05-03-10

OVER JAPANEZEN, MUIZENVANGERS EN HOEREWAARDINNEN

Toen ik aan het bladeren was in Van Ostayen – Een documentatie van de onvolprezen Gerrit Borgers stuitte ik op iets opmerkelijks.
Jos Léonard, een jeugdvriend van Van Ostayen, heeft zijn herinneringen aan de dichter opgeschreven onder de titel De jongensjaren van Paul van Ostayen.
Van Ostayen was klein van stuk. En daar was hij zich terdege van bewust. Tijdens de Russies-Japanse orlog was hij een overtuigd aanhanger van de Japanners.
Als zijn vriend hem vraagt waarom, antwoord Van Ostayen: ‘De Japanezen zijn maar kleine mannekens zoals ik.’
In diezelfde tijd schreven de twee vrienden onafhankeijk van elkaar theaterstukken. De kleine Paul was bezig met een klucht. De titel was De muizenjacht. De handeling is eenvoudig en allesbehalve vergezocht: een knecht moet muizen vangen van zijn baas.
Als de baas op een gegeven moment aan zijn knecht vraagt: ‘Jan, hoeveel hebt ge er al gepakt’, antwoord de knecht: ‘Als ik die heb waar ik achter zit en nog een, dan heb ik er twee.’

Volgens mij was dit de aanzet tot Van Ostayens eerste groteske.


Nu iets heel anders.
Een huiselijk tafereel. Een gewone doordeweekse dag.

Vaas met de bloem
Ploem ploem
Hé visserke vis
Visserke vis


En dat dan gedeclameerd door een meisje van dertien.
Een boos meisje.
Mijn dochter.
Ze werd gestoord van dat gedicht. Wat een verschrikkelijk rotgedicht. De opdracht was om zelf ook zo’n gedicht te maken.

Ploem ploem
Visserke vis
Daa-ag vis
Dag lieve vis
Dag klein visselijn mijn


De afgelopen vier jaar hebben vier verschillende leerkrachten geprobeerd mijn dochter aan de hand van Mark groet ’s morgens de dingen te overtuigen van het genie van Van Ostayen.
Tevergeefs.
Ik heb nog geprobeerd haar uit te leggen waarom het werkelijk een bijzonder gedicht is, maar veel hielp het niet. Ik was te laat. Ik ben bang dat het nooit meer goed komt tussen mijn dochter en Paul Van Ostayen.
Dat is het gevaar van de literaire canon. Als we maar veel en vaak zeggen dat iets heel bijzonder is dan geloven we het op den duur zelf. Daar hoeven we de betreffende tekst nog geen eens voor te lezen. Napraten volstaat. Wellicht is een canon wel de eerste stap naar fundamentalisme.
En dat is weer heel iets anders dan cultureel snobisme. Want daar is niets op tegen op z’n tijd.
Enfin, waarom laten ze kinderen toch niet zelf ontdekken waarom bepaalde poëzie beter is dan andere? Natuurlijk, dat kost tijd, veel meer tijd. En nog iets veel belangrijkers: bevlogenheid van de lesgever.

Onlangs las ik weer eens een van de grotesken van Van Ostayen. Het Bordeel van Ika Loch. U weet wel. Over die bordeelhoudster die precies denkt te weten wat haar klanten willen. Zij denkt zelf in het onbewuste van haar klanten te kunnen door dringen. Ika Loch als Vlaamse variant van Sigmund Freud.
Hoe verder ik doordrong in deze groteske hoe meer ik moest denken aan de leerkrachten die mijn dochter dat gedicht van Van Ostayen zo hadden tegengemaakt.

Aanvankelijk leggen een aantal van Ika Loch’s klanten de schuld van hun teleurstellend hoerenbezoek bij Ika Loch zelf. Maar al snel geeft de eerste toe– ik citeer – dat hij inderdaad om zijn driftleven niet was georiënteerd en dat Ika loch’s autoritair optreden hare kennis bewees.
Na hem volgt het merendeel van het clientèle.

En Ika Loch vaart daar wel bij.

Zij bleef autoritair, enkel omdat zij nu eenmaal zo was. Met dit gevolg dat het autoritaire optreden ditmaal dadelik als superieur weten werd geschat.

Maar dit gaat helemaal niet meer alleen over deze fictieve hoerenmadam, bedacht ik me, nee, dit gaat ook over die lesgevers. Vooral zou ik haast zeggen.
En het gaat maar door.

Ook was zij erg bijziende, - feitelik wel haar beroep zeer ten schade. De menselike figuur in haar geheel kon haar niet concentries prikkel zijn. Zij was daartoe genoodzaakt de details één na één op te nemen, samen te lezen en zij kon slechts uit deze summering het beeld excentries projekteren.

Of deze:

...de eierstokken werden haar weggenomen. Daaruit volgde nu deze toestand dat zij, hoerewaardin, niet het geringste besef van geslachtsleven had, ja de drift eenvoudig niet kon begrijpen.

Hieruit blijkt natuurlijk in eerste plaats dat het met de medische kennis van Van Ostayen niet zo bijzonder gesteld was. maar als we het figuurlijk opvatten en die eierstokken door iets anders vervangen, is het weer wel van toepassing op die lesgevers waarover ik eerder sprak.

Tot slot nog één citaat van Van Ostayen. Ik heb de vrijheid genomen Ika Loch te vervangen door de lesgever.

Verder zou ik het bijna toch wagen te verklaren dat het wezen van een lesgever slechts indirekt is nabij te komen. Zijn autoriteit daargelaten, treedt hij zo weinig op het voorplan dat... men zou kunnen aannemen hij zou slechts voorstelling zijn, - als lesgever pedagogische waanvoorstelling.

Ik hoop dat al die lesgevers - die zonder te weten waarom - roepen dat Van Ostayen een genie is, dit kleine boekje van uitgeverij Voetnoot lezen. Misschien valt er nog iets te redden.



uitgesproken bij de presentatie van de drie eerste deeltjes van de Belgica-reeks van Uitgeverij Voetnoot op donderdag 4 maart 2010.

Geen opmerkingen: