boek heet Arnhem en zijn toekomstige ontwikkeling. Het is uit 1919. Toen konden ze het al niet laten.
Wat is dat toch? Terugkijken of vooruitkijken? Er lijkt geen tussenweg te bestaan.
Voor de rest allemaal boeken over de slag om Arnhem.
Want in de oorlog is Arnhem verwoest.
Na de oorlog is wat er nog overeind stond verwoest.
Dat proces is onomkeerbaar en niet te stoppen. Het duurt voort tot vandaag.
Maar ook datgene wat nog wel overeind staat is niet meer wat het was. Dat heeft natuurlijk vooral met mij te maken. Ik pleit geen onschuld.

Zevenentwintig jaar geleden ben ik hier weggegaan. Heel stilletjes ben ik op een decemberochtend in 1981 weggeslopen.
Ik heb me nooit Arnhemmer gevoeld. Ja, toen ik er woonde, toen ik ingeschreven stond bij de burgerlijke stand. Maar jezelf Arnhemmer noemen als je er niet meer woont... Alsof Arnhemmer zijn een doel op zich is.
Maar misschien vergis ik me. Toen een boek van mij vorig jaar genomineerd werd voor een literaire prijs werd ik in een lokale krant plotseling een Arnhemse schrijver genoemd.
Maar in een Vlaamse krant werd ik dan weer een Nederlands-Vlaamse schrijver genoemd.
Arnhem. Paradijs voor aannemers, projectontwikkelaars en megalomane politici. Kantoortorens doorklieven als stijve pikken de wolken. Arnhem hoofdstad van... ja, van wat eigenlijk. Al lang niet meer van Gelderland moeten ze ergens hebben gedacht.
Maar Arnhem is geen metropool. Arnhem is een pleisterplaats waar je je paarden ververst. Terwijl dat gebeurt, eet je iets, drink je wat. En dan gaat de reis weer verder.
Ik las onlangs een gedicht van Bertold Brecht. Een heel toepasselijk gedicht. Radwechsel heet het.

Het verwisselen van een wiel

Ik zit in de berm van de weg
de chauffeur verwisselt het wiel
ik ben niet graag waar ik vandaan kom
ik ben niet graag waar ik naar toe ga
waarom bekijk ik het wisselen van het wiel
met ongeduld?


Zoiets... Misschien...
Arnhem...
Arnhem is een ongeneeslijke ziekte. Je kunt er heel oud mee worden.
Je mag het ook vergelijken met katholiek zijn. Je kunt er afstand van nemen maar je raakt er nooit los van. Het gaat in je kleren zitten. Je krijgt het er nooit meer uitgewassen.
Laatst hoorde ik op de Belgische radio gregoriaans zingen. Heel even dacht ik dat ze in het Arnhems zongen.

UITGESPROKEN BIJ DE PRESENTATIE VAN DE UITGAVE WAAROM IK NIET IN ARNHEM WONEN WIL

06-03-08

SCHAAMTELOZE FOTO’S



I.
I took this of mother. She raised us children good “Catholics” – and was a good Catholic when she died, staat er in een mooi rond handschrift achter op de foto. Op de voorzijde zien we mijn oudtante Elisabeth. Ze was al dood toen ik werd geboren en op de foto is ze dat ook. Morsdood.
Geplisseerd satijn omsluit haar aan alle kanten, een crucifix staat tegen de zijkant van de kist geleund en schuin boven haar hoofd zweeft een onbestemd bloemstuk waarin wat verdwaalde anjers schuil gaan. Ik moet een jaar of tien geweest zijn toen ik de foto voor het eerst zag. Hij integreerde mij mateloos. Vooral het grauwe uitdrukkingsloze gezicht van de dode en haar vingers die een rozenkrans omklemmen, maakten indruk op mij. Zij was de eerste dode die ik zag, weliswaar op papier en in zwart-wit, maar toch.
Een foto van een dode, van iemand die het tijdige voor het eeuwige heeft verwisseld, die op reis is gegaan naar de eeuwige jachtvelden zoals het in de boeken van Karl May wordt genoemd. Één blik op de foto van tante Elisabeth was toen genoeg om mij in de wereld van Old Shatterhand en Winnetou te katapulteren. Dat had natuurlijk alles te maken met dat tante Elisabeth rond 1913 met haar minnaar naar Amerika was gevlucht. De man had de kas van de scheepswerf waar hij als boekhouder werkte, geplunderd. Vandaar. Ze kwamen uiteindelijk in Sioux City terecht. Daar bezweek tante Elisabeth in 1942 aan de complicaties van een galblaasoperatie. Sioux City. Niet lang daarvoor had ik Old Shatterhand verslaat Sioux gelezen. In Sioux City was het in de jaren veertig blijkbaar vrij gewoon iemand in zijn kist te fotograferen.
Neef Arnold had niets met Old Shatterhand te maken. Je zou hoogstens kunnen zeggen dat hij zijn fotocamera’s bediende zoals Old Shatterhand zijn repeteergeweer, de Henry-buks. Daarmee hield elke overeenkomst op. Neef Arnold was de man die voordat de herdenkingsdienst begon ongevraagd foto’s maakte van de kist van mijn schoonvader.
‘Schei daar mee uit, houd daar mee op,’ werd er gesist. Hij liet zich door niets en niemand tegenhouden. Sinne en wille kinne folle tille, luidt het Friese spreekwoord. Waar een wil is, is een weg. Hij was niet voor niets met zijn statief en twee synchroon werkende camera’s vanuit het verre Leeuwarden gekomen om de plechtigheid bij te wonen.
‘Laat mij begaan, anders zullen jullie er later spijt van hebben,’ zei hij. Klik, klik, klik... ‘Het zal een mooie herinnering zijn.’ Klik, klik, klik. En toen weer terug naar Friesland.
Wij hebben de foto’s nooit gezien. Vrij kort na de begrafenis werd hij tijdens een zeiltocht op de Palsepoel tussen Heeg en Oudega getroffen door een infarct. Hij sloeg overboord en verdronk. Je hoeft niet bijgelovig te zijn om een verband tussen deze twee gebeurtenissen te vermoeden.
Neef Arnold was een uitzondering. Lijken en lijkkisten zijn geen favoriet onderwerp bij amateurfotografen. Dat is vreemd, want wat is er op tegen je dierbare vast te leggen op het moment dat hij het tijdelijke voor het eeuwige verwisselt? Je houdt er een leuke herinnering aan over. Neef Arnold begreep dat maar hij was een roepende in de woestijn. En niemand heeft zijn begrafenis met twee synchroon werkende camera’s voor het nageslacht vastgelegd.
Vroeger werd van iedereen die iets voorstelde een dodenmasker gemaakt. De universiteit van Princeton bezit een mooie collectie. Dante is er vertegenwoordigd, Beethoven, Napoleon en de obscure dichter Ridgely Torrence (What saw I then, what heard? Multitudes, multitudes, under the moon they stirred!). De nu vergeten wijsgeer Antoon Vloemans ontleende er filosofische inzichten aan: "Het leven is blijkbaar een langdurige kramp, want alleen aan dodenmaskers kan men zien wat innerlijke vrede is."
Dodenmaskers dus, maar ook tekeningen en later de fotografie. Nadat Marcel Proust was gestorven, was het helemaal een dolle boel. In de Proust-biografie van Ghislain de Diesbach lezen we: ‘De schilder Helleu komt om een ets van zijn gezicht te maken. Dunoyer de Segonzac maakt een profielschets in houtskool en Man Ray maakt een foto.’


II.
Vroeger was er behoefte het einde van een leven vast te leggen. Tegenwoordig beperkt men zich tot het begin. We moeten niet veel van de dood hebben. Begraven of cremeren en dan wegwezen.
De geboorte daarentegen… Als zich ergens nieuw leven aandient, zijn ze niet meer te houden. Het begint steeds vroeger. Mannen en vrouwen lopen rond met in hun portemonnee een afdruk van de echo van hun ongeboren kind. Ik heb er al menigeen onder mijn neus gedrukt gekregen. Zo’n slecht afgedrukte trapeziumvormige onderwaterfoto in zwart-wit. ‘Kijk eens, dat is ie dan,’ zeggen ze terwijl de wijsvinger op een ondefinieerbare witte vlok priemt. Of : ‘Wat vind je van m’n dochter.’ Want ze weten tegenwoordig heel snel of het een jongen of een meisje is. Dan beginnen ze te timmeren en te zagen. Een ridderkamer – het bed compleet met kantelen en een ophaalbrug - voor het nog ongeboren jongetje. En voor de meisjes een prinsessenkamer met de bijbehorende parafernalia.
Een naam weten ze dan ook al. Vaak is het er een die getuigt van goede smaak of van verstolen dromen. Of van durf. Als het maar niet aan vroeger herinnert. Niet aan de doden of de dood. Toen mijn vrouw in een Antwerps ziekenhuis beviel van onze dochter, lag in de kamer naast haar mevrouw Vanderslagmulders. Op de deur was met feestelijke linten de geboortekaart bevestigd en daarop stond te lezen dat de trotse ouders lieten weten dat er een tweeling was geboren: Shawn en Shanty.
Shawn en Shanty Vanderslagmulders; in Vlaanderen is Kamagurka nooit ver weg.
Geklik en gezoem. Terwijl de trotse vader de videocamera bedient, loopt een tante of grootvader onrustig rond met de digitale camera. Elke fase van het geboorteproces wordt vastgelegd. Het begint in de verloskamer? Ik kan er van meepraten. ‘Heeft u een camera waarmee we de geboorte kunnen vastleggen?’vroeg een verpleegster. Nee, ik had geen camera. Nog geen halfuur later begon het opnieuw. Een andere verpleegster die de baby overnam van de gynaecoloog, bood aan een foto te maken terwijl ik de navelstreng doorknipte. Maar ik wilde de navelstreng helemaal niet doorknippen. Daar was zij toch voor opgeleid? En wat betreft dat fototoestel, nee, dat had ik niet bij me.
Nadat een kennis van ons, de mimespeelster Ingrid K., bevallen was van een gezonde zoon van ruim zes pond en tweeënvijftig centimeter lang, ontvingen wij een geboortekaart. Het was een grote kaart, A5formaat. Aan de ene kant de gegevens en het adres waar de geboortelijst zich bevond. Op andere kant stonden contactafdrukken. In kleur! Beeldje voor beeldje werd hier de geboorte gedocumenteerd. Dat het een zware bevalling was geweest, zag je aan de moeder. Die zag er uit alsof ze twee weken onafgebroken aan de zwier was geweest. Met de baby was het al niet veel beter gesteld: een bloederig en slijmerig wezentje waaraan weinig menselijks te bespeuren viel.
‘Waarom verstuur iemand zoiets?’ zei mijn vrouw toen ze na een lange en ijzingwekkende stilte de kaart aan mij teruggaf.
‘Ik weet het niet...’ zei ik. Ik wist het werkelijk niet. Of: ik wilde het niet weten. Hoeveel schaamteloosheid kan een mens verdragen?
Toen ik in 1958 werd geboren was de babykrul nog wijdverspreid. De haren van de baby werden natgemaakt, naar het midden gekamd en in een rol gelegd. Vervolgens werd de baby op een schapenvachtje gelegd en door een beroepsfotograaf gefotografeerd. Iedereen in onze familie deed dat. Later kwam je de ingelijste foto’s weer tegen op het buffet of op de schouw van de familieleden.
Mijn moeder was faliekant tegen de babykrul. De babykrul deugde niet, was ordinair. Zij hoopte zich door in mijn babyhaar geen babykrul te draaien van haar familie te onderscheiden. Ook werd ik niet op een schapenvacht bij een fotograaf gelegd. Mijn vader fotografeerde zelf. Hij had een Box-Tengor van Zeiss-Ikon met Goerz Frontar objectief. Daar gingen rolfilms in en het gaf mooie grote 6 x 11 negatieven.
Ik was al lang en breed gewassen en aangekleed toen vader begon te fotograferen. Er was een duidelijke taakverdeling. Vader fotografeerde en moeder plakte de foto’s in het babyboek. Een vierkant in roodbruin linnen gebonden album. Verlucht met illustraties van Rie Cramer. Een evergreen, want toen mijn dochter veertig jaar later geboren werd, kregen we van een overbuurvrouw precies hetzelfde album.
Mijn exemplaar ligt voor me. BABY’S BOEK staat er op. Op de titelpagina is het envelopje met het geboortekaartje geplakt. Met grote vreugde en dankbaarheid... etc. etc. Op de volgende pagina een kwak opgedroogde lijm waarin wat haartjes kleven. Baby’s eerste haartjes. Dat zijn ze dus, de haartjes waarin nooit een babykrul werd gedraaid.
Een foto ben ik nog niet tegengekomen. Ook niet op de volgende pagina. Wel weet ik inmiddels wanneer ik voor het eerst gelachen heb en wanneer de eerste tranen kwamen. Later is er nog met een andere kleur ballpoint bijgeschreven dat ik op 17-8’58 mijn eerste twee tandjes kreeg. Ik sla nog een bladzij om. Weer geen foto. Wel een tekening van een engel met een baby in haar armen. Inderdaad, van Rie Cramer. Op de tegenoverliggende pagina heeft mijn moeder de feitelijke gegevens van mijn geboorte geschreven: uur, datum, gewicht en lengte.
Dan eindelijk de eerste foto: mijn moeder met de baby. Er onder staat de datum: 16 februari 1958. Precies twee weken na mijn geboorte maakte mijn vader de eerste foto van zijn zoon! ‘Dit waren de eerste foto’s,’ staat er ten overvloede onder en dat mijn gewicht iets was teruggelopen.
Mijn vader had in de familie de reputatie van goed fotograaf. Waarschijnlijk had dat vooral te maken met de manier waarop hij fotografeerde. De eindeloze voorbereidingen die aan het afdrukken vooraf gingen, waren legendarisch. Als ik de foto’s na al die jaren terugzie, moet ik concluderen dat het resultaat nogal mager is. Slecht belicht en gekadreerd. Veel foto’s zijn genomen juist op het moment dat iemand gaapt of zijn ogen sluit. ‘Jammer dat hij net zijn handjes voor zijn gezichtje houdt’ luidt het onderschrift bij een van de foto’s. Zo kun je het ook bekijken. Jammer... Want het moment dat ik naast mijn twee nichtjes op tafel lag, was voorgoed voorbij toen mijn vader weken later de afdrukken bij de fotowinkel ophaalde. Het zou nooit meer terugkomen en alles wat er restte was deze foto waarop ik met mijn twee handjes mijn gezicht afdek.
Ik blader verder. Vooral de teksten worden nu interessant. Mijn moeder verwoord niet langer haar verwondering en vreugde over het nieuwe leven. Ze verwoordt nu de gedachten van de baby. Op een schemerige, scheve foto waarop ik in mijn kinderstoel naast een kerstboom zit, staat geschreven: ‘O, wat is die boom toch mooi. Kon ik er maar even aan graaien.’ Misschien waren het werkelijk mijn gedachten. We zullen er nooit achter komen. De foto geeft in ieder geval geen uitsluitsel.
Ik blader door naar de laatste pagina. De teksten beperken zich steeds meer tot plaats en datum. De laatste foto is genomen in februari ’68: een dikke jongen met een ijsmuts op een slee. Het boek moet vol, zal mijn moeder gedacht hebben.
Ik was inmiddels tien jaar en in andere dingen geïnteresseerd. Bijvoorbeeld in die foto van tante Elisabeth in haar lijkkist met achterop die raadselachtige tekst waar ik toen nog niets van begreep.

Eerder gepubliceerd in het jaarboekje 2008 van Uitgeverij Voetnoot: BABY'S BOEK