06-03-10

DE DOOD EN DE SPORT

Nog voordat de Olympische Winterspelen in Vancouver officieel geopend waren, viel er een dodelijk slachtoffer. De Georgiër Nodar Koemaritasjvili vloog tijdens de laatste training voor de Olympische rodelwedstrijden met zijn rodel uit de bocht en botste tegen een stalen paal.
Daar schrikken we van. Maar moet je wanneer je gemiddeld met honderdvijftig kilometer per uur een rodelbaan afraast er eigenlijk geen rekening mee houden dat het wel eens mis kan gaan? Is dat ook niet de kick?

Sport en de dood. Mon Vanden Eynde en Dirk De Witte wijden er in hun studie De sport in de literatuur (1968) een aantal behartigenswaardige passages aan. Vanden Eyne maakte naam als coach van de beroemde atleten Gaston Roelants en André De Hertoghe. De Witte was prozaschrijver en pleegde nog geen twee jaar na publicatie van bovengenoemde studie zelfmoord. Jeroen Brouwers wijdt in zijn zelfmoordboek De laatste deur een lang en aangrijpend essay aan hem.

De Atheense soldaat Philippides liep in 490 voor Christus de 42 kilometer van Marathon naar Athene om er de overwinning van Miltiades op de Perzen te melden. Een prestatie van formaat. Maar nadat hij volkomen buiten adem zijn boodschap had overgebracht, viel hij dood neer. Tijdens de eerste Olympische spelen van 1896 wordt de marathon op het programma gezet als eerbetoon aan deze soldaat.
‘Waarom boeit deze marathon zo?’ vragen Vanden Eynde en De Witte zich af. De mythevorming rond deze discipline is volgens hen zeer doordrongen van de doodsgedachte. De marathon heeft bovendien de grenzen van wat als sport kan beschouwd worden overschreden.

In de twintigste eeuw is sport alomtegenwoordig in het maatschappelijk leven.
Francois Mauriac omschreef de twintigste eeuw als ‘Cet étrange siècle du sport’. En Paul Valéry speet het dat hij tot de generatie behoorde die de sport onderschat had. Ondanks dat komt de sport slechts sporadisch voor in de literatuur.
Zou het zijn omdat sport een massaverschijnsel is? De schrijver houdt zoals bekend mag worden veronderstelt niet zo van massaverschijnselen. Want ‘hij vreest zijn persoonlijkheid, die hij beklemtonen en uitbouwen wil, in de massa te zullen verliezen.’
Bovendien is de letterkundige niet in staat sportbewondering en sportverdwazing te scheiden van sportbeoefening en sporttragedie, klinkt het verwijt.
Dan is er natuurlijk de angst van de schrijver om met zijn eigen fysisch verval te worden geconfronteerd. En met zijn inertie!
Een verklaring voor het feit dat sport in de Nederlandse literatuur in vergelijking met andere literaturen nog minder voorkomt vinden de auteurs in het werk van Herman Gorter, een enthousiast beoefenaar van de bergsport. In de verheven poëzie van de bergen vond Gorter aanschouwelijke symbolen van zijn eigen hoogste gedachtebeelden.
Want: ‘pas wanneer de sportieve daad een hoger plan bereikt, de mens verheft, de sportdaad groots is, tot poëtische inspiratie leidt, is ze de toegang tot het heiligdom der literatuur waardig’.

En als er dan al eens wat sport de literatuur binnensijpelt zijn het vooral de disciplines waarin geweld, spektakel en mythe te vinden zijn. Boksen bijvoorbeeld. In het oeuvre van Ernest Hemmingway wordt regelmatig gebokst. Hugo Claus laat in zijn roman De Hondsdagen trainende boksers opdraven en Armando publiceert in Gard Sivik zijn cyclus Boksers:

Heeft Nelis een glazen kin?

Priem hem precies op z’n strot
Godverdomme geen asem meer


Het stierengevecht, ook zo’n mythische sport. Henri de Montherlant heeft er net als Hemmingway heel wat pagina’s aan gewijd. Ze hadden nog iets gemeen. Beide beroofden zichzelf van het leven. De Montherlant omdat hij zo goed als blind was, Hemmingway omdat hij al jaren leed aan zware depressies. Het zat bij hem in de familie; ook zijn vader, broer, zuster en zijn kleindochter kwamen op deze manier aan hun eind.

De sport in de literatuur is geen onbekommerd, vrolijk sportboek. Het is doordesemt van dood, tragiek en mislukking. En vreemd, want onbewezen, hoor ik hier vooral de stem van Dirk De Witte. Maar misschien kleur ik deze studie teveel in door hem te lezen met zijn latere zelfmoord in mijn achterhoofd. Wil ik er misschien een vooraankondiging in lezen van zijn dood?

De dood is tamelijk definitief. Denk maar aan de beelden van de verongelukte rodelaar Nodar Koemaritasjvili. Je hebt weinig verbeelding nodig om te begrijpen wat daar gebeurd is.
Toen de piste-renner Karel Verbist op 21 juli 1909 door een ongelukkige val tijdens een wedstrijd om het leven kwam zong het volk:

Charelke, Charelke, Charelke Verbist
Had hij niet gereje in de pist
Had hij niet gelegen in de kist...


Maar in dit liedje is allang geen sprake meer van ‘aanschouwelijke symbolen’ van iemands ‘hoogste gedachtebeelden’.




eerder gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 19 februari 2010

Geen opmerkingen: